AANGENAME VERRASSING

DE festiviteiten in Londen waren ontwapenend, de plechtigheden in Parijs onderscheidden zich door hun statigheid, en de taferelen in Moskou hadden - laten we het vriendelijk formuleren - een hoge weemoedsgraad....

De honderdduizenden mensen die van Groningen tot Rotterdam op de been waren gekomen om met vlaggetjes te zwaaien en de ene na de andere oude man uit Canada of Groot-Brittannië te overladen met dankbetuigingen en omhelzingen - ik had eerlijk gezegd niet gedacht dat Nederlanders daarvoor zo massaal te porren zijn. Zoals ik ook enigszins verrast werd door de zeer hartelijke ontvangst die prins Bernhard ten deel viel in Wageningen, een hartelijkheid die niet beperkt bleef tot het geijkte gezelschap van oud-strijders en Oranje-klanten.

Een en ander lijkt me overwegend een aangename verrassing. Nederlanders staan niet bepaald bekend als een volk dat zijn geschiedenis koestert. Nergens in Europa is de kennis van het eigen verleden zo gebrekkig als in Nederland, zei de eminente Britse historicus Jonathan Israel een paar weken geleden in de Volkskrant.

Maar kennelijk is er toch zoiets als een gemeenschappelijk bewustzijn van het (nabije) verleden, is de herinnering aan bezetting en bevrijding een bron van saamhorigheid, bestaat er een nationaal gevoel dat uitstijgt boven de Oranje-verdwazing die af en toe bij internationale sportevenementen intreedt.

Dit is meer dan een zijdelingse constatering. Nationaal besef is een geesteshouding die in verlichte kringen lange tijd in een kwade reuk heeft gestaan: het was iets voor boertjes van buten of voor bedenkelijke chauvinisten. Bovendien raakten theorieën in zwang die het nationalisme goeddeels reduceerden tot een voertuig van de economische modernisering en een bekrachtiging van de staat.

Vastgesteld moet worden dat de werkelijkheid zich niet heeft laten plooien door deze leer. Ook in het moderne, internationaal geörienteerde Nederland blijft zich een algemene behoefte aan nationale inbedding manifesteren. Zolang dat gespeend is van superioriteitswaan en gepaard gaat met een open mentaliteit, is daar ook niets op tegen. Integendeel, het zou duidelijker verdisconteerd moeten worden zowel in het streven naar verdere Europese samenwerking als in de vormgeving van de multiculturele samenleving.

Misschien dat we en passant ook iets meer ruimhartigheid kunnen ontwikkelen als het gaat om de wijze waarop andere Europeanen, en met name de Duitsers, zich rekenschap geven van hun nationale erfenis. Want zo makkelijk als we over de valkuilen in ons eigen verleden heenstappen, zo streng kijken we toe op de Vergangenheitsbewältigung door onze oosterburen.

Daarbij worden soms vreemde toeren uitgehaald. Zo citeerde Gijs Schreuders maandag op deze plaats met instemming een theoloog die in Trouw had betoogd dat de Duitsers zich nog steeds niet hebben ontworsteld aan het nazi-verleden. En hij roemde prins Claus als iemand die de volle waarheid wil blootleggen en stelling neemt tegen het 'in Duitsland werkende verdringingsmechanisme'.

Hier geldt dat het betere de vijand is van het goede. Natuurlijk hangt er nog een zekere sluier over de onthutsend grote ontvankelijkheid voor de nazi-ideologie. En er zijn groeperingen die het nazi-verleden trachten te vergoeilijken of er althans een streep onder willen zetten. Maar zulke geluiden zijn toch dissonanten. Al vele jaren benadrukken leidende politici dat het oorlogsgeweld en de holocaust een onuitwisbare schandvlek voor het Duitse volk vormen.

Ook rond de herdenking van de vijftigste mei is de historische Duitse schuld - en dan niet slechts van een kleine kliek - weer in vele toonaarden erkend. Dat intussen ook aandacht wordt gevraagd voor het Duitse leed bij en vooral na de oorlog, doet daar niets aan af. In elk geval niet volgens de Tsjechische president Havel, die een paar jaar geleden al zijn excuses heeft aangeboden voor de massale verdrijving van de Sudetenduitsers.

Evenmin wordt de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog bezoedeld door de erkenning dat er niet altijd een scherpe lijn liep tussen goed en kwaad. Individueel verzet was niet voor velen weggelegd. Ook niet voor prins Claus, die als middelbare scholier automatisch lid was van de Hitlerjugend en aan het eind van de oorlog dienst moest nemen bij de Wehrmacht.

Claus' stellingname na de oorlog is onberispelijk en hij verdient ons respect. Maar wie, zoals Schreuders, hem aan de Duitsers ten voorbeeld stelt, construeert een schijn-tegenstelling. Het gedachtengoed van de prinsgemaal is niet uitzonderlijk in Duitsland. Zoals het anno 1995 ook een vorm van misleiding is geworden om alarm te slaan over het Duitse 'verdringingsmechanisme', zonder uit te spreken dat het nieuwe Duitsland een stabiele democratie is en een gewaardeerde partner die ons zeker niet minder vertrouwen inboezemt dan sommige andere Europese bondgenoten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden