Aardbeien voor een eurootje

De Albert Cuypmarkt in Amsterdam bestaat honderd jaar en dat wordt gevierd. Tussen de mannen van de markt: 'Ik denk dat we een uitstervend ras zijn'....

Vraagt de klant: 'Hebt u een plastic zak?' De marktkoopman: 'Mop, ik vraag jou toch ook niet of je een kartonnen doos hebt?'

Humor op de Albert Cuyp, niet de grootste, maar wel de bekendste markt van het land. Hij bestaat deze maand honderd jaar. De juiste verjaardag is onbekend. 'Het moet een zondag in mei zijn geweest', weet Frans van Rheenen (61), zelf al 47 jaar haringverkoper op de Cuyp.

Daarom een nogal verspreid feestprogramma, met vijf eeuwfeestzondagen in de zomer. Op Tweede Pinksterdag de opening van een fototentoonstelling op en rond de markt, op 5 juni een zangfestival, op 3 juli een kinderstandwerkersconcours, op 7 augustus Amsterdamse volksmuziek en 4 september een optreden van standwerkers.

Er komt een fotoboek, over de markt heen wordt de kerstverlichting gehangen voor het bevestigen van grote posters. Tijdens het eeuwfeest, datum nog onbekend, wordt het standbeeld van André Hazes geplaatst, de volkszanger wiens carrière begon op de Cuyp.

Het hoogtepunt moet een avond zijn in theater Carré met onder meer het Zwanenkoor, voor de circa driehonderd marktkooplui en een partner. De overige ruim duizend plaatsen worden komende zomer à dertig euro verkocht op de 'derde markt', het deel tussen Eerste Sweelinckstraat en Van Woustraat. De grootvader van Van Rheenen behoorde tot een groepje van vijf straathandelaren die een eeuw geleden de eerste handkarren op de Albert Cuypstraat plaatsten. Op de hoek van de Ferdinand Bolstraat, midden in de Pijp, een arme, maar toen al populaire volkswijk. De familie woonde later op twee hoog, pal achter de haringkar.

Frans van Rheenen beschouwt zijn haringstal als het oudste familiebedrijf van de Cuyp. 'Wij zijn als enigen bij haring gebleven. Een eeuw lang, ik vind het nogal wat. Bovendien ben ik de grootste individuele haringverkoper van heel Nederland .'

Met zijn grossier gaat Van Rheenen vier maal per jaar naar Noorwegen. 'Twee keer om in te kopen, twee keer om feest te vieren. Je hebt in kwaliteit tien soorten haring. De amateurs krijgen de besten niet eens te zien. Die mogen blij zijn als ze nummer vier kunnen kopen. Ik koop uit de top drie. Ik zie het, ik voel het, ik ruik het, en ik proef het. Een timmerman of een groenteman krijgt die kennis niet zomaar in huis. Daar heb je generaties voor nodig. Nieuwkomers in de haring verdwijnen daarom meestal ook weer snel.'

Er zijn handelaren die nog langer op de Cuyp staan dan Van Rheenen, zoals Rinus de Sinaasappelkoning. Rinus (72) is er al langer dan vijftig jaar, maar begon in een grijs verleden op een andere markt met groenten en fruit. Hij is een van de weinigen die zijn handel met gaas heeft afgeschermd.

Rinus: 'Al vanaf het begin. Want ze hebben het nu wel over stelende buitenlanders, maar je moest eens weten hoe er destijds werd gejat. Sinaasappels stiekem in tassen met een dubbele bodem. Ik heb het meegemaakt, maar er direct een einde aan gemaakt door kippengaas over de sinaasappels te leggen.'

Joop Rooze dekt niets af. 'De klant moet het fruit kunnen voelen. Let wel: voelen, niet knijpen. Een avocado moet je in je handen hebben om te voelen of-ie rijp is.' Rooze haalt net als de overige groenten- en fruithandelaren elke ochtend zijn handel bij de hallen aan de Jan van Galenstraat.

De haringen van grootvader Van Rheenen werden betrokken bij een handelaar uit Vlaardingen, die zeer coulant was en genoegen nam met gespreide betaling. Frans, geboren in de Jordaan: 'De armoede moet toen heel groot zijn geweest, opa kon niet direct betalen. Uit dankbaarheid voor zijn leverancier noemde mijn grootvader zich Vlaardinger haringverkoper. Ik heb dat bord nog steeds aan mijn kraam.'

Grootmoeder Van Rheenen overleefde haar echtgenoot en zoon: tot zeventien jaar geleden zat zij dagelijks op een stoel achter de haringen, bij haar kleinzoon Frans. 'Iedereen dacht dat ze er zat vanwege de vergunning, die op haar naam stond. Helemaal niet waar: ze kon niet binnen blijven zitten, ze moest naar buiten. Ze is 93 jaar geworden, nooit ziek geweest. In één klap dood.'

Wat niet wegneemt dat Van Rheenen 'een hoop gelazer' heeft gehad met zijn standplaats. Wie thans langer dan vijf jaar in vaste dienst is, kan de pachtvergunning van zijn baas overnemen. Toen lag dat anders.

Frans had zelf ook een vergunning, maar kwam na het overlijden van zijn grootmoeder niet in aanmerking voor haar standplaats op de kop van de markt, de beste plek. Tot driemaal toe belandde de zaak voor de Raad van State. Van Rheenen verloor, was een vermogen kwijt aan proceskosten, moest zijn plek aan anderen afstaan en verhuisde met zijn assistent Puck (al 37 jaar in dienst) een paar meter verderop, vanuit de Ferdinand Bol gezien aan de linkerzijde.

Het verpachten van de vergunning is bij sommige oudgedienden nog steeds populair. Voorwaarde is dat ze zelf enkele dagen per week aanwezig zijn. Zodat je regelmatig hoogbejaarde en voormalige marktkooplui op krukken voorbij ziet komen, op weg naar hun verpachte stal. Ten behoeve van een aanvulling op het pensioen. De marktmeesters zien het met lede ogen aan, maar Joop en Rinus zijn stellig: als er niet kan worden doorverpacht, zou de halve markt leeg staan. Dat zich wildwesttoestanden zouden voordoen en pachtvergunningen onder dwang worden doorverkocht, wordt in 'het bureau' van de eerste markt, koffiehuis Marktzicht, met klem ontkend.

Terug naar 1905.

Vrij snel vanaf die zondag in mei werd de Cuyp steeds populairder. Twee maanden later, op 7 juli 1905, werd de markt door de gemeente officieel gelegaliseerd als weekmarkt, alleen op zaterdag tot elf uur 's avonds. In 1922 werd de Cuyp een dagmarkt, zes dagen in de week en aanvankelijk alleen aan één zijde van de straat. Pas tien jaar later ontstond de markt in zijn huidige vorm: drie gedeelten, waarbij de 'eerste markt', tussen Ferdinand Bol en Eerste Van der Helststraat nog steeds geldt als het beste, want drukst bezochte deel.

Frans van Rheenen staat op de eerste markt, evenals Joop Rooze (54), handelaar in AG F, aardappelen, groenten en fruit. Joop, ooit loonadministrateur bij hotel Schiller, nam 37 jaar geleden de groentenstal over van zijn schoonvader. Decennia lang van 's morgens zes tot 's avonds zes dezelfde collega's om je heen. Dat moet een band s ch e p p e n .

De handelaren moeten er nu niet aan denken 'rug aan rug' te staan, zoals wel eens is gesuggereerd als alternatief voor de huidige opstelling van de kramen tegenover elkaar aan weerszijden van de Albert Cuypstraat. Joop Rooze: 'De sociale controle is dan weg. Je moet elkaar kunnen zien, zodat je kunt helpen als er iets gebeurd.' Een overkapping is ook wel eens besproken, maar afgewezen, omdat de woningen stuk voor stuk van hoogte verschillen.

Dus wordt alles vanaf vijf uur 's middags weer afgebroken en moeten de kooplui, jaar in jaar uit en weer of geen weer, voor dag en dauw de straat op voor het inslaan van hun handel en de opbouw van de vier meter brede kramen. Hoe hou je het vol?

Joop Rooze: 'Koos Alberts zou er heel wat voor over hebben elke dag met me mee te mogen, als je begrijpt wat ik bedoel. En nooit ziek, hè. De dag waarop je voor je zelf begint, ben je nooit meer ziek .'

'Mijn schoonzoon ziet me als iemand uit de Romeinse tijd. We zijn niet van gewoon staal, maar van Krupp-staal. Ik vind het heerlijk, elke ochtend weer, maar ik denk dat we een uitstervend ras zijn. Over vijftig jaar bestaat de markt niet meer. Ja, met textiel zie je wel nieuwkomers, voornamelijk Pakistani, grossiers die de tussenhandel hebben uitgeschakeld. Maar textiel verkopen is niet te vergelijken met vis, kaas, groente, fruit of bloemen. Dagelijks verse handel, die je heel vroeg moet inslaan.'

Ks de verandering in bevolkingssamenstelling nog van Iinvloed geweest op het koopgedrag? Niet echt, zeggen Rinus, Frans en Joop. Frans schat dat dertig procent van zijn klanten buitenlanders zijn. Vooral Surinamers, Turken en Marokkanen. Opmerkelijk, omdat deze Amsterdammers meestal onbekend waren met het puur Hollandse fenomeen. Frans: 'Een vriend laat ze proeven, en zogenaamd lusten ze het niet. Een week later staan ze bij mij voor een haring. Ze vinden het dus wel lekker.'

Wat het AG F betreft, zijn Marokkanen en Turken in de minderheid. Joop: 'Die mensen kopen toch vooral in hun eigen winkels.' Surinamers daarentegen lijken bij voorkeur hun inkopen op de markt te doen. 'En nooit zeuren over de prijs. Als zij snijbonen willen eten, éten ze ook snijbonen. Vroeger was dat al zo. Overigens zijn Nederlanders ook zelfbewuster geworden. Je kunt ze niet meer dwingen. Wie bloemkool in z'n hoofd heeft, koopt bloemkool en geen andijvie.'

Toch, meent Joop, blijft het leuk aan het einde van de dag overgebleven waar alsnog aan de man te brengen. 'Ze hebben het eigenlijk niet in hun hoofd, maar als ik ze voor een eurootje toch nog aardbeien kan verkopen, is mijn dag helemaal goed.' Frans geeft de overgebleven haringen zaterdagavond mee aan het personeel, 'voor de voetbalclub'. Want opnieuw invriezen, bij . dat is er niet

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden