Absolute beginner

Hij wil alles doen en kunnen. Leven van de wind, maar vooral van zijn kinderboeken. Winnaar van de Theo Thijssenprijs Sjoerd Kuyper is gewoon schrijver. Punt. Toch?

Er zijn er al zo veel die hebben vastgesteld dat Sjoerd Kuyper alleen maar over geluk schrijft. Maar om dat te kunnen voelen, moet je bij hem op bezoek. In Bergen, dat kunstenaarsdorp tegen Noord-Hollandse duinen, in een van die boslaantjes vol kleine villa's met rieten daken en van die tuinen, zo diep dat je erin verdwaalt. Waar het als de avond valt nog echt donker en stil wordt, op af en toe een kreet na, van iemand die zich ergens in de verte vermaakt.


Hier is het leven goed. De schrijver zit op zijn terras, met zijn rug tegen de bakstenen van zijn huis en rolt de ene sigaret na de andere uit een baaltje shag op tafel. Zijn velours colbertjasje wat stoffig van de as; zijn wilde witte haar, korter dan vroeger, alle kanten op.


In de tuin staan twee huisjes, in de ene schrijft hij, in de ander schildert zijn vrouw. Elke dag. Om drie uur wandelen ze naar een van de café's in het dorp voor een kop koffie en de krant (als er een morrende recensie is, spreekt het hele dorp er schande van) en dan snel weer terug om nog wat af te maken voor het eten.


Hier worden filmscripts geboren (zoals onlangs Mijn opa de bankrover), musicals ('In Turks fruit kon ik me eindelijk eens volwassen uitleven'), gedichten, eindeloos veel rumoerige brieven aan zijn schrijversvrienden (bij voorkeur gewoon ouderwets met de post) en o ja, kinderboeken. Die ook natuurlijk. Want Kuyper doet bij voorkeur álles.


'Ik ben nu mijn eerste libretto aan het schrijven en dat doe ik met een bijna sardonisch plezier, want dat heb ik dan óók weer gedaan. Ik pak alles aan wat me leuk lijkt, en heb altijd van mijn pen kunnen leven. Dat is het mooiste wat er is.'


Nu ja, tot een paar jaar geleden dan, als hij op een dag wakker wordt, zijn rekeningen naloopt en ontdekt dat hij nog maar 10 procent verdient van wat hij tien jaar eerder kreeg. Ondanks succesvolle films en een plank vol Zilveren Griffels en één Gouden zijn nog maar vier van zijn boeken verkrijgbaar. 'Vier! Hoe kán dat nou?'


Opeens ziet hij in dat de boekenwereld niet meer is zoals hij hem veertig jaar eerder heeft aangetroffen. Hij pakt het aan zoals je dat deed in de jaren zeventig, schaaft anderhalve maand aan een opruiende editie van de anders zo deftige jaarlijkse Annie M.G. Schmidtlezing in Leiden en stelt daarin uitgeverijdirecteuren verantwoordelijk voor alles wat hem dwars zit: het totaal verstopt raken van de boekenmarkt, razendsnelle verramsjing, karakterloze pulpseries en wurgcontracten. Stapels steunbetuigingen krijgt hij van wanhopige collega's, maar de uitgevers kunnen er niet om lachen.


'Dáár zat ik', wijst hij naar het heuphoge muurtje tussen zijn terras en zijn tuin, 'toen mijn uitgever me belde. We kunnen natuurlijk zo niet verder samen. Gódverdómme. Zo'n man die, hoe goed het ook gaat, maar babbelt over markt zus en markt zo en als je even niet oplet je hele oeuvre naar De Slegte brengt. In plaats van ervoor te knokken. Ongelofelijk.'


Hij verwijt het ook zichzelf en zijn kinderboekencollega's. 'We hebben te lang op een tropisch eilandje geleefd, afgezonderd van alles en iedereen. Ik ben blij, dat ik dat nu van me af heb geschud. Ik heb er veel van geleerd. En als we er een miniem beetje beter van zijn geworden, dan was het niet voor niets.'


Al die opwinding is niet zo vreemd, voor iemand die tot deze eeuw begon eigenlijk alleen maar wil bewijzen dat hij kan leven van de wind. Als kind, opgroeiend in de dorpen waar zijn ouders lesgeven, altijd de boer op. Als puber, die niets hoeft, behalve eerlijk zijn, zijn middelbare school afmaken en een instrument leren bespelen. Als student filosofie, met de liefde van zijn leven al aan zijn zij. Hun jonge jaren zijn één lange droom: de wereld veranderen, louter door samen mooie dingen te maken


In Amsterdam begint hij gretig aan dichtbundels te werken, de studie steeds meer een dekmantel. Dichter Hans Verhagen (P.C. Hooftprijs in 2009) brengt zijn werk naar de Bezige Bij, waar in 1974 zijn officiële debuut verschijnt: Ik herinner mij Klaas Kristiaan.


Het is een tijd waarin alles kan en mag. Schrijvers, ook de beginnende, komen op radio en tv en reizen het hele land door om lezingen te geven. Kuyper krijgt zelfs een klein baantje bij de uitgeverij - het presenteren van de lezingen van mannen als Campert en Vinkenoog - om hem in het ziekenfonds te houden.


Voor zijn eerste Poetry International maakt hij een op Bob Dylan en Lou Reed geïnspireerd surrealistisch gedicht in vier delen Handboek voor overleden knaagdieren, dat zijn tweede bundel wordt. Bij zijn optreden speelt hij eerst een tape met een fragment uit Quadrophenia van The Who, daarna playbackt hij het van te voren ingesproken gedicht. Dat krijgt het publiek pas door als de stem van Margje het overneemt terwijl zijn lippen verder bewegen.


Staat hij daar, 23 jaar, met zijn jongenskop, zijn grote lijf en lange haar, een sigaret te roken. Sjoerd Kuyper ten voeten uit. Jolig: 'Verontwaardiging in de zaal. Ik dacht: staat iedereen daar weer braaf voor te lezen, ik breng wat vrolijkheid. Alleen de oude Cees Buddingh' kon er wel om lachen.'


Het contrast met zijn werk voor Ko de Boswachtershow kan nauwelijks groter zijn. Hij schrijft verhalen voor een boek bij het radioprogramma en wordt later gevraagd om scripts te schrijven voor de televisieversie. Zijn zoon en dochter kondigen zich aan en het moet maar eens afgelopen moet zijn met die deurwaarders en gasafsluiters.


'Ik keek daar als ouwe hippie eerst wel een beetje op neer. Veel te commercieel. Maar het betaalde behoorlijk. En het schrijven voor kinderen kreeg me te pakken. Het bracht helderheid in mijn stijl, een ontdekking waar ik ontzettend blij mee was. Ik ben er nooit meer mee gestopt. Ook mijn werk voor volwassenen is er door beïnvloed.'


Misschien wel doordat hij op zo veel plekken tegelijk actief is en niet zelden als onderdeel van een team, breekt Kuyper pas laat door bij het grote publiek. Een van zijn eerste kinderboeken, al in 1981 bij een kleine Haarlemse uitgever verschenen, wordt in 1992 verfilmd en is een groot succes: Het zakmes.


Kuyper is dan al 40 en bezig met de serie over zijn eigen jeugd in het dorp Berkhout, met als hoofdpersoon Robin, de vrolijke en licht filosofisch ingestelde kleuter die hem de jaren daarna twee Zilveren en één Gouden Griffel brengt. Ineens is hij een bekende kinderboekenschrijver. En hij geniet er met volle teugen van. Nog steeds. Of, laten we eerlijk zijn: nu ook weer. 'Eigenlijk ben ik gewoon een schrijver. Punt. Maar voor de rest van de wereld wil ik best een kinderboekenschrijver zijn.'


Wat is dat toch, die probeerdrang? 'Ach, ik maak mezelf graag wijs dat ik het liefst als een Oosterse dichter onder een boom aan een rivier zou zitten en een haiku over boomblaadjes schrijven. Maar ja, daar ben ik om de een of andere reden altijd met een andere dichter en dan zeg ik al snel: dit is mijn blaadje, dat is jouw blaadje, kijken welke het eerste onder de brug door is?


Die prijzen zijn natuurlijk helemaal niet belangrijk, maar ze zíjn er. Dan wil ik ze winnen ook! Ik ben ontzettend competitief, maar geen merk. Je kunt mij niet blind kopen. Mijn jeugdboeken verschillen onderling enorm. Dat vind ik leuk. Ik doe nu eenmaal heel graag dingen voor het eerst.'


Gelukkig heeft hij een uitgever gevonden die dat wél op prijs stelt, een van de weinige grote uitgeverijen die - net als de Bezige Bij toen hij debuteerde - onafhankelijk is. En hij voelt zich gelouterd. De ruzie met die uitgeverijdirecteuren ('Níet met al die fantastische redactrices!') hebben hem geholpen alle onzin van zich af te schudden.


En belangrijker dan alles: zijn oeuvre is weer veilig. En dat geeft nieuwe energie. Een jaar geleden is er ineens het overrompelende, energieke O rode papaver, boem pats knal, de nieuwste Robin, die eigenlijk gewoon Robin en de vallende ster zou gaan heten, maar hij vindt de papavers van zijn nieuwe illustratrice Marije Tolman zó mooi, dat hij roept: 'Dát moet het omslag worden, ik verander de titel wel even. O rode papavers, boem pats knal! Daar moesten we vreselijk om lachen. En dat is 'm geworden.'


In de kinderboekenweek maakt hij kans op een tweede Gouden Griffel en kunnen oude en nieuwe fans De grote Robin kopen, met daarin drie delen verzameld. Hij heeft de kloeke omnibus vlak voor het interview binnengekregen en is er zielsblij mee. 'Ja', verzucht hij, 'ik vind het wel weer goed zo. Ik hoop dat er nu weer een tijd van alleen maar schrijven komt. Veel, veel schrijven.'


Dus daar zit hij, tegen de bakstenen van zijn zelfverdiende huis, en kijkt door de rook van zijn laatste sigaret omhoog naar de sterren.


'Ik heb het naar mijn zin, Margje', zegt hij dromerig tegen zijn vrouw, die in het schemerige schuurtje de oogst van een dag schilderen heeft opgeruimd en hem nu passeert om voor het bezoek een hapje te gaan maken. Het is stil, op het boomgeruis na.


Dan staat hij ineens op en zegt: 'Ik kan ook nog Chet Baker opzetten, als je wilt. Als je het nóg niet begrijpt!'


CV Kuyper


1952Geboren te Amsterdam


1969 Gaat filosofie studeren in Amsterdam


1974 Ik herinner mij Klaas Kristiaan (gedichten)


1975 Handboek voor overleden knaagdieren (gedichten)


1975 Werkt mee aan Het boek van Ko de Boswachter


1981 Het zakmes


1992 Verfilming van Het zakmes (Gouden Kalf, Emmy)


1993 Robin en Suze (Zilveren Griffel)


1996 Robin en God (Gouden Griffel)


2000Kinderboekenweekgeschenk Eiber


2005 Turks fruit (Musical Award liedteksten)


2006 Robin is verliefd (Zilveren Griffel)


2011 O rode papaver, boem pats knal! (Zilveren Griffel, kan nog Goud worden)


2012 Theo Thijssenprijs voor zijn hele oeuvre


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden