ABP kreunt onder last van verleden

Vandaag maken de meeste pensioenfondsen nieuwe dekkingsgraden bekend. Die zijn ongetwijfeld zeer slecht. Werkenden en gepensioneerden krijgen nu deels de rekening gepresenteerd voor politiek opportunisme in de jaren tachtig.

Nu de pensioenfondsen zwaar in de problemen zitten, zoekt iedereen naar een zondebok. De fondsbesturen menen die te hebben gevonden in de 'onrealistisch' lage rekenrente waarmee ze hun verplichtingen moeten berekenen. De politiek wijt de malheur aan de snel gestegen levensverwachting en aan amateurisme bij pensioenfondsbesturen. Anderen klagen over 'grepen in de kas' die bedrijven en overheid in de jaren tachtig en negentig bij pensioenfondsen pleegden. Het bekendste slachtoffer is het ABP, het grootste pensioenfonds van Nederland.


Nu ook het ABP, het pensioenfonds van ambtenaren en onderwijzers, mogelijk moet korten op de pensioenen, worden oude wonden opengereten. De overheid heeft de ABP-kas 'leeggeroofd' en 'geplunderd', is de teneur van de vele klachten die de Volkskrant hierover bereiken. De Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen (NBP) wil namens gedupeerde ABP'ers een collectieve rechtszaak beginnen om de 'geroofde' pensioenrechten bij de overheid op te eisen. Aanklacht: achtereenvolgende kabinetten hebben in de jaren tachtig en negentig uit de ruif van het ABP gesnoept om hun begrotingstekorten te dekken.


Deze aantijging is niet nieuw, maar werd lang met de mantel der liefde bedekt. In de jaren negentig waanden de pensioenfondsen, ook het ABP, zich namelijk schathemeltjerijk. De miljarden guldens die het ABP was misgelopen, waren daardoor min of meer irrelevant. Maar met de kennis van nu, en met een pensioenkorting in het zicht, wordt daar heel anders tegen aangekeken.


Terug naar de jaren tachtig. Het kabinet-Lubbers I treedt eind 1982 aan midden in een zware recessie. Het kabinet moet flink bezuinigen. Een kandidaat-bezuinigingspost is het pensioenfonds ABP. De overheid moet als werkgever miljarden guldens per jaar reserveren voor pensioenopbouw.


Bijzonder

Het ABP heeft, vergeleken met bedrijfstak- en bedrijfspensioenfondsen, een bijzondere positie. Het staat dan nog niet op eigen benen, maar valt als rijksdienst rechtstreeks onder het kabinet. Bij andere, geprivatiseerde pensioenfondsen bepalen vakbonden en werkgevers het beleggings- en premiebeleid. Bij het ABP worden de pensioenpremie en de voorwaarden van de pensioenvoorziening door de Tweede Kamer bij wet vastgesteld. De overheid, als werkgever tevens belanghebbende, dicteert de pensioenregeling dus aan zijn werknemers, zonder dat die inspraak hebben. Het ABP heeft wel een bestuur, maar dat heeft weinig in de melk te brokkelen.


Tot de jaren tachtig ervaren ABP-deelnemers hun relatief machteloze positie niet als een groot nadeel. De uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid en de ambtenaren-vut-regelingen zijn rianter dan die van werknemers in het bedrijfsleven. Het ABP heeft als enig pensioenfonds een onvoorwaardelijke indexatieplicht. Ambtenaren krijgen dus een keiharde garantie op een welvaartsvast, inflatiebestendig pensioen.


Maar dan gaat de nieuwe regering in 1982 dus bezuinigen. Het kabinet stelt voor de werkgeversafdrachten aan het ABP te verlagen. De Tweede Kamer stemt daarmee in omdat het ABP op dat moment meer dan genoeg geld in kas heeft. Bovendien bezuinigt de Kamer liever op het ABP dan op zaken die kiezers direct raken zoals WW-uitkeringen.


De ABP-wet verplicht de overheid 21 procent pensioenpremie per jaar in de pensioenpot te stoppen. Vanaf 1982 tot en met 1988 verlaagt de Tweede Kamer via tijdelijke 'Uitnamewetten' acht jaar op rij de rijksbijdrage aan het ABP van 21 procent naar 8,3 procent. De pensioenen blijven op hetzelfde niveau, evenals de vut-uitkeringen, waardoor de dekkingsgraad van het ABP langzamerhand verslechtert.


Het opportunisme van het kabinet en de Tweede Kamer lokt van begin af aan protesten uit van de ambtenarenvakbonden. Ook de Raad van State maakt meermalen bezwaar. FNV-bestuurder Peter Gortzak was destijds nauw bij de discussie betrokken. 'Die Uitnamewetten vonden we gewoon diefstal. Ik moest uitzoeken of we die juridisch konden aanvechten. Maar alle juristen die ik raadpleegde, zeiden: vergeet het maar, het is nu eenmaal wetgeving. De Tweede Kamer heeft het goedgekeurd. Daarom drongen we aan op privatisering van het ABP, want dan konden ambtenaren tenminste zelf over hun pensioen beslissen.'


In 1988 dringt het ook bij het kabinet door dat de verplichtingen van het ABP uit de pas lopen met de premieheffing en dat het fonds een groot financieringstekort heeft opgebouwd. De overheid voelt er weinig voor miljarden bij te storten, dus gaat zij akkoord met verzelfstandiging onder voorwaarde dat de vakbonden die eis laten vallen. De frustratie bij de bonden is inmiddels zo hoog opgelopen, dat zij dit accepteren in ruil voor de begeerde zeggenschap bij het ABP. Ook de zekerheid van de onvoorwaardelijke indexatie vervalt met de privatisering.


Verzelfstandigd

In 1996 wordt het ABP eindelijk verzelfstandigd. Het tekort bij het fonds bedraagt dan bijna 33 miljard gulden. Overheid en ambtenaren moeten eigenlijk fors meer premie gaan betalen om die achterstand in te lopen. Het probleem wordt echter op de lange baan geschoven. De premie gaat maar mondjesmaat omhoog. Tot ver in de jaren negentig betalen overheid en ambtenaren geen kostendekkende pensioenpremie.


In dat laatste is het ABP overigens niet uniek. De beleggingswinsten op de beurzen compenseren bij de meeste fondsen de veel te lage pensioenpremies. Tal van bedrijven, waaronder Unilever, Shell en KLM, romen de vermogenswinsten van hun pensioenfondsen af om daarmee hun kwartaalcijfers op te poetsen. De vakbonden knijpen een oogje toe in ruil voor extra loonsverhogingen.


Ook dit, achteraf gezien, volstrekt onverantwoordelijke gedrag van de pensioenfondsen is het gevolg van overheidsbeleid. In 1989 dient minister Ruding van Financiën een wetsvoorstel in: de Wet Brede Herwaardering. Het is de CDA-minister een doorn in het oog dat nogal wat bedrijven hun pensioenfonds misbruiken om vennootschapsbelasting te ontlopen. Door de kassen van hun pensioenfondsen te spekken, drukken bedrijven hun boekhoudkundige winst en dus hun belastingaanslag. Ruding wil daarom de vermogens van pensioenfondsen met een dekkingsgraad van 120 procent of hoger afromen ten behoeve van de schatkist. In die tijd vond men zo'n hoge dekkingsgraad nog excessief; 104 procent werd als meer dan voldoende beschouwd.


De Wet Brede Herwaardering is nooit ingevoerd, maar bleef tot 2006 boven de markt hangen. Toen was de schade al aangericht. In het vooruitzicht dat ze een 'teveel' aan vermogen toch maar aan de schatkist moesten afstaan, probeerden pensioenfondsen krampachtig onder de 120-procentsdrempel te blijven. Steeg de dekkingsgraad tot grotere hoogte, dan spraken werkgevers en bonden af de premies te verlagen in ruil voor extra loon. De superrendementen van de gloriejaren op de beurs zijn dus niet gebruikt om extra pensioenreserve op te bouwen. Ze zijn als premieverlagingen destijds direct uitgedeeld aan werkenden en werkgevers.


In dit licht bekeken zijn de klachten van de ABP'ers misschien onterecht. Want als de overheid in de jaren tachtig de pensioenpremies niet had verlaagd, had het ABP-bestuur dat tien jaar later waarschijnlijk alsnog zelf gedaan. Net als besturen van andere 'buitensporig rijke' fondsen toen deden.


Het resultaat zou hetzelfde zijn geweest: de huidige en toekomstige generaties werkenden en gepensioneerden draaien op voor het potverteren van hun voorgangers.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden