Abstract mag

In China was tot voor kort geen plek voor moderne kunst, zeker niet na 'Tiananmen'. Sociaal realisme was de regel, en het kopiëren van de oude meesters was mooi genoeg....

ZHANG DALI, die zijn kale kop in graffiti op de muren van Peking schilderde, had vroeger vaak last met de politie en kwam nauwelijks aan de bak. Maar tegenwoordig heeft hij de ene tentoonstelling na de andere; voor de laatste Biennale van Shanghai waren werken geselecteerd die vroeger zeker zouden zijn afgewezen.

Moderne kunst mág nu in China. Voorzichtig. Modern is niet meer per se gezagsondermijnend.

De diepe artistieke inzinking die volgde op het Tiananmen-bloedbad van 1989, lijkt heel lang geleden. Kunstveilingen floreren, in Kanton is met officiële toestemming China's eerste tentoonstelling van naaktfotografie gehouden, en er waren voor het eerst ook buitenlandse curatoren en niet-Chinese kunstenaars op de Biennale van Shanghai .

'Er is bijna geen enkele controle meer op de kunst', zegt directeur Bao Zhenya van designbedrijf Webtao. 'Tenzij je tegen de regering bent.'

Webtao heeft enkele avant-gardistische kunstenaars onder zijn hoede. In een zaaltje in een postmodern complex in Peking opent een expositie - westerse kenners zullen er niet van ondersteboven raken, maar in China was avant-garde nog onlangs een vies woord. De deelnemende kunstenaars exposeren hun werk ook op de site van Webtao.

'Moderne kunst geldt nog altijd een beetje als decadent westers', zegt Meg Maggio, een Amerikaanse juriste die sinds 1985 in China werkt en nu de ziel is van de prestigieuze CourtYard Gallery, een verbouwd hofjeshuis dat deel heeft uitgemaakt van het keizerlijke complex van de Verboden Stad. 'Maar de autoriteiten zien ook wel dat er veel geld omgaat, zowel bij de onafhankelijke als de officiële kunstenaars. De official guys hebben een baan voor het leven en kunnen er veel naast doen. '

Nog altijd is in China de traditionele kunst dominant, zowel wat betreft het aantal kunstenaars als de smaak van het publiek en de overheid. De kunst academies houden veel van de traditie en weinig van experimenten. Onderwijs is vanouds niet gericht op bevordering van de eigen creativiteit, maar op het zo goed mogelijk kopiëren van de meester.

De academies leveren jaarlijks enkele tienduizenden afgestudeerden af, van wie er velen zich in de moderne kunst storten. De overheid weet daar nog steeds niet goed raad mee. Kunstambtenaren hebben er geen kaas van gegeten. Maar al gaat de officiële voorkeur nog altijd uit naar de traditie (eerbied voor de gevestigde orde), modern kán. Zelfs abstracte kunst, onverenigbaar met het socialistische realisme van weleer, is niet meer taboe.

Toch worden nog altijd exposities verboden of bekort, kunstenaars geboycot in de vakpers en werken afgewezen. Sommige slachtoffers zijn daar niet rouwig om: moeilijkheden met de censuur zien ze als een kwaliteitsstempel.

'Ach, de klachten over censuur komen vooral van onrijpe kunstenaars die zich eerder wijden aan politiek dan aan kunst', zegt Bao Zhenya van Webtao. 'Het zijn net opgroeiende kinderen die altijd klagen over hun ouders.' Voor Bao is het duidelijk: de spelregels worden in China nu eenmaal gemaakt door de regering .

De Nederlander Hans van Dijk, promotor van de Chinese beeldende kunst : 'Van kunstenaars wordt nog altijd verwacht dat ze bijdragen aan de opbouw van de socialistische samenleving. Voor kritiek is geen plaats. In de Aziatische cultuur telt gezichtsverlies zwaar. Waarom zou je als overheid degenen subsidiëren die kritiek op je leveren? Er is zelfcensuur op alle niveaus: kunstenaars, galeriehouders, museumdirecties, de pers.'

In het hele land wordt driftig geschilderd, getekend, geëtst, gebeeldhouwd en gefotografeerd. 'Wat mij hier trekt', zegt Van Dijk, 'is de kwaliteit van de kunst, de energie van de kunstwereld, die vaak reageert op de samenleving.'

Van Dijk heeft tentoonstellingen georganiseerd in Peking, Shanghai en Hongkong, en in Duitsland, Zweden en Denemarken. Begin dit jaar ging zijn nieuwe galerie open, China Art Archives & Warehouse, in een door een Belgische architect gebouwd complex aan de rand van Peking.

In 1986 kwam Van Dijk (1946) naar China, nadat hij aan de Academie voor Industriële Vormgeving in Eindhoven geboeid was geraakt door klassiek Chinees meubilair. Het was de tijd waarin het partijmonopolie op de kunst werd doorbroken. Voor het eerst kwamen er exposities buiten het officiële circuit van de kunstacademies en de kunstenaarsbond.

In februari 1989 ging in het Nationaal Museum in Peking de eerste grote tentoonstelling open van nationale moderne kunst. Korte tijd later eindigde de Chinese lente op het Tiananmenplein. Na dit bloedbad vluchtten veel kunstenaars het land uit. Het visum van Van Dijk, die in Nanking had meegedaan aan betogingen, werd niet verlengd.

Gegrepen door China stelde hij in Nederland een documentatie samen over moderne Chinese beeldende kunst. Begin 1993 organiseerde hij in Berlijn een expositie . Intussen liep in China de culturele winter op zijn eind. Van Dijk keerde terug, net als veel kunstenaars.

De opleving in de kunstwereld roept de gonzende tijd van vóór 'Tiananmen' in herinnering. Maar het ontbreekt nog aan elementaire infrastructuur. Aan musea bijvoorbeeld. 'Shanghai heeft een nieuw museum, maar geen geld om het te vullen', zegt Meg Maggio. 'En het Nationaal Museum van Peking kun je zo modern maken als je zelf wilt. Als je de gepeperde huurprijs kunt opbrengen, mag je er alles mee doen, als het maar politiek correct is. Zo zijn ook de covers van de kunsttijdschriften en lovende artiekelen te koop. '

Maar Peking heeft nog steeds geen museum voor eigentijdse kunst. Bao Zhenya van Webtao: 'Waarschijnlijk omdat de regering er niet zo in geïnteresseerd is. Moderne kunst is tot nu toe meer een zaak van particulieren.'

Ook magnaten uit Hongkong, Taiwan en Japan sponsoren de Chinese kunst. De Poly-groep, die rijk is geworden aan wapenhandel, koopt op internationale veilingen oude Chinese schatten op om ze naar het vaderland terug te brengen. Maar van een echt financieringssysteem is geen sprake. Het is volgens Meg Maggio één grote chaos. 'Alles is nog zo nieuw hier. Alles kan. Er beginnen zich net vriendengroepen te vormen die kunst kopen om collecties uit te breiden, maar het is allemaal nog erg ad hoc.'

En dan de galerieën. In heel China zijn er niet meer dan vijftig, en die zitten voornamelijk in de megalopolissen Peking en Shanghai. Peking, een stad van vijftien miljoen inwoners, heeft er tien à vijftien, en hooguit vier verdienen die naam. Vaak houden ze het niet langer dan zes maanden uit. De oudste, de Red Gate Gallery, bestaat pas negen jaar, en is een instituut. Ook deze zaak is opgezet door een buitenlander.

Waar zijn de Chinezen? Van Dijk: 'Ze zijn er wel, maar in op continuïteit gerichte activiteiten zitten meer buitenlanders. Chinezen hebben te weinig ervaring, en een kortstondig succes heeft bij hen vaak prioriteit boven continuïteit. Bovendien zijn wij beschermder. Als men het mij te moeilijk maakt, kan ik met mijn Nederlandse paspoort het land uit.'

Een galerie is hier vaak niet meer dan een leuke schilderijenwinkel, vindt Meg Maggio. Zelf vat ze haar taak ruimer op. 'Ik help de kunstenaars om hun werken tentoongesteld, verkocht en verzameld te krijgen. Maar de kunstmarkt in China is nog bijzonder klein, men heeft er geen idee van hoe klein die is voor een zo'n gigantisch land. Een groot deel van mijn werk bestaat uit het introduceren van Chinese kunstenaars in het buitenland.'

Veel kunstenaars zijn buiten China bekender dan in eigen land. Soms worden ze er verguisd, vaak is er jaloezie. Maar de buitenlandse markt lokt. Iedereen kent onderhand de beste verkoopformule: een vleugje traditie, een vernisje moderniteit, en kassa.

'We zijn deel geworden van de wereld', vindt kunstcritica Wu Meichun. 'Het materiaal van onze kunstenaars kan Chinees zijn, maar iedereen moet zich door hun werk aangesproken voelen. Het zijn Chinese kunstenaars, die internationale kunst maken.'

Kunstenaars uit China winnen grote prijzen in Europa en zijn ook in New York ontdekt. Ze leiden een internationaal, sophisticated leven, zegt Maggio. Dat geldt dan niet voor iemand als Wang Yanping (1956), die in een oerlelijke, volksflat in Peking woont. Toch exposeert ze al sinds 1988 in China en sinds 1997 in Japan, Taiwan, Europa en New York.

Tijdens de Culturele Revolutie werd Wang naar het platteland gestuurd, waar ze ging schetsen en schilderen. Haar prenten werden gebruikt voor politieke propaganda. Toen ze in 1975 terugkwam in Peking, mocht ze niet naar de universiteit, hoewel ze de eerste was van de klas. Zwaarder woog dat haar vader als Kwomintang-lid politiek fout was geweest. En dus werd Wang fabriekarbeidster.

'Er was niets aan te doen', zegt ze. 'Veel mensen hebben hetzelfde meegemaakt. En vaak waren ze er slechter aan toe dan ik.' De nieuwe leider Deng Xiaoping stelde het hoger onderwijs open voor kinderen van 'foute' ouders, zodat Yanping alsnog naar de kunstacademie kon.

Haar scènes uit het dagelijks leven op straat en op het land bewijzen dat ze de Chinese traditie allerminst schuwt. Maar het is ook individualistisch, en daarover kreeg ze het aan de stok met haar leraar op de academie. Die vond dat veel te westers.

'Mijn werk komt uit het hart. Het is niet politiek. Daarom heb ik geen problemen met de regering.'

Ze werkt voor haar hart, niet voor de klant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden