Abdul Sattar Edhi, Vader Teresa van Pakistan

Pakistans hoop in bange dagen. Abdul Sattar Edhi heeft zijn leven gewijd aan de zorg voor zieken, wezen en verdrukten....

In het land waar verkeersagenten erom bekendstaan smeergeld te vragen aan passerende auto’s, gebeurt iets wonderlijks als Edhi voorbijkomt: de agenten salueren voor de oude Pakistaanse man en stoppen alle voertuigen, zodat hij snel het kruispunt kan oversteken.

Edhi is geen dikbetaalde politicus, integendeel. Edhi is een hulpverlener, een humanist pur sang, en misschien wel het grootste sprankje hoop dat het verder zo corrupte en door terrorisme verscheurde Pakistan heeft. Als Edhi door de armoedige straten van Karachi loopt, buigen voorbijgangers voor hem, een oud vrouwtje valt op haar knieën en dankt hem met betraande ogen.

Abdul Sattar Edhi (82) begon als twintiger met hulp van buurtgenoten de eerste gratis medische kliniek in de stad Karachi. Kort daarna kocht hij een gedeukte personenauto en maakte er Pakistans eerste privéambulance van. Hij vervoerde zieken gratis naar zijn kliniek en verzamelde lijken uit goten van sloppenwijken en gaf ze een menswaardige begrafenis.

‘Het voelde als mijn plicht als mens’, zegt hij in zijn stoffige kantoor in een onooglijke wijk in Karachi, terugkijkend op zijn leven. ‘Het was duidelijk dat de overheid niets voor deze mensen ging doen.’

Decennia later is er weinig veranderd. Edhi wast ook vandaag weer met zijn blote handen het opgedroogde bloed van de lichamen van vermoorde of gestorven Pakistanen. Hij draagt, zoals altijd, tweedehands kleding uit een donatiebak. Terwijl de Pakistaanse overheid ruim een kwart van haar budget reserveert voor defensie-uitgaven, gaat er minder dan 1 procent naar gezondheidszorg. Edhi is dus hard nodig.

De vloot van Edhi is inmiddels uitgegroeid van één gedeukt autootje tot 1.250 ambulances. Wie een sirene hoort in Karachi of welk Pakistaans dorp dan ook, ziet even later vrijwel zeker een klein wit Suzuki-busje voorbij scheuren met daarop in rode letters Edhi’s naam. Edhi zelf reist altijd per ambulance, ook als hij voor een boodschap de deur uitgaat. ‘Dat is voor het geval dat we een gewonde tegenkomen die hulp nodig heeft.’

Lichaamsdelen van Daniel Pearl
In de andere ambulances van Edhi’s vloot zitten veelal ‘vrijwilligers’, mensen die voor een habbekrats een tijdje meewerken. Ze arriveren vaak als eerste op de plek van een ongeluk en ruimen lijken en gewonden bijeen na de zoveelste zelfmoordaanslag.

Toen de vermoorde journalist Daniel Pearl van The Wall Street Journal in mei 2002 door de politie werd gevonden in Karachi, was het Edhi zelf die zijn lichaamsdelen, alle tien uiteengehakte stukken, verzamelde en naar het mortuarium bracht voor zijn familie. ‘Ze moesten hem identificeren aan de hand van zijn haar’, zegt Edhi, terugdenkend aan die dag.

Edhi’s welzijnsimperium telt inmiddels naast vele klinieken en ambulances ook veertien weeshuizen. Bij de ingang van weeshuis Bilquis (genoemd naar Edhi’s echtgenote) in een armoedige zijstraat van een van Karachi’s sloppenwijken staat een wiegje met daarboven de woorden: ‘Dood uw baby niet.’ Maar ook wie niet kan lezen, ziet zo wat de bedoeling is: in de stalen kribbe ligt een zacht matrasje, met een knuffeltje erbij. Zo’n babykribbe staat bij elk weeshuis, elk kantoor en elke kliniek van Edhi. Moeders kunnen er zonder vragen hun ongewenste kinderen achterlaten.

Zo’n honderd baby’s per maand ontvangt Edhi in zijn kribbes door heel Pakistan, maar ‘slechts de helft leeft dan nog’, zegt de weldoener. ‘De andere vijftig baby’s hebben doorgesneden keeltjes, zijn verbrand of half opgegeten door honden en katten.’ Edhi kan alleen gissen naar de motieven, zegt hij, maar ‘ik gok dat het om baby’s gaat die zijn geboren uit ongetrouwde meisjes’ (een grote schande in Pakistan), waarna de kersverse moeder of dorpsgenoten zich gedwongen voelen om de baby te vermoorden om haar zonden te verbergen. Edhi: ‘De moeders geven de dode baby’s aan ons, zodat wij ze kunnen begraven.’

Zojuist is er een levend jongensbaby’tje binnengebracht in weeshuis Bilquis. Edhi houdt hem in zijn armen en geeft hem een naam: Iqbal. Het kindje werd gevonden tussen het vuilnis in Islamabad, zegt een medewerker. Edhi is positief over zijn toekomst. Voor Iqbal is binnen een week al een adoptiegezin gevonden, een rijk Pakistaanse familie die inmiddels in Canada woont.

Vondelingen voor wie geen adoptieouders worden gevonden, groeien op in een van Edhi’s weeshuizen, waar ze les krijgen in de aangebouwde schooltjes. In weeshuis Bilquis lopen ongeveer veertig blije jongetjes rond in beige pyjama’s. Op hun buikje staan de cijfers 115, het nationale alarmnummer waarmee Pakistanen Edhi’s ambulances kunnen bellen, en op de rug van hun pyjamapak staat ‘Edhi’. De kinderen lijken in al diezelfde pakjes net kloontjes van elkaar. Als Edhi voorbij komt lopen, roepen ze in koor ‘papa!’.

Huwelijkspartner
Als de kinderen 18 jaar of ouder zijn, wordt door Bilquis, al 45 jaar Edhi’s vrouw, zorgvuldig een huwelijkspartner uitgezocht. Bilquis laat trots een fotoboek zien met trouwfoto’s. Ze is de tel kwijtgeraakt hoeveel kinderen ze heeft grootgebracht en uitgehuwelijkt, maar het zullen er honderden zijn. Een huwelijksreis voor het pasgetrouwde stel zit er niet in, daar is geen geld voor, maar ‘een ijsje’ kan er meestal wel vanaf. ‘Ach’, zeg Bilquis, ‘wat heb je eigenlijk nodig om gelukkig te zijn?’ Ze lacht haar bruine tanden bloot.

Edhi is door het leed dat hij heeft gezien meerdere malen bijna van zijn geloof gevallen. Hij slikt antidepressiva. Hij ‘twijfelt’ over het bestaan van God, zegt hij in zijn kantoor. Hij beseft dat zijn uitspraak levensgevaarlijk kan zijn in een streng islamitisch land als Pakistan. Moslims die hun geloof de rug toekeren, verdienen volgens de shariawet de doodstraf, weet hij ook. ‘Maar als God bestaat, waarom zou hij deze ellende dan allemaal toestaan?’ Later corrigeert hij zichzelf. ‘Ja, ik ben moslim, maar mijn ware geloof is mensenrechten.’

In Pakistan is dit een eenzame positie. Natuurlijk zijn er duizenden toegewijde hulpverleners die net als Edhi hun land vooruit willen helpen, maar hun klantenkring is in veel gevallen beperkt. Ngo’s die hulp geven aan niet-moslims worden in Pakistan niet zelden bedreigd door een groeiende groep islamitische extremisten.

Edhi ontvangt diverse doodsbedreigingen per week (al vermijdt hij dit onderwerp het liefst), variërend van niet serieus te nemen telefoontjes tot ernstige waarschuwingen. Eenmaal moest hij midden in de nacht vluchten voor zijn leven naar Groot-Brittannië.

Religieuze militanten vallen zijn kantoren lastig, blijkt uit meerdere publicaties. Volgens Edhi gebeurt dit omdat hij ook niet-moslims helpt en omdat de militanten in hem concurrentie zien voor fondsenwerving onder de bevolking. Drie jaar terug berichtte het tijdschrift National Geographic over een nieuw ziekenhuis van Edhi, kosten 3 miljoen dollar, dat was ingenomen door studenten van een koranschool in Karachi. De politie weigerde in te gaan op Edhi’s klacht, vanwege intimidatie door mullahs (islamitische priesters). Zijn ziekenhuis veranderde in een slaapzaal voor koranstudenten, waar de was van de scholieren – zwarte tulbanden – wappert voor de ramen, als vlaggen boven een veroverd schip.

Religieuze militanten bedreigen ook het weeshuis van Edhi’s vrouw, vertelt ze, vooral omdat ze bemiddelt in adoptie voor vondelingen. ‘Ze zeggen dat ik kinderen weggeef aan niet-moslims en dat dat slecht is. Ik laat ze dan meestal een foto zien van een verbrand kinderlijkje dat we hebben gevonden, hup zo onder hun neus: ‘Is dit dan islam? Mag dit dan wel?’, roep ik ze toe. Dan zijn ze meestal stil.’

De opvolging
Het oude echtpaar vreest de dag dat ze zullen sterven. Niet om wat henzelf te wachten staat. Ze tobben vooral over wat er zal gebeuren met hun ziekenhuizen, ambulances en weeshuizen. ‘Als iemand van de regering het overneemt, is het wachten op corruptie en het instorten van de hele boel.’ Ze hopen dat een van hun ‘kinderen’ – biologische of wezen – de erfenis ‘met een goed hart’ zal voortzetten.

Bij vertrek van de verslaggever uit het weeshuis gaat de oude Edhi achter een bureautje bij de ingang zitten. Het meubelstuk valt van ellende bijna uit elkaar. Maar Edhi kijkt tevreden. Hij zwaait naar het bezoek en zegt: ‘Voorlopig blijf ik hier nog wel even zitten.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden