Absurd en kluchtig spektakel van een gevoelig fantast

De vliegende Hollander van Jos Stelling. Met René Groothof, Veerle Dobbelaere, René van 't Hof, Gène Bervoets, Gerard Thoolen. In twaalf theaters, waaronder Tuschinski 1 Amsterdam, Metropole 1 Den Haag, Corso Rotterdam....

Bescheidenheid is niet de voornaamste karaktertrek van de Utrechtse self made-regisseur (tevens café- en bioscoopeigenaar) Jos Stelling. Bescheidenheid past niet bij film, heeft hij altijd gezegd. In 1977, bij Rembrandt fecit 1669, verklaarde hij zijn persoonlijke band met Nederlands beroemdste schilder door er op te wijzen dat hij op dezelfde dag geboren werd als Rembrandt en dat zowel zijn vader als die van Rembrandt stierven toen hun zoon 24 jaar was.

Toen ik er in een recensie op wees dat de filmer het kennelijk een tikje in de bol geslagen was (ten koste uiteindelijk ook van zijn film), maar dat de plaatselijke psychiater dit probleem wel zou kunnen oplossen, dreigde Stelling mijn huis in de fik te steken en volgde er een boycot-actie van de gezamelijke Nederlandse filmwereld.

De storm is allang geluwd, hoewel Jos Stelling zijn uitgangspunt heeft gehandhaafd. Ook De vliegende Hollander is geen film van een bescheiden man. Hij gaat over het verlangen van de mens om te kunnen vliegen. Waanzin, weet iedereen, maar als je dat niet serieus neemt is het natuurlijk een heel bruikbaar gegeven. Een verlangen, een droom, een zoeken naar onsterfelijkheid ondanks het besef dat het leven maar één zekerheid heeft: de dood. Volgens Stelling staat vliegen gelijk aan dood gaan, dus zoekt zijn held die vliegen wil in feite de dood en niet de onsterfelijkheid van de meeste helden.

De laatste, sterk autobiografische film van Joris Ivens, Een verhaal van de wind, had een gelijkend uitgangspunt. Je ziet daarin hoe de kleine Joris in de tuin van zijn ouders een vliegtuig heeft gebouwd en tegen zijn moeder roept: 'Mama, ik wil naar China vliegen'. Ivens ging naar China en probeerde daar in een gortdroge woestijn de wind op te roepen. Wat lukte, dank zij de magie van een oude vrouw.

Ooit zou Ivens, met geld van de toenmalige minister Klompé, een film maken met als werktitel De vliegende Hollander, maar dat project is altijd net zo'n droom gebleven als die van de mens die hoopt te kunnen vliegen. Om De vliegende Hollander van Jos Stelling te kunnen begrijpen, moet je het logisch denken zo snel opzij schuiven. Het verstandsknopje moet om, want via een rationele weg is de film niet te volgen. Historisch klopt er geen ene moer van (ondanks zulke quasi-feitelijke informatie dat we beginnen in het preciese jaar 1568), van een verhaal is nauwelijks sprake. Op een enkele uitzondering na, zoals een rare Italiaanse speelman die fungeert als een verteller en Campanelli heet, zijn de personages naamloos: de Hollander, de Onthoofde Man, de Spanjool, de Boer, de Dwerg, de Gevangenisdirecteur.

Daarmee volstaat Stellings spaarzame informatie voor het soort film dat hij heeft willen maken. Dat is zijn goed recht. De vliegende Hollander is een auteurs-film die zich van de geijkte formules niets aantrekt. Een van de kwaliteiten van De vliegende Hollander is zijn volstrekte originaliteit. Hij is geheel ontsproten uit de fantasie van één man, een stoute Utrechtse fantast, die zijn eigen droom in een eigen gekozen vorm giet en zijn verhaal in een eigen, eigenwijs traag tempo vertelt. Het is allemaal onzin, maar ondertussen valt er op het niet-rationele vlak genoeg te associëren.

Is Stellings benadering eigenlijk wel zo raar? Zelfs de meest verstokte bioscoopbezoeker die uitsluitend wenst te genieten van vaardig Hollywoodamusement vol fel realistische avonturen, weet dat het allemaal nep is en dat film bigger is dan life. De vliegende Hollander is van eenzelfde aard, maar 'we' zijn gewend dat films die lijken 'ergens over te gaan', een betoog bevatten dat appelleert aan verstandelijke vermogens en op waarheid en werkelijkheid te toetsen zijn.

Wie het verstand verwisselt voor intuïtie en associatievermogen, kan zich laven aan een prachtig, gevoelig en niet te vergeten buitengewoon geestig spektakel rond een man die in een overspelig wipje verwekt wordt op het Vlaamse platteland en zijn leven lang gaat zoeken naar zijn vader (ja, in deze queeste natuurlijk op zoek is naar zichzelf). Een Italiaanse speelman, die om wat voor reden ook daar rondbanjert in Vlaanderen, zegt hem dat zijn vader nog leeft en als de Vliegende Hollander de zeeën bevaart.

Na een lange zwerftocht komt de Hollander uiteindelijk terecht in een Amsterdamse gevangenis (rasphuis), waar een gebochelde gek gevangenen teistert en de gegoede burgerij af en toe de ongelukkigen wat centjes toewerpt. Daar leert de Hollander dat hij bij zijn Vlaamse vriendinnetje van weleer een zoon heeft. De knaap gelooft hem, als hij ziet dat zijn vader vliegen kan. Stelling levert het bewijs daarvoor echter niet, alles blijft fantasie.

De vliegende Hollander wekt soms de schijn een romantisch sprookje te zijn, maar de weinige romantische momenten (bijna altijd rond het fraai door Veerle Dobbelaere gespeelde boerenmeisje dat toch eigenlijk meer een schone jonkvrouwe is) worden gedompeld in pure azijn. Wat een afschuwelijke tijd, die wrede middeleeuwen en wat een knollen van mensen, door Stelling zorgvuldig geselecteerd uit de doos Lelijkste Mannen en Vrouwen van Nederland en Vlaanderen.

Alles is er vreselijk. Zelfs de zee is eerder een vorm van dood dan de Moeder van het leven. Elke keer dat de Hollander met water te maken krijgt gaat het mis. Ternauwernood ontsnapt hij enkele keren aan de verdrinkingsdood en centraal in het eerste deel van de film staat een gigantische beerput waarin mensen duiken om een zak goud te vinden en waarvan de gierwalm haast de zaal in golft.

De reis van de Hollander op zoek naar zijn vader is er een vol ellende. Steeds dieper raakt hij in de put en hij wordt voortdurend verraden door wat zijn maatje lijkt. De ene kortstondige liefde die hij beleeft, is al net zo'n snelle wip als die waaruit hij zelf voortkwam. En terwijl de zoektocht een lijdensweg is van kwaad naar erger, wordt de schijnbaar serieus gestarte film steeds aburder en zelfs kluchtig, met steeds een gevoelig momentje.

Een opera noemt Stelling het, maar het is eerder een commédia dell'arte, verteld door een filmamateur in de zuiverste zin van het woord. Een man die film een katholiek medium noemt en met een knipoog naar de magie en een valse grijns naar zijn publiek de waarheid en de werkelijkheid verdraait, ook die van zijn zelf bedachte wereldje.

En iemand die veel van de Italiaanse film houdt, met name Kaos. Het is helemaal niet zo verbazingwekkend dat ze in Venetië De vliegende Hollander nu al (als een van de eerste films) voor de competitie hebben uitgenodigd. Daar hoort de Utrechtse fantast thuis. Een psychiater is daar niet van node.

Peter van Bueren

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden