Aangeboren, aangeleerd

Ligt het aan je ouders of komt het door de buurt waarin je bent opgegroeid? De opvattingen over de invloed van genen en omgeving op ons gedrag blijken behoorlijk modegevoelig....

‘De wetenschapper die de menselijke hersenen en geest bestudeert, lijkt een bankrover die een kluis probeert te kraken met een tandenstoker.’

Als deze uitspraak van de Amerikaanse psycholoog Elizabeth Loftus ergens op van toepassing is, dan is het wel op het debat over de invloed van erfelijke aanleg en omgevingsfactoren op de mens. In het Engels wordt dit debat aangeduid als het nature nurture-debat. De opvattingen over de mate waarin we door onze genen en dus onze nature zijn voorgeprogrammeerd en in hoeverre onze opvoeding en cultuur, ofwel onze nurture daarop nog invloed heeft, is behoorlijk modegevoelig gebleken.

Kijk bijvoorbeeld naar de beweringen over de oorzaken van autisme. De eerste Amerikaanse hoogleraar jeugdpsychiatrie Leo Kanner gebruikte in 1943 terloops de term ‘ijskastmoeders’ in een artikel over autisme. De moeder zou onvoldoende emotionele warmte geven en dat zou ertoe leiden dat het kind geen interesse meer heeft in sociaal contact. Dit vooroordeel is ontstaan, doordat Kanner alleen patiënten had gezien uit zijn eigen intellectuele en afstandelijke milieu, maar prompt werden kille ouders algemeen beschouwd als de belangrijkste oorzaak van deze stoornis. De observatie van Kanner paste naadloos in een tijd waarin men dacht dat de opvoeding allesbepalend was.

Deze opvatting heeft veel ouders van autistische kinderen enorm tekortgedaan. De pedagoog Ina van Berckelaer-Onnes, tot vorig jaar hoogleraar autisme aan de Universiteit Leiden, heeft zich meer dan dertig jaar beziggehouden met de begeleiding van ouders met autistische kinderen. In een interview met Psychologie Magazine concludeerde zij: ‘Ik heb in die tijd steeds meer bewondering gekregen voor deze ouders. Hun inzet grenst aan het ongelooflijke. Als je wilt weten hoeveel ouders voor hun kind kunnen betekenen, dan zou je naar deze groep moeten kijken.’

De overschatting van de invloed die ouders hebben op hun kinderen is gevolgd door veel aandacht voor de invloed van erfelijke factoren. Dit zie je bijvoorbeeld terug in de uitgebreide aandacht voor onderzoek onder tweelingen in de media. Het invloedrijkst zijn misschien de voorbeelden, zoals in de BBC-documentaire De fascinerende wereld van identieke tweelingen.

Hierin kun je onder andere kennismaken met Jim en Jim die als eeneiige tweelingbroers kort na hun geboorte zijn gescheiden en aan verschillende adoptieouders zijn meegegeven. Pas negenendertig jaar later komen zij elkaar weer tegen en ze lijken dan ongelooflijk veel op elkaar. Ze houden van hetzelfde bier en dezelfde sigaretten, rijden in dezelfde auto en hebben vergelijkbare baantjes achter de rug. Zelfs hun liefdesleven heeft voor een belangrijk deel parallel gelopen. Hun eerste vrouw heette Linda, hun eerste zoon noemden zij James Allen en hun tweede vrouw luistert naar de naam Betty.

Nu is dit voorbeeld erg treffend, maar de bewijskracht ligt vooral in de triviale details. Beide mannen heten immers geen Jim omdat zij daarvoor een erfelijke aanleg hebben. Het verhaal van de eeneiige tieners Beth en Amy is minder saillant, maar eigenlijk beter. Beth en Amy zijn een eeneiige tweeling en hebben een identieke erfelijke aanleg, maar werden vroeg van elkaar gescheiden. Beth kreeg een moeder die model kon staan voor elk modern opvoedingsboekje, terwijl Amy een dikke, arme moeder trof die haar kind eigenlijk alleen als een last ervoer. Amy was teruggetrokken en angstig, plaste in bed en had leerproblemen. Een typisch geval van een tekortschietende opvoeding, concludeerden de betrokken hulpverleners, maar later ontdekte men dat Beth vrijwel identieke problemen had.

Het belang van erfelijke aanleg is soms ook ongenuanceerd omarmd. Dit zie je bijvoorbeeld terug in het hersenonderzoek. Er zijn wetenschappers die het bestaande onderzoek gebruiken om te verklaren ‘waarom we zijn zoals we zijn’. Een andere groep wetenschappers ziet dit echter alleen maar als uitgangspunt om te streven naar veranderingen.

De psycholoog Maarten Derksen, van de Rijksuniversiteit Groningen: ‘In Nederland horen een hersenonderzoeker als Dick Swaab of de boeken van de Amerikaanse psycholoog Steven Pinker tot de eerste categorie. De neuropsycholoog Margriet Sitskoorn benadrukt echter op basis van hetzelfde onderzoek dat de hersenen veranderbaar zijn. Haar boek Het maakbare brein verkoopt weer de optimistische boodschap dat we kunnen worden wie we zouden willen zijn.’

De discussie over aanleg en omgeving lijkt daarmee misschien te verdampen tot een kwestie van persoonlijke voorkeuren. Als je maar selectief genoeg kijkt, kun je voor elke theorie bewijzen vinden. De geschiedenis heeft geleerd dat de opvattingen steeds verschuiven en dat we gemiddeld meewarig terugkijken op wat dertig jaar geleden nog als wijsheid gold. Waarschijnlijk zal over dertig jaar niet beter geoordeeld worden over de wijsheid van vandaag. Toch ziet Derksen dat er de laatste jaren wel duidelijke vooruitgang is geboekt. ‘De discussie is begonnen met twee tegenover elkaar staande grootmachten, namelijk de omgeving en de erfelijke factoren. De grootste winst is dat deze factoren enorm zijn versnipperd en dat het beeld daardoor genuanceerder is geworden.’

Deze ontwikkelingen zijn het sterkst geweest op het gebied van het hersenonderzoek en de genetica, omdat daar nu eenmaal het meeste geld voor wordt uitgetrokken. Maar ook het begrip omgeving wordt nu veel duidelijker gebruikt. Als er vroeger wat mis was met een kind, lag dat aan de ouders. Tegenwoordig ziet men veel meer in dat bijvoorbeeld ook de vriendengroep een belangrijke rol kan spelen.

De erfelijke invloed wordt ook steeds beter ontrafeld. Het gaat niet meer om aanleg in het algemeen, maar over de invloed van de maar liefst 6.000 genen die in ons brein actief zijn. Bovendien blijken de genen niet geïsoleerd te werken, zo kan stress ertoe leiden dat bepaalde genen al dan niet tot uitdrukking komen. Een bekend voorbeeld is dat mensen die zijn geboren in of kort na de hongerwinter een verhoogde kans hebben op schizofrenie.

Hoe complex de wisselwerking tussen genen en omgeving in elkaar kan zitten, komt ook naar voren in het onderzoek naar adhd. Deze drukke kinderen hebben extra veel behoefte aan structuur, maar ze hebben in de regel ouders die ook enkele adhd-trekjes hebben en daardoor juist niet zo erg gestructureerd zijn. Het drukke gedrag ontstaat dus gedeeltelijk door erfelijke aanleg en gedeeltelijk door opvoeding, maar óók door de opvoeding en de erfelijke aanleg van de ouders.

De Engelse psychiater Michael Rutter constateerde daarom onlangs dat het achterhaald is simpelweg de invloed van de erfelijke aanleg te schatten. We beginnen langzaam de oorzakelijke processen te ontrafelen.

Definitieve antwoorden zijn er volgens psycholoog Derksen niet te verwachten: ‘We moeten niet denken dat de laatste antwoorden komen van onderzoek naar erfelijkheid en de biologie van het brein. Ons brein is zeer verknoopt met technologie en we veranderen onszelf door bijvoorbeeld pen en papier, bibliotheken en zoekmachines. We zijn niet willoos overgeleverd aan de wisselwerking tussen onze erfelijke aanleg en omgeving. We zijn voortdurend bezig onze mogelijkheden en beperkingen te exploreren met de middelen die onze cultuur biedt. De verklaringen voor ons gedrag zullen zich daaraan moeten aanpassen.’ Onze omgeving verandert en daarmee ook de manier waarop de omgeving mede bepaalt wie wij zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.