Aarts-aarzelaar en toegewijd dilettant

De schrijver en dichter Adriaan Morriën (1912-2002) was een Libertijn en lanterfant. Onhollands in zijn zinnelijkheid en schaamteloosheid. Morriën stierf vrijdagmiddag, maakte zijn uitgever van Oorschot dit weekeinde bekend....

'ZIJ had een zo aantrekkelijke manier van lopen dat je met haar al lopende zou willen vrijen.' Typerende opmerking van Adriaan Morriën, gevist uit de tweede verzameling met herinneringen en aforistische bespiegelingen die de grootste flaneur in de Nederlandse letteren in 1996 bundelde in Ik heb nu weer de tijd (1996). Deel één heette Plantage Muidergracht (1988), naar de straat in Amsterdam waar hij woonde. De passant kon zijn huis eenvoudig localiseren: dat puilde uit van de ordeloze stapels boeken en vergelende paperassen.

Die ongeordendheid was welhaast een principe (als dat woord niet te beslist klonk) in het leven en werk van deze aarts-aarzelaar die vrijdag is gestorven. Het was precies die 'notoire indolentie' die Willem Frederik Hermans,sinds hun eerste ontmoeting in 1944 een grote vriend, acht jaar later voorgoed in het verkeerde keelgat schoot. 'Het woord aarzelen zit in zijn oeuvre als een breipatroon in een damesweekblad,' schamperde Hermans in Mandarijn Morriën.

Van ellende kreeg Morriën een maagzweer, maar hij reageerde met de brochure De gruwelkamer van W.F. Hermans, of Ik moet altijd gelijk hebben (1954). Daarin schetste hij een - voor zijn doen felgetint - psychologisch portret van de 'fascistische desperado' en 'oudtestamentische godheid' met wie hij de liefde voor de literatuur deelde, maar die met een wel heel ander karakter was toegerust. Hun vriendschap was er een 'uit wantrouwen', moest Morriën achteraf concluderen.

Adriaan Morriën werd in 1912 geboren in IJmuiden als zoon van een gereformeerd zeilmaker en een moeder over wie hij tot op hoge leeftijd 'sexdromen' had. Nadat hij Freud had gelezen en vertaald, zou hij zelfs zijn tuberculose interpreteren als 'vergelding voor mijn vaderhaat'. Tot 1943, hij was toen al gedebuteerd als dichter met Hartslag (1939), woonde hij bij zijn ouders, om een jaar later met zijn vrouw Guusje naar Amsterdam te verhuizen.

Als broodschrijver manifesteerde Morriën zich als dichter, schrijver, vertaler (Les liaisons dangereuses van Choderlos de Laclos), tijdschriftredacteur van Criterium, Libertinage en Literair Paspoort (na de oorlog bevriend met Heinrich Böll en Günter Grass, en 'ontdekker' van Hermans, Hans Lodeizen en Jan Hanlo) en criticus van Het Parool. Zijn verzameld kritisch proza werd in 1999 gebundeld in Brood op de plank. Een 'toegewijd dilettant' noemde Volkskrant-recensente Aleid Truijens hem bij die gelegenheid, zonder talent voor megalomanie, maar consistent in zijn voorkeur voor zachtaardige eenlingen.

Romans las hij zelden uit - en dat gaf hij ook grif toe. In die openhartigheid, vrij van schuldgevoelens, was hij een ongewone verschijning onder onze literatoren. 'Wie is zo lief als een dichter?', dichtte hij: 'Hij wijst je niet slechts op je fouten,/ hij leert je ermee te leven/ en spelen.'

Gevormd door Ter Braak en Du Perron, heeft Morriën altijd de persoonlijkheid en het egodocument boven vormaanbidderij gesteld. Als Frans georiënteerd libertijn, werd hij gekenmerkt door zinnelijkheid en schaamteloosheid. Niet zozeer dát hij roddelde maakte hem onhollands, wel dat hij dat open en bloot deed.

De zelfverklaarde 'theoloog van het lichaam' schreef tussen 1939 en 1992 ongeveer driehonderd gedichten. In 1993 kwamen de Verzamelde gedichten uit , waarvan de kwetsbare lyriek, stadsnatuurbeelden en de verzen over de ouderdom de grootste kans maken hem te overleven. 'Je wist het als kind al: geen beter speelgoed/ dan levende have. Liever een duif dan een treintje./ Liever een spelende poes dan een bouwdoos./ En 't liefste van alles: een ander/ die je kunt aanraken, aaien en kussen.'

Zijn proza daarentegen moet het hebben van een enkele inval of kruidige anekdote, maar is alles bij elkaar vermoedelijk te verkruimeld, narcistisch en doortrokken van een soort temerige geilheid om te beklijven. 'De paradox van het bordeel is dat mannen erheen gaan omdat zij van hun vrouw niet met een andere vrouw naar bed mogen.' 'Borsten moeten een beetje zwabberen.' Ervaringswijsheden van een kijkgraag slenteraar , een volleerd uitsteller die prompt in apathie verviel toen hij zich aan een roman wilde zetten.

'Hoe voelt het om oud te zijn?' heet het slotgedicht uit Morriëns laatste bundel: 'Soms, als je de hoek van een straat omslaat,/ het is winter, voel je zijn adem brutaler dan toen/ je nog jong was, en sterk, en een stootje kon geven./ Je voelt je tot onder je kleren koud, en heel naakt./ Je gruwt van de dood, al is het slechts even./ Kom, gauw naar huis, denk je, want je voelt je geraakt.'

Toen was de dichter tachtig. Nadat hij zich van jongs af aan leek voor te bereiden op de traagheid van de ouderdom, werd hij met een schier eindeloze herfst beloond. Met zijn 'dromerige lichtzinnigheid' is deze 'literaire lanterfant' (Morriën over Morriën) zelfs tweeëneenhalve dag lang negentig jaar geworden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden