Abe Lenstra, de hardrijder

Zijn faam als voetballer hield Abe Lenstra niet van het ijs. Op de kortebaan reed de Heerenveenvedette om hoge geldprijzen, lang voordat een club hem betaalde....

Toen de winter van 1942 inviel, stond Abe Lenstra op het punt ongekende successen te behalen met zijn club Heerenveen. De eerste noordelijke kampioenstitel lag binnen handbereik na winst op Sneek. Lenstra (22) had zoals gewoonlijk gescoord, drie maal.

Een paar dagen na de zege stapte de begaafde linksbinnen op het ijs, in zwarte, nauw gesloten kleding. Onder zijn hoge schoenen bond hij Friese ijzers van Batavus (no. 36). Voetbal deed er niet meer toe. De voortekenen wezen op langdurige kou, zoals in de twee voorgaande jaren, toen hij zich op schaatswedstrijden 'om prijs en premie' had gestort.

Zijn faam als voetballer strekte uit tot op het ijs - kort voor de oorlog was Lenstra als eerste Fries doorgedrongen tot het Nederlands elftal. Maar ook als hardrijder had hij furore gemaakt. Op de kortebaan zocht hij de competitie met vedetten, in wedstrijden waar geldprijzen ter hoogte van week-, soms zelfs maandsalarissen, werden vergeven. De Duitse bezetting vormde geen beletsel.

Zijn naaste omgeving stond versteld van zijn ambitie, die in 1939 plots aan het licht was gekomen.

Vader Lenstra verkeerde in de veronderstelling dat zijn zoon 'wel kon lopen op de schaats, maar niet kon rijden', zo vertelde hij de Volkskrant in 1949. Hil Lenstra (79), de weduwe van Abe, herinnert zich de sombere voorspelling van vader Lenstra, toen zijn jongen zich inschreef voor een rijderij in Wolvega. 'Hij zei: dat wordt toch niks.'

De linksbinnen ging met 39 jongemannen de strijd aan om de hoofdprijs van 15 gulden. Steeds werden twee rijders aan elkaar gekoppeld voor twee ritten over 160 meter; van het dorp af en naar het dorp toe. Wonnen beide schaatsers eenmaal, dan volgde een beslissingsrit. De beste ging door naar de volgende omloop.

Na zes enerverende ronden was de winnaar bekend. 'Toen Abe des avonds thuiskwam, had hij in zoo'n wollen paascheizakje zes gloednieuwe rijksdaalders', schreef Het Nieuws van de Dag later. Hil Lenstra, toen net Abe's vriendinnetje, kreeg een cadeau. 'Hij kocht voor mij, ik zal het nooit vergeten, een heel mooi poederdoosje. Het was in mijn ogen een juweel. Ik zie het nog voor me.'

Zelfs Feike Nauta (84) was verbaasd. De jeugdvriend van Abe laat vanuit Wellington, Nieuw-Zeeland, waar hij sinds 1950 woont, weten dat hij wellicht als eerste doorhad dat het voetbalgenie op ijzers mogelijkheden had. Abe had hem als tiener leren biljarten, hij gaf hem schaatstips. 'Hij kon al behoorlijk rijden, maar hij klauwde zo. Hij stapte eigenlijk over het ijs. Ik heb hem bijgebracht langere streken te maken, echte slagen.'

Ondanks de lessen deed de voetballer zijn reputatie als stilist op het ijs geen eer aan. Met de bal kon hij toveren. Volgens de overlevering bracht hij toeschouwers met zijn voeten in vervoering. Hij inspireerde dichters. Bij zijn dood, in 1985, ving Nico Scheepmaker de immense bewondering voor Lenstra in dit korte gedicht: In naam van de vader/ van de zoon/ van de heilige geest/ Abe.

Op het ijs bleef dergelijke lof uit. Zijn weduwe zegt onomwonden dat hij 'niet mooi, wel snel' kon schaatsen. En ook Lenstra wist dat zijn stijl te wensen over liet. 'Het gaat om het hardst', vertelde hij eens. 'Ik schaatste op mijn natuurlijke sprintvermogen, mijn getrainde lichaam, mijn vermogen om snel te bewegen.'

Landelijke dagbladen schreven niettemin enthousiast over het schaatstalent van de 'internationaal voetballer', die meestal werd neergezet als een zeldzaam begaafd atleet. Hij liep, volgens zijn vader, de 100 meter in 10.9; aan het biljart zou hij zijn hand niet omdraaien voor 100 caramboles; vissen en dammen kon hij als de beste.

De Friese kranten waren strenger. Zijn progressie werd nauwlettend in het oog gehouden.

'Hij komt niet direct op snelheid', schreef een krant nadat Lenstra in 1941 de eerste prijs van 80 gulden won in Heerenveen. 'Wel start hij goed, maar 't is net of hij in den aanvang geen spirit heeft. Maar zijn eindspurt is enorm snel. Wel heel snel heeft de jonge Heerenveen-ster zich een goede streek aangemeten, want drie weken geleden was het de volle 160 m. nog klauwen.'

Een ander dagblad concludeerde aan het eind van de winter van 1941: 'Wat goed is komt snel naar voren. Abe Lenstra vormt hiervan het beste bewijs.' De amateur-voetballer, zoals hij vaak werd genoemd, streek die winter de aanzienlijke som van 413 gulden op. Slechts vijf Friese rijders verdienden meer.

(Lenstra ontving zijn eerste salaris als voetballer pas dertien jaar later. Sportclub Enschede betaalde in 1954, toen profvoetbal werd ingevoerd, voor een zege 35 gulden, voor een gelijkspel 25 gulden en voor een nederlaag 5 gulden. Lucratieve buitenlandse aanbiedingen legde de Fries altijd naast zich neer.)

In de winter van 1942 zette Lenstra, die als ambtenaar bij de gemeente Heerenveen werkte, zijn opmars voort. Een week na zijn drie doelpunten tegen Sneek begon hij aan een veelbelovende reeks: derde in Terhorne (10 gulden), derde in Nijehorne (10 gulden) en eerste in Dokkum (50 gulden). Waar Lenstra zijn weelderige kuif ook liet zien; er werd rekening met hem gehouden.

Bij het Friese kampioenschap in Heerenveen, op het toenmalige Thialf, overleefde Lenstra de eerste twee ronden gemakkelijk. In de halve eindstrijd moest hij het opnemen tegen de uitgesproken favoriet Doekele Hielkema. Lenstra liet zich niet kennen. Met miniem verschil won hij. Hij maakte voor het eerst kans op de prestigieuze Friese titel.

Lang koesteren kon hij het moment niet. Abe had geen schijn van kans tegen Berend Hof, die een dag later ook Nederlands kampioen werd. Volgens het Nieuwsblad van Friesland was Hof na 40 meter al heer en meester, 'al moest hij beide keeren zich tegen de eindspurt van Abe nog even verzetten'. De tijden na twee ritten: 32.2 om 33.45.

Bij het Overijsselse kampioenschap, een week later, kreeg Lenstra een kans op revanche. Het publiek stond in dichte rijen langs de touwen om niets te missen van de strijd tegen Hof. Nu zorgde Lenstra wel voor een sensatie. Hij versloeg de Nederlands kampioen in twee ritten, zonder tijdwaarneming. Het was zijn eerste en, zo bleek veel later, enige grote titel als hardrijder.

Met de zege verdiende Lenstra de hoofdprijs van 120 gulden, een fiks deel van de 625 gulden aan premies waarmee hij die winter afsloot. In het Friese klassement van verdiensten bekleedde hij in 1942 de vierde plek.

Was Lenstra, net als in het voetbal, doorgedrongen tot de top? Het ligt ingewikkelder.

Volgens offici uitslagen is de Heerenveen-ster erkende cracks als Berend Hof, Doekele Hielkema en Kees van Eikeren te snel afgeweest. Maar er zijn aanwijzingen dat Abe zich inliet met een verfoeid doch hardnekkig gebruik dat 'delen' werd genoemd.

Schaatshistoricus Hedman Bijlsma heeft ontdekt dat Lenstra in 1941 betrokken was bij een controverse in Appelscha. De ijsclub weigerde prijzen uit te keren, omdat de zege zou zijn verkocht. Hielkema gunde Abe de eer, in ruil voor een fiks aandeel van diens prijzengeld. Schuld bekenden ze niet, maar beiden zagen af van de premie toen werd gedreigd met een langdurige schorsing.

De krantenknipsels die Hielkema heeft nagelaten aan het Schaatsmuseum in Hindeloopen doen vermoeden dat de ijsclub niet ver bezijden de waarheid zat. In de kantlijn van diverse wedstrijdverslagen noteerde de schaatser wat hij betaald kreeg om te verliezen.

Uit die boekhouding valt bijvoorbeeld op te maken dat Berend Hof voor zijn Nederlandse titel 500 gulden overhad - het viervoudige van de offici hoofdprijs. Hof kon zijn reputatie als snelste man vervolgens te gelde maken door de zege te verkopen aan rijders voor wie prestige zwaarder woog dan geld.

Hoewel Hielkema's notities geen leesbare aanwijzingen bevatten over Lenstra's zeges, wijzen anekdotes van vrienden en tegenstanders op handel. Sommigen spreken met schroom, alsof ze een mythe met modder besmeuren.

Vanuit Nieuw-Zeeland laat Feike Nauta weten dat hij voor de oorlog, in De Knipe, tegen Lenstra in een finale om 25 gulden stond. 'Hij vroeg of ik wilde delen. Hij wilde als winnaar in de krant. Toen hebben we gedeeld.'

G

erben 'Germ' Hofma (78) herinnert zich eveneens een ijstransactie, uit 1950. Hij kende Lenstra goed, want hij had sinds de oorlog als linksbuiten naast de Heerenveen-ster gespeeld. Net als Lenstra was hij een bedreven schaatser.

Bij een wedstrijd in Sneek moest hij in de tweede ronde aantreden tegen zijn ploeggenoot. Vader Lenstra kwam naar hem toe. 'Hij zei: Abe moet winnen. Ik zei: Niets ervan, de beste wint. De oude Lenstra ging weg, maar kwam even later weer terug. Toen zei hij: Dan delen we.'

Het voorstel stond de linksbuiten niet aan. Hij had nu eenmaal zijn zinnen op de hoofdprijs gezet. Pas toen zijn vader hem de mogelijke consequenties voorhield, koos hij voor het geld. 'Mijn vader zei: Je speelt elke week naast Abe. Straks krijg je geen bal meer.'

De Friese pers besteedde slechts in verholen zinnetjes aandacht aan 'delen', dat nauwelijks te bewijzen was als twee geoefende rijders zaken deden. Lezers mochten hun eigen conclusie trekken na een mededeling als: 'over de finale zullen we maar zwijgen'. Tot landelijke kranten drongen de controverses amper door, maar de voetballer werd als vanzelfsprekend in bescherming genomen.

Gekochte zeges? 'Wie Abe Lenstra kent, den eenvoudigen jongen die wars is van elk grootdoenerij, weet vooruit dat dit niet het geval geweest kan zijn', schreef Het Nieuws van de Dag in 1941. 'Men miskende weer eens Abe's veelzijdige capaciteiten en zijn sporteer', meldde de Volkskrant in 1949.

Ook Hil Lenstra verdedigt Abe, met wie ze trouwde in 1944. De sterke rijders spraken onderling wel af aan welke wedstrijden ze zouden deelnemen. Als er op een dag meerdere grote prijzen te verdelen waren, meden ze elkaar. Maar de zege verhandelen kwam niet bij ze op, meent ze. 'Doekele Hielkema zou Abe nooit laten winnen. En Abe hem ook niet.'

Of Abe zijn enige titel eerlijk verkreeg, dan wel met behulp van een diepgewortelde Friese traditie, zal wel nooit met zekerheid komen vast te staan. Ook bij zijn hoge verdiensten zijn vraagtekens te plaatsen. De cijfers van zijn schaatsloopbaan zullen nooit voor zichzelf spreken, zoals die van zijn voetbalcarri.

Na de strenge winter van 1942 leidde Lenstra Heerenveen naar negen opeenvolgende noordelijke kampioenstitels. Hij kwam, verspreid over 19 jaar, 47 maal uit voor het Nederlands elftal. Als international scoorde hij, net als Johan Cruijf, 33 goals.

Op de korte baan streed Lenstra 'om prijs en premie' tot hij betaald voetbal ging spelen in Enschede, in 1954. Alleen in de korte winter van 1943 reed hij niet. De Duitse bezetter dreigde schaatsers vanwege hun verdiensten uit te sluiten van amateursporten, zoals voetbal. Abe koos veiligheidshalve voor Heerenveen.

Zijn prestaties uit 1942 zou Lenstra nooit meer evenaren. Na de oorlog werd de concurrentie heviger, toen de Hollanders naar Friesland kwamen. Maar een geducht tegenstander bleef hij.

Nan Rotgans (79), 'Hollander' en in 1950 Nederlands kampioen: 'Als je de beste Friezen van nummer tot acht opnoemt, was Abe zevende of achtste.'

Gerben Hofma: 'Abe was beroemd. Van het gemeentehuis kon hij altijd vrij krijgen om te rijden. Hij was een goeie schaatser. En een geweldige voetballer.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden