Abstract extract

Het werk is elegant geïnstalleerd, er zijn mooie bruiklenen te zien en er is gedegen materiaal-technisch onderzoek verricht.

Beeldende kunst


****


Mondriaan en het kubisme: Parijs 1912-1914


Gemeentemuseum Den Haag, t/m 11/5. gemeentemuseum.nl


Piet is terug. Onze laatste ontmoeting was dit najaar in het Amsterdam Museum op een tentoonstelling over zijn beginjaren. Daar zagen we hoe Mondriaan zich rond 1910 zich ontpopte tot artistieke voorloper. Dit gebeurde na een niet al te flitsende start als schilder van landschappen - en een leuke sint-bernard - onder invloed van theosofie en de symbolistische schilder Jan Toorop.


Hij liet het publiek achter met een prikkelende cliffhanger. Immers: hoe maakte de ernstige onderwijzerszoon uit Winterswijk in vredesnaam de sprong van rode molens 1 en hoekige, blauwe vrouwen naar de beroemde abstracte doeken?


Een nieuwe tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag, ter ere van Mondriaans 70ste sterfjaar, stelt deze vraag centraal. Zij toont de zestien schilderijen die de schilder (1872-1944) in 1914 exposeerde bij de Haagse galerie Walrecht aangevuld met enkele eerdere werken en dat van tijdgenoten: Picasso 2, LeFauconnier, Van Heemskerck, Kupka en Toorop. Samen illustreren ze de voornoemde stap van figuratie naar abstractie. Cézanne zit er gek genoeg niet bij. De expositie is voor 80 procent geslaagd. Slim parcours, elegant geïnstalleerd, fijne bruiklenen, gedegen materiaal-technisch onderzoek enzovoort; de zwaktes, in zoverre je daarvan kunt spreken, zitten hem in het aanklevende vertoog. Denk aan zaalteksten die óf te algemeen zijn óf net hun doel voorbij schieten en ook aan een catalogus waarin een stevig essay ontbreekt. Derhalve laat de expositie zich meer bekijken als bevinding dan als interpretatie, meer neerslag dan visie.


Wat had kunnen worden benadrukt was zijn rol als fakkeldrager en zijn status als meest doelgerichte van alle abstracte meesters. Een doelgerichtheid die zijn werk streng lineair maakte, die zich uitte in een haast hegeliaanse kijk op kunst. Mondriaan had de overtuiging dat 'de groeiende diepgang van het moderne leven gereflecteerd kon worden in de schilderkunst'.


Maar hij had een probleem. Zijn symbolisme was te particulier om als universele taal te dienen, de theosofie, waar hij af en aan mee flirtte, te esoterisch. Hij zat op een dood spoor. Drie gebeurtenissen hielpen hem weer op weg.


Eerst was er een tentoonstelling in de Amsterdamse Moderne Kunstkring. Daar zag hij het werk van de peetvader van het kubisme, Cézanne, en de kroonprinsen, Picasso en Braque. Vervolgens was er een reis naar Parijs. Daar bezocht hij de Salon des indépendants. Ten slotte, in 1912, verliet Mondriaan Amsterdam én verloofde en vestigde zich voor onbepaalde tijd in datzelfde Parijs. Daar betrok hij een ateliercomplex met onder anderen Schelfhout en Diego Rivera en begon een uiterst productieve periode met als katalysator die meest invloedrijke stroming van de 20ste eeuw: het kubisme.


Die beïnvloeding, zo bevestigt deze tentoonstelling, verdient een kanttekening: een echte kubist is Mondriaan nooit geweest. Picasso's 'sculpturale veelheid', om een frase van de kunsthistoricus John Golding te gebruiken, de bekende methode waarbij een ding vanuit meerdere hoeken tegelijk wordt getoond, was aan hem niet besteed. En ook de recherche de matière (Apollinaire) waarbij verschillende texturen werden gecombineerd, liet hij links liggen. Mondriaan, zo lijkt het, wilde sowieso niets toevoegen. Hij wilde juist vereenvoudigen, verdichten, de grens tussen, excusez les mots, materie en anti materie opheffen. Zijn kubisme was een reductief kubisme. Een concentraat, geen melange.


In de tentoonstelling is het helaas niet te zien (in de vaste collectie wel), maar dat proces van verdichten begon voor Mondriaan waar Cézanne ophield. Bogen werden spaarzamer en verdwenen uiteindelijk helemaal. Lijnen werden frontaal op het beeldvlak geplaatst om de illusie van diepte te vermijden. De randen werden 'wolkig', en dat was belangrijk. Het maakte de voorstelling minder decoratief. En: geconcentreerder.


Wat dat opleverde, demonstreren de zestien Walrechtdoeken, een euforisch stemmend ensemble 3. Flinke composities, aangenaam gedempte tonen, een tentatief metselwerk van vlakken en voegen waarin je soms nog iets van een boom, gevel of stilleven kunt herkennen (conservator Hans Janssen maakt het aannemelijk dat het leeuwendeel van de composities is gebaseerd op vroege schetsen en schilderijen) en dat altijd zachtjes lijkt te pulseren en vibreren; waarlijk een genot voor je ogen. De schilderijen zijn vlak, complex, dwingend en onontkoombaar. Het is abstract, maar nooit decoratief 5. Het gaat 'buiten de natuurvormen om', maar de achterliggende orde blijft die van Cézanne en Corot.


Veel deden deze doeken toen niet. Eén werd verkocht aan Helene Kröller-Müller. Twee gingen naar H.P. Bremmer, de kunstpedagoog. Collega Assendelft nam er drie. Een recensent noteerde 'gekleurde lappen' terwijl de rest zweeg; invloed op tijdgenoten bleef nagenoeg uit. Die banjerden onbekommerd voort in de creaties van het vorige seizoen: kubisme à la de Groupe Montparnasse, hoekig expressionisme, Mallorca opgebouwd uit kleurige heuveltjes, bloemstuk en tafelkleed met een borduurpatroontje. Het was de Hollandse mentaliteit van hand op de knip en poten in de aarde. Wat Mondriaan uitspookte, daar konden ze geen chocola van maken.


Citaat uit een brief van Mondriaan aan H.P. Bremmer, 29 januari 1914


Hoe maakte Piet Mondriaan, de ernstige onderwijzerszoon uit Winterswijk, de sprong van rode molens en blauwe vrouwen naar abstract werk? Op zoek naar het antwoord in een tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum.


Invloeden van Picasso tot Léger


Kun je nu echt zíen dat Piet Mondriaan tijdens zijn eerste bezoek aan Parijs, tussen 1912 en 1914, is beïnvloed door het kubisme van Pablo Picasso, Georges Braque, Fernand Léger en Juan Gris?


Jazeker. Voordat Mondriaan naar Frankrijk vertrekt, schildert hij voornamelijk koeien in weidelandschappen, molens bij zonlicht en de kerktoren van Domburg. Aanvankelijk in een rijke variatie van natuurtinten. Soms wat uitgesprokener, zoals bij De rode molen uit 1911 1. In welke kleuren ook, het blijft altijd direct herkenbaar.


Vanaf het moment dat Mondriaan in Parijs arriveert, worden zijn kleuren somberder. Aardser. Grijs, oker, zwart, vaalwit. Duidelijk het kleurgebruik van Braque en Picasso, zoals in diens Harlekijn uit 1913 2. De kubisten experimenteerden daar toen mee, net als met de compositie van elementaire geometrische vormen.


Ook dat zie je gelijk terug in Mondriaans werk. De natuur wordt in een paar jaar tijd radicaal opzij gezet en vervangen door een raster van rechthoeken en vierkanten. Zo bestaat Composition No. XIV uit 1913 3 enkel nog uit een hekwerk van los op elkaar gestapelde ruiten.


Later blijkt dat ook de schilderijen van Fernand Léger, die Mondriaan in Parijs heeft gezien, hebben doorgewerkt. Légers gebruik van de primaire kleuren blauw en rood, zoals in zijn Contraste de formes 4, refereert duidelijk aan wat Mondriaan vijf jaar later op het doek tovert in Rastercompositie 9 5.


1


4


2


5


3

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden