Aardbeving maakt einde aan Turkse illusies

Turkije is door de aardbeving tot in zijn ziel geraakt, concludeert Dirk-Jan van Baar. Zelfverzekerdheid heeft plaatsgemaakt voor afhankelijkheid van buitenlandse hulp....

Dirk-Jan van Baar is historicus en columnist van HP/De Tijd.

IN TIJDEN van nood leer je je vrienden kennen. Dat geldt deze dagen in het bijzonder voor de slachtoffers van de Turkse aardbevingsramp, voor wie in een aantal Europese landen inzamelingsacties worden gehouden. Vanzelfsprekend doet Nederland daaraan mee. De Nederlandse bevolking pleegt bij zulke gelegenheden ruimhartig te geven (zie donderdagavond), en daarvoor was nu alle aanleiding. Premier Kok sprak eerder al van een speciale verantwoordelijkheid.

In Nederland wonen minstens 250 duizend Turken (en Koerden), waardoor ons land na Duitsland de grootste Turkse gemeenschap in West-Europa heeft. Er bestaat een directe relatie met het rampgebied. Schiphol is vanaf de luchthaven van Istanbul - toch een afstand van 2700 kilometer - een van de belangrijkste bestemmingen.

Hoewel Turken zich graag aan Italianen spiegelen (ook een meditterrane cultuur), en Duitse industrieproducten hogelijk waarderen vanwege hun degelijkheid en status, heeft Nederland in Turkije een streepje voor. Wie vertelt dat hij uit 'Olanda' komt, wordt onder de loftuitingen bedolven.

Dat kan komen omdat Turken zulke hartelijke en gastvrije mensen zijn. Turken zijn kwistig met complimenten en kunnen zo omstandig van hun dankbaarheid getuigen, dat je er verlegen van wordt. Maar waarschijnlijk is het meer dan beleefdheid, en menen ze het ook. Als Nederlander ben je snel geneigd het te geloven, want het spoort met ons zelfbeeld. Wij zijn nu eenmaal aardig tegen buitenlanders, zeker - de vergelijking is onvermijdelijk - als dat wordt afgezet tegen de Duitse manier van doen, die verkrampt is en formalistisch.

We hoeven er niet aan te twijfelen dat de financiële hulp uit Nederland goed valt bij de zwaar aangeslagen Turkse bevolking. Op zulke blijken van medeleven reageren de Turken, die al gauw het gevoel hebben zonder vrienden in de wereld te staan, buitengewoon emotioneel.

Dat geldt helemaal als de steun 'spontaan' is en van de mensen zelf komt, zoals in Nederland (hoe men verder ook over het georganiseerde karakter van onze Samenwerkende Hulporganisaties mag denken). Dat raakt een snaar die regeringen nooit kunnen treffen. In een land als Turkije is het volk namelijk altijd goed, en zijn de autoriteiten meestal slecht.

Dat sentiment kwam tijdens de aardbevingsramp onmiddellijk boven. De Turkse overheid was vanwege het ontbreken van voorzorgsmaatregelen en het ongecoördineerde karakter van de reddingswerkzaamheden de grote zondebok.

Begrijpelijk, want wie zijn familie onder het puin begraven weet zonder dat er takelwagens in aantocht zijn, vervloekt de staat eerder dan Allah. Als dan de limousine van de president bij een bezoek aan het rampgebied ook nog ambulances ophoudt, staat vast dat de politici, van wie toch al gezegd wordt dat ze corrupt zijn (de wereld van de bouw leent zich daar ook goed voor), niet deugen. Dat is een gevaarlijk sentiment, en past bij het gevoel als tweederangs te worden behandeld. West-Europese regeringen, die zich nu van hun beste kant laten zien, kunnen dat alleen maar versterken.

Zij hebben er echter geen belang bij de Turkse staat, die als NAVO-bondgenoot een stabiliserende rol wordt toegedicht in een van de meest explosieve regio's ter wereld, in diskrediet te brengen. Turkije staat van binnen (de Koerdische kwestie), van buiten (de Balkan, Iran, Irak, Syrië, de Kaukasus), van boven (de islam) en nu ook van onderen (de aarde) onder druk. Met meer dan drie miljoen Turken in West-Europa kan een crisis in Anatolië ook hier tot uitbarstingen leiden, zoals we na de arrestatie van PKK-leider Öçalan nog hebben kunnen zien.

De Turkse aardbevingsramp is natuurlijk in de eerste plaats een humanitaire catastrofe. Dan is er hulp nodig, onmiddellijk, zonder politieke bijbedoelingen (waaraan waarschijnlijk nog niemand heeft gedacht). Rampen heten te verbroederen. Als zelfs aartsvijand Griekenland een hulpvaardige houding inneemt, moet er wel iets heel bijzonders aan de hand zijn. In tijden van nood leer je je vrienden kennen, maar ondertussen staat de regering in Ankara met de mond vol tanden (wat ook in Athene zal zijn opgemerkt).

De Turkse staat is door de aardbeving in de ziel geraakt. Dat komt niet alleen door de omvang van de ramp (een gebied zo groot als Nederland), maar ook omdat het land in het Westen is getroffen, precies daar waar de natie volgens de grote leider Kemal Atatrk heen moest. Het Westen is in Turkije niet zomaar een geografische aanduiding, maar een geloof en een manier van leven.

Volgens de officiële staatsideologie - het kemalisme - moet Turkije zich op het Westen (Europa) richten om als moderne natie op eigen benen te kunnen staan. Voor de elite is dit een semi-religie, een substituut voor de islam, die door de overheid naar het privé-domein is verbannen. Sterker: de elite haat de islam. Vandaar de ergernis van sommige bestuurders, die slachtoffers toebeten dat de overheid geen wonderen kan verrichten en uitriepen of ze soms een immam wilden.

Het toont de hulpeloosheid van de autoriteiten. Zij zijn niet tegen deze ramp opgewassen, hoewel het kemalisme de suggestie wekte dat de staat alomtegenwoordig was en overal een antwoord op had. Op westerlingen maakt het kemalisme een versleten en achterhaalde indruk, maar in Turkije staat het nog steeds voor moderniteit (de 'maakbare samenleving' wordt er veel letterlijker opgevat dan bij ons).

Voor migranten van het Anatolische platteland was de industriestad Izmit de plaats om naartoe te gaan. In de jaren zestig, toen ook de eerste gastarbeiders naar Duitsland en Nederland trokken, was het een typische boom town, waar het moderne Turkije aan zijn toekomst bouwde.

Die toekomst ligt nu in duigen, zowel materieel (al kunnen steden als Izmit weer snel worden opgebouwd) als psychologisch. Als zulke rampen in het meest ontwikkelde deel van het land kunnen gebeuren, en zelfs de strijdkrachten - die in Gölcük een marinebasis verloren - nauwelijks een helpende hand uitsteken, wankelt het kemalisme.

Erger: de Turkse staat die op eigen benen wilde staan, is nu aangewezen op internationale hulp. Voor zover die hulp er komt, is dat niet omdat Turkije als een beschaafd land wordt gezien, maar als een halve derdewereld-staat medelijden opwekt. Daarbij is bij de bevolking ook nog de indruk ontstaan dat zij door het buitenland beter wordt geholpen dan door de eigen regering. Groter kan de vernedering niet zijn.

Vandaar de houding van minister van Volksgezondheid Osmon Durmus (van de extreem-nationalistische MHP, de partij van de Grijze Wolven), die verongelijkt liet weten dat Turkije het wel alleen afkon.

Natuurlijk kan de gekrenkte trots van een in verlegenheid gebracht regime voor de buitenwereld geen reden zijn om niet te helpen. Spontane hulpacties zijn altijd welkom, en na enige aarzeling heeft de Turkse regering de internationale gemeenschap om bulldozers, tenten, geprefabriceerde huisjes, en - heel sinister - lijkenzakken gevraagd. We moeten de politieke naschokken ook niet overdrijven.

Waarschijnlijk zou elke overheid na een dergelijke aardbeving - bij 7,4 op de schaal van Richter stort er ook in het bevriende Israël heel wat in - met de handen in het haar zitten. Maar door de overspannen staatsideologie was Turkije een land van illusies, waarvan er de laatste jaren nogal wat zijn doorgeprikt.

Spoedige toetreding tot de Europese Unie was zo'n idee. West-Europese regeringen - waaronder de Nederlandse - hebben de Turken lange tijd in die waan gelaten, totdat bondskanselier Kohl liet doorschemeren dat de prioriteiten anders lagen. Hij is daarvoor heftig bekritiseerd (vooraanstaande Turkse politici maakten zich zelfs aan grove anti-Duitse opmerkingen schuldig), maar het schiep enige duidelijkheid. Dat betekent niet dat West-Europa de band met Turkije zomaar kan loslaten.

Integendeel, integratie van Turkije binnen de westerse wereld is eigenlijk alleen maar belangrijker geworden, en iedereen bewijst daar ook lippendienst aan.

Dat zorgt echter aanhoudend voor misverstanden, tussen Turkije en het Westen, maar ook tussen de westerse landen onderling. Zo is de Amerikaanse houding, die de EU onder druk zet om Turkije zo snel mogelijk lid te maken, weinig realistisch. Binnen de EU is er het Griekse veto tegen het aanhalen van de banden met Turkije, waarachter andere leden zich kunnen verschuilen.

Zelfs spontane solidariteitsbetuigingen wekken irratie op. In 1993 zorgde de actie 'ik ben woedend', na aanslagen op Turken in Solingen en andere steden, voor een dip in de relatie tussen Nederland en Duitsland. Hier speelden stereotype voorstellingen een rol, van West-Europeanen ten opzichte van Turken, maar ook van Nederlanders ten opzichte van Duitsers.

In Turkije zijn de misverstanden over Europa zo mogelijk nog groter. Men is daar hypergevoelig voor alle bemoeizucht die naar Europees kolonialisme riekt. In Europa zijn we dat allang vergeten, maar in Turkije weten ze nog heel goed dat de grote mogendheden na de Eerste Wereldoorlog plannen hadden om heel Anatoliëte verdelen.

Die achterdocht speelt meteen op na Europese kritiek op de aanpak van de Koerdische kwestie. Zulke complottheorieën zijn in westerse ogen absurd, maar het land staat wel onder curatele van het IMF. Turkije wordt onder druk gezet om eindelijk eens de staatsfinanciën - zo rot als een mispel - te saneren. Gezien de huidige hulpbehoevendheid heeft het Westen een stok achter de deur. De Turkse regering is ook vastbesloten om nu echt orde op zaken te stellen, maar daarvoor is wel vertrouwen nodig bij de eigen bevolking.

Het grootste misverstand is misschien wel dat de integratie van Turkije in de westerse wereld als iets soortgelijks wordt gezien als de integratie van Turken in Duitsland of Nederland. Voor zover de Turkse staat onderdeel van het Westen uitmaakt, is dat als bolwerk tegen de islam en 'model' voor andere landen in de regio.

De rijke Turkse elite benadrukt die rol, maar klaagt erover dat West-Europese regeringen dat zo weinig waarderen. Ook de Turkse middenklasse, even burgerlijk als wij, voelt zich miskend. Het geadoreerde Europa ziet de Turken vooral als moslims, arme plattelandsbewoners, en niet als de modelburgers die ze willen zijn.

Hoewel er nu meer dan dertig jaar Turken in ons midden zijn, is de Turkse republiek ons vreemd gebleven. Wat wij van de Turkse politiek weten bevalt ons niet, en dat is door de tragedie van vorige week bevestigd. Misschien verklaart dat waarom het beeld van de arme Turk die door zijn overheid wordt belogen er ook bij ons ingaat als koek. Dat is een mythe die geen recht doet aan de dynamiek van het land en de Turken - in tegenstelling tot de vroegere staatsideologie - niet verder helpt.

De aannemers die nu als gewetenloos en corrupt worden neergezet, hebben ook een snelle urbanisatie mogelijk gemaakt waardoor de meeste Turken in eigen land een toekomst hebben. In tijden van nood leer je je vrienden kennen. Dat zullen straks toch weer Turkse bouwers zijn.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden