Aandoenlijk gerommel van brave kruideniers

Een wielrenner hoor je nog wel eens verzuchten dat hij eigenlijk beter tennisser had kunnen worden. Omgekeerd is die bewering nog nooit vernomen....

In het bed met doorgelegen matras ligt een coureur. De coureur heeft een deur uit de pokdalige kledingkast gesloopt en die onder zijn matras gelegd, om althans niet binnen één nacht een hernia op te lopen.

Het hotel waarin ze hem hebben neergelegd leent zich voor de vaste grap: één ster - in de spiegel van de beschimmelde badkamer. Zijn kamergenoot onder de douche vloekt: alleen koud water. Dubieuze etensgeuren waaien door het raam naar binnen. Net als de muggen, die zich in slagorde aan het plafond kleven.

Het is niet alles goud wat er blinkt in de moderne wielersport. Niet eens klatergoud. Het is, op de keper beschouwd, zelfs opvallend hoe alles in die wereld bij het oude is gebleven. En het oude was: boerenzoon trapt zich het leplazerus.

Ze verdienen wat meer, de renners, alhoewel dat relatief is. Wim van Est, in de jaren vijftig actief onder de echte wereldtop, verdiende in zijn beste jaren grofweg geschat dertig keer het toenmalige netto jaarinkomen van een Nederlandse fabrieksarbeider. Van de Nederlandse coureurs van dit moment is er één, Breukink, die dat ook kan zeggen. De rest verdient (veel) minder.

Er zijn tegenwoordig ook coureurs met een vervolgopleiding. Maar nadat ze twee, drie jaar tussen de wielen hebben gezeten merk je daar alleen in uitzonderingsgevallen nog wat van. Ze praten verstaanbaarder dan de Brabantse brabbelaars uit de jaren vijftig, dat gelukkig wel.

En zeker, de wegen zijn beter geworden, het materiaal is verbeterd en het wielrennen is steeds meer een teamsport geworden. Sommige coureurs trainen niet langer driehonderd kilometer per dag achter een rokende damesbrommer, maar dat zijn nieuwlichters.

Ook zijn er marketingmensen opgestaan die zich over de sport hebben ontfermd. Maar hoe die ook hun best doen van de sport een cleane, gestroomlijnde show te maken, de geur van de jaren vijftig blijft onvermijdelijk rond het peloton hangen.

De lege blikken van de CocaCola-meisjes bij de finish. De meisjes van de bank op het podium, die zich in allerlei bochten wringen om hun gele beertje zo vast te houden dat het voor fotografen en cameramensen niet is te vermijden. De veel te grote vaantjes, de ordinaire boeketten.

Het heeft allemaal niks met chique te maken. Het is het aandoenlijke gerommel van kruideniers. Het geschreeuw van de visboer.

Heel wat anders in elk geval dan de gedistingeerde en gecontroleerde commercie bij een tennistoernooi: alles in stemmig groen en geen onvertogen woord.

En twaalfduizend gulden bij verlies in de eerste ronde.

De coureur weet: dit wordt weer een slapeloze nacht. De bloedeloze spaghetti ligt als een steen op zijn maag. Het is alsof de halve kip die hij naar binnen heeft gewerkt pogingen doet alsnog op te stijgen. De coureur ligt doodstil, maar zweet als een otter onder een doorzichtige deken van drie meter dik.

De rotzooi, de paniek, de chaos na een Tour-aankomst. Het geschetter van de speaker, de drietonige hoorns van de auto's. De renner in zijn apepakkie met tien verschillende sponsornamen. De onder de voet gelopen gendarme. De ene fotograaf die de andere wurgt met diens eigen camerariem. De vuistslag voor één gehijgde quote.

De winnaar die met een imbeciele grijns op het erepodium staat en die de fles champagne uitstort over het juichende volk. Zonder weloverwogen toespraak met links en rechts bedankjes.

Het is allemaal zo heel anders dan de beschaving van Roland Garros en Wimbledon.

André Tsjmil na zijn prachtige zege in Parijs-Roubaix, een van 's werelds grootste koersen: was het 1994 of 1954? Daar stond-ie naakt te rillen in een droefgeestig decor van drek op gebarsten vooroorlogs terrazza-werk. Geboren in de buurt van China! Naar de kasseien van het Noorden gekomen om eventjes Parijs-Roubaix te winnen! Het ingevallen koppie van een Egmonds vakantiekolonie-jongetje.

De vragen: 'Wat dacht je toen je won? Hoe heet je vrouw? Ben je nu blij? Ga je straks op de fiets naar huis?'

En als dat in de Tour en ParijsRoubaix zo gaat, hoe werkt dat dan in Erenbodegem-Terjoden, MilanoVignola of de Ronde van de Mijnvalleien? Daar é het nog 1954, zonder twijfel.

De coureur denkt aan de dag die voorbij is. Aan de verschrikkelijke hitte en de verschrikkelijke bergen en de verschrikkelijke man in de auto. Hij denkt aan de dag die zal komen. Aan de verschrikkelijke hitte en de verschrikkelijke bergen en de verschrikkelijke man in de auto.

De hitte die het vocht uit zijn lijf heeft geperst en witte strepen van zout heeft getrokken op zijn benen en armen. De bergen die voor ontploffingen in zijn dijen hebben gezorgd, die zijn rug hebben kromgetrokken, zijn hoofd hebben verduisterd bij de blik omhoog. De man in de auto die hem verrot heeft gescholden alsof hij een hond was. Zijn mond te droog om terug te schelden.

De met krijt beschreven schoolbordjes aan het hek bij de gammele dopingcaravan, de rugnummers. De uitgelote renner die zich door de massa starende fans heen wringt, om in de caravan zijn plas in te leveren, volledig uit de koerskleren en in het bijzijn van de dokter, die met eigen ogen moet constateren dat de urine inderdaad rechtstreeks het geslacht van de coureur verlaat.

Welbeschouwd is het om de slappe lach van te krijgen. Maar niemand lacht, het is al zo lang normaal.

Een Belgische journalist constateerde drie jaar geleden dat gedurende de eerste twaalf dagen van de Tour de France niet één Franse renner voor de dopingcontrole was uitgeloot, statistisch praktisch een onmogelijkheid. En zoals die dingen gaan in de wielersport: toen hij zijn bevinding voorlegde aan een Tour-official, was een dag later een Franse renner de pineut.

Gesteggel en gesjoemel, zoals dat in de wielersport al sinds mensenheugenis plaatsvindt, tot ieders heimelijke tevredenheid.

De wielersport is een romantisch bouwwerk uit de vorige eeuw. Ze hebben er een nieuw laagje verf op gesmeerd. Er een modernistisch dakkapelletje opgezet en ze zeggen: kijk, het gebouw is totaal vernieuwd. We doen volop mee in de ratrace, in de dollarslag en het gevecht om de tv-minuten. We zijn golf geworden, tennis, Amerikaans basketbal. De Tour Het Grootste Jaarlijkse Sportevenement Ter Wereld! Komt dat zien! Driehonderd Miljoen Omzet Per Jaar!

Maar de echte tradities in het wielrennen zijn van gepantserd staal, ongevoelig voor erosie. Hoe graag de nieuwe vormgevers van de sport haar ook willen voorzien van een imago van speed, colour and danger, hoe vaak zij ook wijzen op de noodzaak van ingrijpende vernieuwingen in verband met de hevige concurrentie met andere sporten, welke fraaie structuren zij ook uit hun hoge hoed toveren, wielrennen blijft de sport van het volk. Van de jongens van het platteland die zich het leplazerus trappen.

Katholieke jongens meestal, aardige jongens, met vrouwen die thuis een kaarsje branden.

Dat die jongens zo nu en dan een beetje dope nemen, dat ze wel eens een dealtje sluiten, so what? Wie zonder zonde is werpe de eerste steen. Bovendien, wat is er vervelender dan kijken naar 'pure sport', naar de golfer met zijn rare schoenen en correcte corpsbal-kop, die een balletje in een gaatje probeert te slaan? Wat heeft dat suffe gedoe nog met het echte leven te maken?

Ze zeggen: in de tijdrit, daar komt het erop aan, daarin kan de linkebal zich niet verschuilen. Dat is het meest pure, het meest eerlijke wielrennen. Jazeker, maar ook het saaiste.

Coppi had Cavanna, zijn blinde verzorger. Mephisto in hoogsteigen persoon, magische rommelaar met een masseursdiploma. Zoals er nog steeds tientallen in het peloton rondlopen. Met flesjes en pilletjes en zalfjes, een magic touch in alle vingers en een vleiende stem die onzekerheid doet smelten.

Al zijn ze gerespecteerd dottore en gevierd wetenschapper: ze maken hun entree in de wielersport en die grijpt ze bij de keel. Ze veranderen in medicijnmannen en meesters van de preparatie. 's Avonds bij een goed glas wijn, op een zwoel Frans terras, maken ze zich vrolijk om Manfred Donike, de domme Duitse dopingjager die niets van het cyclisme wil begrijpen.

De coureur gooit het laken van zich af en kijkt naar zijn lijf. Naar het diepe bruin van zijn onderarmen en onderbenen. Naar het lichtgevende wit van de rest van zijn lichaam. Lelijk, denkt de coureur. Hoe krijg ik dat weer een beetje in evenwicht, straks, op Aruba?

In weinig lijkt de wielersport op de andere populaire sporten van de jaren negentig. De sporten waarin de toppers zich ver hebben verwijderd van hun bewonderaars. In het tennis bijvoorbeeld, waarin Richard Krajicek, nog niet eens echte top, zich beklaagt dat hij in een jaar tijds al acht interviews heeft gegeven - afspraken via zijn managementsbureau graag, wellicht bent u over een maand of twee aan de beurt. Als Richard dan tenminste zin heeft.

En de wielrenner? Tony Rominger, veelvoudig miljonair, nummer één van de wereld. Je kijkt in welk hotel hij verblijft, je loopt naar de receptie en je belt zijn kamer. Je vraagt of hij tijd voor je heeft. Heeft-ie altijd. Een uur genoeg? Greg LeMond in zijn grote jaren: hij kwam het hotel binnen, je tikte hem op zijn schouder. 'An interview? Of course. I'm coming.' Zo'n honderdvijftig per jaar werkte hij er af, met volle inzet.

De journalist komt bij Frans Maassen thuis voor een gesprek. De renner heeft zijn vrouw het huis uitgestuurd (dit zijn mannenzaken). Lang interview. En dan: Frans Maassen geeft de journalist bij vertrek een appeltje mee, voor onderweg. Geeft Pete Sampras zijn interviewer een peertje mee? Een donut desnoods? Nee, komt niet bij hem op.

Waarom bij de wielrenner wel? Omdat die weet dat het zo is gegaan sinds ze om het hardst van Parijs naar Brest fietsten en terug. Een verbond van een eeuw tussen fiets en pen, zadelleer en krantenpapier, inkt en zweet.

Bovendien staat in zijn contract dat hij altijd beschikbaar moet zijn en is zijn jaarinkomen een nauwkeurige optelling van de waarde van tv-seconden, krantenregels, vierkante centimeters foto en radioquotes.

Laurent Fignon wilde een journalist nog wel eens een hijs voor de kop geven. Waar maak je dat nog mee tegenwoordig, dat de halfgoddelijke topatleet zich verwaardigt de kruiperige pennelikker te slaan? Daarvoor moet hij de verslaggever in elk geval zien stáán.

Tennissers slaan niet. Die láten hooguit slaan, door ingehuurde kleerkasten, terwijl ze zelf met lege ogen naar de camera's grijnzen.

Leg de deelnemers aan een Grand Slam-toernooi één nacht in een hotel van het niveau waarin het peloton in de Tour de France minstens vijftig procent van de nachten doorbrengt, en in de eerste ronde wordt massaal getankt. Algehele desertie.

Zet ze na een loodzware tennisfinale onder douches als die van het verrotte stadion in Roubaix en laat daar ondertussen een leger journalisten en camerateams rondstruinen, terwijl het er door de open deuren en kapotte ramen tocht als de neten.

Kun je lachen.

Maar de wielrenner veegt de modder van zijn besmeurde gezicht, zet de sputterende kraan aan en geeft beleefd rillend antwoord op de stomste vragen.

Slaven van de weg? Miguel Indurain verdient ruim vijf miljoen per jaar. Maar in zijn hoofd zit geen arrogantie. Niemand weet wat wel, maar zeker geen arrogantie.

Zijn gele trui is voor de Maagd van Rosario of voor de Paus of voor de Heilige Bernadette. En als die erop staan, krijgen ze zijn fiets erbij. Maar voor zijn rackets moet de heilige vader gewoon naar de sportzaak op de hoek.

Ze hebben hun wereld in eigen hand, de tennissers. Ze maken zelf uit waar ze spelen. Ze weten dat hun eisen worden ingewilligd nog voor ze zijn gesteld. Ze vinden het normaal dat iedereen voor ze kruipt. Ze zien de wereld aan voor een tennisbal: met één hand te manipuleren.

De wielrenner is anders, die wordt gemanipuleerd. De ploegleider, de dokter, de organisator, de journalist en de sponsor zijn z'n dictators. Zelfs de reclametrutjes op het erepodium kunnen met hem doen en laten wat ze willen. De wielrenner is een nederig mens.

Beiden zijn ze de rechtstreekse afstammelingen van de eerste beoefenaars van hun sport. De tennissers van de hoogverheven adellijke jongeheren die de verveling verdreven met een game, set and match. De coureurs van de arme donders uit Noord-Frankrijk, Vlaanderen en Lombardije die voor een paar franken of lires wel bereid waren het nieuwe produkt van de fietsfabrikanten te promoten in monsterlijke wedstrijden onder bizarre omstandigheden.

Het is een archaéche sport gebleven, het wielrennen. Een wedstrijd als de Tour de France is een archaéch sportevenement. Het is een drie weken durende blik terug in de tijd. Vierduizend kilometer pezen tegen veertig in het uur, beklimmingen die motoren doen koken, temperaturen die goed zijn voor een zonnesteek, of een rilsessie van twee uur. Tweeëntwintig dagen achter elkaar, met hooguit één dag rust.

De coureur kijkt naar zijn naam op een rose papiertje. Hij leest de namen die boven hem staan. Hoeveel lijden ligt er nog tussen de plaats die hij inneemt en de plaats die hij ambieert?

De coureur slaat een mug dood en staart naar een pornootje op Canal Plus, op het kleine tv-tje, aan een zwenkarm, hoog in de hoek van zijn kamer met verwelkt bloemetjesbehang.

Gelukkig hoeft-ie vanavond niet aan het infuus.

Denk het bestaan van de wielersport even weg en stel je dan voor dat iemand met een plan voor zo'n wedstrijd komt, een dwaze rondgang door Frankrijk, nu, in 1994. Weggehoond, weggelachen, bekritiseerd door psychologen en medici. Onverantwoorde zaak, volstrekt onmogelijk, het idee van een psychopaat.

Maar hij bestaat dus gewoon, de Tour de France, zonder dat veel mensen stilstaan bij het feit dat ze getuige zijn van het Circus van de Waanzin, het Toneel van de Dwazen.

Waarom treden ze op, de artiesten? Niet omdat ze er steenrijk van worden. In de Tour van 1994 starten miljonairs, een stuk of dertig. Maar er staan vanmiddag ook mannen op het startpodium die het doen voor zestigduizend gulden per jaar, bruto. Die weten wat er van hen verwacht wordt: water halen, jassen wegbrengen, kopman uit de wind zetten, journalisten van heroéche verhalen voorzien. En wie klaagt is een zeur.

De meesten doen het omdat ze bij God niet weten wat ze anders zouden moeten doen, wat een erg goede reden is.

Sommigen hopen op een wonder dat hen voor één keer hun eigen kleinheid zal doen vergeten. Eén keer met de handen omhoog. Even onsterfelijk. Even de droom van een groot contract.

Notre Dame des Cyclistes bid voor mij, kleine klepper in een wonderlijke wereld.

Er is niets veranderd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden