Acht manieren om (bijna) nooit de Nobelprijs te winnen

Maandag debatteren Gerard 't Hooft en anderen in het KennisCafé in De Balie over het nut van de Nobelprijs. Wie er winnen, is duidelijk. Maar wie winnen er niet?

De Amerikaanse aidsonderzoeker Robbert C. Gallo kreeg in 2008 geen Nobelprijs voor de ontdekking van hiv. Hij publiceerde weliswaar in 1984 als eerste het virus, maar op basis van voorwerk van de latere winnaars: Luc Montagnier en Francoise Barré-Sinoussi, beiden Frans. Datzelfde jaar liepen ook een Italiaan en een Amerikaan de prijs voor respectievelijk Natuurkunde en Chemie mis.

Tussen 1901 en 2011, de jongste aflevering van de uitreiking van de Nobelprijzen, kregen volgens de statistieken van het Nobelcomité 826 mensen (en ook nog eens 20 organisaties) een onderscheiding, van de allerbeste geleerden tot de meest gedreven wereldverbeteraars en invloedrijkste dichters en schrijvers. Vooral dankzij het ondoorzichtige selectieproces van de organisatie in Stockholm is hooguit op grond van geruchten na te gaan wie er ieder jaar net niet winnen.

In zeldzame gevallen komt achteraf onvrede aan het licht, als bij de wetenschapsprijzen nauw betrokken collega's hun teleurstelling toch niet helemaal kunnen verbergen of anderen aangeven wie er niet wonnen. En soms gaat het ook behoorlijk mis. Rosalind Franklin was medeontdekker van de dubbele helix in het DNA, maar in 1962 wonnen Watson, Crick en Wilkins. In 1944 kreeg Otto Hahn in zijn eentje de Nobelprijs voor Chemie voor kernsplijting, die hij met Lise Meitner had ontdekt.

In 2008 wonnen drie Japanners de fysicaprijs voor een effect dat nota bene mede naar de Italiaan Nicola Cabibbo is vernoemd. Hij gaf desgevraagd geen commentaar op de misser. Wat wel zo chique was.

Maar dat zijn de anecdotische hele en halve missers van het Nobelprijs-comité. Wie de statistieken van de prijs der prijzen doorneemt, ontdekt echter een paar wetmatigheden die behoorlijk goed voorspellen wie er in elk geval zelden of nooit een Nobelprijs wint.

Verreweg de belangrijkste handicap bij het winnen van een Nobelprijs, in welke categorie dan ook, is geslacht. Ben een vrouw. Van de meer dan 830 winnaars waren er sinds 1901 welgeteld 43 vrouw (42 verschillende, Marie Curie won tweemaal), nog geen 5 procent. Vooral de prijzen voor Vrede (15) en Literatuur (12) kunnen nog het meest vrouwelijk worden genoemd, gevolgd door Medicijnen (10). In 2009 jaar won voor het eerst in al die tijd een vrouw een Nobelprijs voor de Economie, Elinor Ostrom.

Wat ook niet helpt is om geen Amerikaan te zijn, zeker in de natuurwetenschappelijke categorieën. Wees geen Amerikaan, vertellen de Nobelstatistieken. Van de 826 winnaars waren er weliswaar 582 niet in de VS geboren, maar 244 dus wel, bijna één op de drie. Geen enkel ander land scoort zo hoog. En dat is nog maar de herkomst; een aanzienlijk deel van de niet-Amerikanen in de Nobelarchieven werkt wel degelijk in de VS. Overigens hebben niet-Amerikanen altijd ook gewonnen, de allereerste Nobelprijs was die in 1901 voor de Duitser Emil von Behring, voor Geneeskunde.

Geografisch is geboren worden in de derde wereld ook een behoorlijke garantie om nooit een Nobelprijs te winnen. Dieptepunt is Afrika, waar hele reeksen landen zelfs geen enkele Nobellaureaat hebben voorgebracht. In totaal waren er pakweg 6 Afrikaanse Nobelprijswinnaars, van wie er minstens één, chemicus Claude Cohen-Tannoudji in Frankrijk opgroeide en werkte. Ben een Afrikaan, is dus het devies. Of desnoods Latijns-Amerikaan (17 winnaars in een ruime eeuw). De eerste Afrikaan die ooit won was pas in 1960 ANC-president Albert Lutuli.

Ben jong, ook een prima reden om geen Nobelprijs te krijgen. De gemiddelde leeftijd van Nobelprijswinnaars is circa 51 jaar, met een uitschieter naar 61 voor wat betreft de Literatuurprijs. De jongste winnaar was fysicus Lawrence Bragg in 1915, die toen 25 jaar jong was, maar samen met zijn vader won (William, 53). Een uitzondering. Slechts 12 winnaars in een ruime eeuw waren nog geen 35 jaar, de rest dus veel ouder. Enige troost is dat wie jong is, vanzelf oud wordt en dan wellicht alsnog kans maakt op een prijs. Dat kan alleen wel lang duren. De oudste winnaar was econoom Loenid Hurwicz in 2007, die toen 90 was.

Hoe nobel het Nobelprijscomité ook moge zijn in zijn intenties, de wereld is dat niet. En dus doet huidskleur ertoe. Wees een zwarte, is de historische les van de statistieken, dan win je zelden tot nooit. Pas in 1950 was de Amerikaanse Midden-Oostendiplomaat Ralph Bunche de eerste zwarte winnaar, voor Vrede. Ruim 90 procent van alle winnaars is blank, van de overige winnaars is pakweg de helft van Aziatische oorsprong. Een kleine anderhalf procent is zwart. Alleen het Midden-Oosten levert nog minder Nobelprijswinnaars, amper een procent.

Het klinkt misschien raar, maartrouw een Nobelprijswinnaaren de kansen worden nihil om zelf te winnen. In de geschiedenis van de prijs komen vier echtparen van Nobellaureaten voor: Pierre en Marie Curie, Irene en Frederic Joliot-Curie, Gerti en Carl Cori, en Alva en Gunnar Myrdal. Dat betekent dat vrijwel alle partners van winnaars nooit wonnen. Anderzijds: waarom zouden ze ook.

Een wat ingewikkelde: win een Nobelprijs. Het aantal winnaars van twee Nobelprijzen is letterlijk op de vingers van een hand te tellen. De dubbelgiganten: Fred Sanger (1958, 1980, beide Chemie), Linus Pauling (1954 Chemie, 1980 Vrede), Marie Curie (1903 Fysica, 1911 Chemie) en John Bardeen (1956, 1972, beide Fysica). Conclusie: vrijwel geen enkele Nobelprijswinnaar wint tweemaal. Maar eenmaal een Nobelprijs winnen is natuurlijk ook al buitengewoon onwaarschijnlijk, zelfs voor witte mannelijke amerikanen van boven de vijftig.

De geschiedenis van de Nobelprijzen is bezaaid met bazen die met de eer van anderen gingen strijken. Wees ondergeschikte, is dus het devies. In 1950 kreeg Cecil Powell de prijs voor de vondst van mesonen, een bepaalde klasse van elementsaire deeltjes die in werkelijkheid was gedaan door de Braziliaan César Lattes. Natuurkundestudent Chung-Yao Chao nam als eerste het positron waar, ook al een elementair deeltje, maar groepsleider Carl Anderson kreeg de prijs, in 1936. Louise Chow ontdekte gensplitsing, haar baas Sharp Roberts won in 1993. Zelfs Linus Pauling (Chemie 1954) doorgrondde eiwitbinding niet in zijn eentje, maar met veel dank aan Robert Corey en Herman Branson. En Selman Waksman won in 1952 met een middel tegen tbc, terwijl zijn assistent Albert Schatz vrijwel al het vuile werk had gedaan. Pikant is dat de rechter Schatz later nog gelijk gaf ook. Hij kreeg een schadevergoeding.

Met medewerking van Maarten Keulemans

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden