Aasgieren in de paardenstal

Zeventig dichters en beeldend kunstenaars zijn neergestreken in het Vlaamse dorp Watou en hebben in schuren en sloopwoningen, en in het huis van de weduwe hun combinaties gelegd van beeld en poëzie....

Bakken met regen en een dorp dat bijna wegspoelt van de Vlaamse aarde. Je rent over een grasveld om te schuilen in een tuinhuisje en opeens klinkt daar een stem: 'En er ontstond een grote droogte./ De dichters kwamen aan. Als koningsgieren/ streken zij neer over Watou,/ zijn veestapel en zijn gewassen.'

Het is de stem van dichter Luuk Gruwez die vanuit een onzichtbare luidspreker profetisch en humoristisch orakelt over de invasie van 35 dichters en evenzoveel kunstenaars die jaarlijks het West-Vlaamse dorp Watou treft: 'Dat zij met velen kwamen, met zeer velen,/ precies alsof zij Duitsers waren,/ en dat zij heel dit dorp betaalden als een hoer:/ met schweinereien en met vunzigheden/ die enkel af en toe op dichtkunst leken.'

Ruim twee maanden duurt deze 21ste 'poëziezomer' die op een achttal locaties in en om het dorp Watou de relatie tussen woord en beeld wil laten zien. In schuren en sloopwoningen, op het kerkhof en in de vijvers, in de parochiezaal en op het 'grensland'. Waar je ook kijkt, overal zie je kunstwerken en dichtregels. En anders dan op de meeste festivals zijn hier geen galeries en uitgevers aanwezig. In het idealistische Watou gaat het om de kunst en niet om de handel.

Buiten de zomer is Watou niet veel meer dan een doorsnee asfaltdorp met een lelijk marktplein, veel te koop staande huizen en een inwonersaantal dat de afgelopen decennia van 2000 naar 1200 is gedaald. Een 'non-lieu' volgens de Italiaanse curator Pier Luigi Tazzi, die dit jaar samen met Ann Demeester van het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst te Gent verantwoordelijk is voor de keuze van de beeldend kunstenaars. Een plaats die meer afwezig dan aanwezig is, een lege plek zogezegd.

Gwy Mandelinck, organisator en drijvende kracht vanaf de allereerste poëziezomer in 1980, leek het een interessante uitdaging om juist dit gegeven van de 'lege plek' tot thema te maken. Maar dan wel een 'lege plek om te blijven', want niet alleen moeten de herinneringen aan de poëziezomer de overige maanden draaglijk maken, ook de herinnering zelf is een lege plek, een ongrijpbaar restant van wat eens aanwezig was. En was het niet Rutger Kopland die in 1975 een bundel uitbracht met een zelfde titel en met daarin het vers: 'Ga nu maar liggen liefste in de tuin,/ de lege plekken in het hoge gras, ik heb/ altijd gewild dat ik dat was, een lege/ plek voor iemand, om te blijven.'

Kopland

Aan de rand van de parkeerplaats op het marktplein in Watou staat nu zo'n lege plek. Een reusachtige kamer van beton, ontworpen door architect Stéphane Beel, met een groot raam dat uitzicht biedt op de plaatselijke St. Bavokerk. Op een betonnen tafel staat een video die een close-up van Kopland laat zien terwijl hij urenlang en zonder te stoppen zijn vers voorleest, het slotwoord naadloos verbindend aan de beginregel.

De verstilling die dit jaar wordt nagestreefd staat in groot contrast met de meer theatrale installaties van kunstenaars als Jan Fabre en Rob Birza die vorig jaar te zien waren. Ook de koningsgieren van Gruwez zijn dit jaar niet echt aanwezig. Gekozen is voor de onnadrukkelijke stemmen van dichters als Marjoleine de Vos en K. Michel. Met als enige uitzondering die ene koningsgier die op geen enkel Vlaams festival mag ontbreken: Hugo Claus. In een enorme hooischuur is hij te bewonderen op een kingsize videoscherm, zijn geboorteland hartstochtelijk beschimpend van achter zijn zomerse schrijftafel in de Provence.

De meeste gedichten zijn met de hand op een muur geschilderd, sommige zijn op een metershoog paneel tegen een gevel geplaatst. Weer andere zijn alleen te horen. Is dit het geval, zoals bij Anton Korteweg, Stefan Hertmans en Rob Schouten, dan is hun beeltenis ook op video aanwezig. In een leegstaand appartement in Gent werden zij gefilmd terwijl ze luisterden naar hun eigen voordracht van hun eigen gedicht.

Zo is het prachtige liefdesgedicht Je t'embrasse van Stefan Hertmans te horen in een onlangs leeggekomen woning, bijgenaamd 'het huis van de weduwe'. De video met de naar zichzelf luisterende Hertmans staat vlak naast het kamertje waar deze eenmaal dement geworden weduwe de laatste negen jaar van haar leven doorbracht. Voor wie dit weet krijgt het gedicht opeens een heel andere lading: 'De tuin, het aanrecht en het landschap/ Dat je ongegeten over liet -// Waarom heb ik het tegen jou,/ Verdwijnend voor het venster?'

Keienvloer

Het is de verstilling ten top. Zo ook, maar dan wel op een meer komische wijze, de opname van Gerrit Komrij in het nabijgelegen Douviehuis. Met zijn bekende nasale stemgeluid leest hij zijn prachtige sonnet Contragewicht voor, terwijl de monitor met zijn zwijgende portret verzonken ligt in de onregelmatige keienvloer van een negentiende-eeuwse paardenstal: 'Ik heb om aan dit noodlot te ontkomen,/ Een derde land verzonnen in mijn hoofd./ Een land vertrouwd met leugens en fantomen.'

Videotechnieken zijn niet alleen gebruikt om de fysieke aanwezigheid van de dichters te vergroten, ook is er een groot aantal kunstzinnige video's te zien. Van abstracte lichtflitsen tot een ontroerend portret van een Albanese grootmoeder die haar laatste kaaskoek maakt. Van een eindeloos repeterende film over twee jongens die elkaar de bal toespelen tot een humorloze en nietszeggende video, Breaking up geheten, over een lege hotelkamer waarbij een voice-over vertelt hoe hij in deze kamer een laatste ontmoeting met zijn minnaar had.

Bij video's als deze, en ook bij die van de Argentijn Rirkrit Tiravanija en de Cubaan Raul Cordero (bij beiden kan je urenlang zien hoe een auto zich over een weg verplaatst), krijg je toch het idee dat de curator zich een loer heeft laten draaien door de leuke praatjes van de kunstenaar of door diens interessante biografie. Het argument dat het hier kunstwerken betreft die juist zo monotoon en verstild zijn opdat de kijker zelf zo veel mogelijk met zijn eigen fantasie kan invullen, is even weinig overtuigend als de video's zelf. Ze sluiten misschien aardig aan bij het thema van de 'lege plek', maar vergeten totaal dat het ging om een 'lege plek om te blijven', met de nadruk op blijven.

Een van de risico's die Watou sinds een paar jaar neemt is de botsing tussen het experiment in de beeldende kunst en het ambacht van de tijdloze poëzie. In de beeldende kunst doen zich nog altijd nieuwe, zij het vaak puur technische, ontwikkelingen voor, terwijl een dichter, hoe modern zijn taal ook is, afhankelijk blijft van pen en papier. Veel beeldende kunst wil ook actueel zijn, iets wat de meeste gedichten niet beogen. Hier komt nog bij dat vrijwel alle gedichten in Watou moeiteloos opgaan in de pittoreske omgeving van hooischuur en sloopwoning, terwijl de gepolijste techniek van een video- of dvd-installatie zich juist afzet op de nostalgie van een vervallen muur.

Wisselwerking

Een ander risico is dat de beeldend kunstenaars van over de hele wereld komen terwijl de poëzie, een enkele uitzondering daargelaten, afkomstig is van Nederlandstalige dichters. Slechts zeven kunstenaars komen uit Nederland of België, maar ook zij kregen niet vooraf te horen met wat voor gedicht hun werk in aanraking zou worden gebracht. De kunstenaars mochten een locatie uitkiezen, en nadat zij hun werk gemaakt hadden, keken de organisatoren welke van de reeds uitgekozen gedichten het beste paste bij welk kunstwerk. Het al of niet slagen van de wisselwerking tussen woord en beeld was dus niet aan de kunstenaars of aan de dichters maar geheel en al aan dat deel van de organisatie dat niet alleen verstand heeft van beeldende kunst maar dat ook de Nederlandse taal verstaat.

Het zijn risico's die de Watou-formule ook spannend maken, maar het is wel opvallend dat de meeste bezoekers de vele kunstvideo's voor lief nemen en dat hun interesse toch vooral uitgaat naar de poëzie en naar de locaties. Wat vreemd is gezien de nadruk die de organisatie, zowel artistiek als financieel, legt op het vernieuwende en internationale karakter van de geselecteerde beeldende kunst.

Een van de leukste primeurs van deze poëziezomer is dat een vijftiental dichters gevraagd is een speciaal gedicht voor deze poëziezomer te schrijven. Dichters die allemaal al eens eerder in Watou zijn geweest en derhalve het landschap, de locaties én de beoogde relatie met beeldende kunst in gedachten konden houden. Het heeft prachtige gelegenheidsverzen opgeleverd, zoals het sarcastische Wat nou van Ad Zuiderent: 'Weg wou je, weg voor altijd, uit dat gat -/ wat nou rijke schat? dat ook dat rijmt? op wat?'

En ook al heeft dit ertoe geleid dat sommige dichters hun gedicht naar de beeldende kunst toe hebben geschreven, toch heeft men dit jaar de afstand tussen de kunstwerken en de gedichten vergroot. Geen confrontaties meer in een en dezelfde ruimte, maar eerder een 'buurschap'. Een tuinmuur met een gedicht naast een kamer met een muurschildering, een vijver met een drijvend nimfenbed van wit piepschuim achter de hoeve waarbinnen, heel toepasselijk, de stem van K. Michel te horen is: 'Dan begint het buiten/ bruidsjurken te sneeuwen.'

Kruipkelder

Dat dit 'buurschap' tot prachtige associatieve verbanden kan leiden is ook te zien in het Douviehuis. Daar blijft een sculptuur van een aan zijn voeten opgehangen jongen van de Noorse kunstenaar Bjarne Melgaard op je netvlies staan terwijl je doorloopt tot aan een trap die omlaag voert naar een naargeestige kruipkelder. Op de vloer is met gifgroene letters een recent gedicht van Rogi Wieg geschreven: 'Ik brak het manke been van mijn vader,// nam hem het lopen af, brak het/ zieke hart/ van mijn moeder, nam haar het/ kloppen af,// en wilde toen plotseling leven en/ niet meer/ hangen aan een gekromde boom langs/ het water.'

Dit zijn de momenten waarop Watou zichzelf waarmaakt, waarop de droom van Gwy Mandelinck om een 'visueel poëem' tot stand te brengen werkelijkheid wordt. De kracht van Watou is die van een zoektocht naar het onverwachte. Een avontuurlijke ontdekkingsreis die al de zintuigen prikkelt en de bezoeker opnieuw leert kijken, luisteren en lezen. De kunst weg uit het museum, het gedicht weg uit de bundel. Weg naar die ene onmogelijke lege plek om deze een zomer lang te bezetten. En met het dorp bezetten de kunst en de poëzie ook het geheugen van de duizenden bezoekers, alwaar zij zich ongemerkt op een lege plek vastzetten, als een dwingende herinnering, om te blijven.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden