Aan mijn lijf geen vreemde man

Hoe reageren mannelijke artsen als een vrouwelijke moslimpatiënt zich niet wil laten aanraken door een man? Er is een richtlijn, maar die voorkomt niet dat medici soms moeten schipperen....

Na de bevalling op de polikliniek bleek dat de placenta was achtergebleven in het lichaam van de Somalische vrouw. Een mannelijke arts kwam even later de kamer binnen, om de moederkoek eruit te halen. De Somalische schoot samen met haar echtgenoot de gang op; druppels bloed vielen op het linoleum. Wèg wilde het echtpaar – er mocht absoluut geen vreemde man aan haar lichaam komen. Gelukkig liep er net een vrouwelijke arts voorbij, zegt gynaecoloog Jan Lind van het Haagse ziekenhuis MCH Westeinde. Ze was vrij, maar moest nog een administratieve klus doen. ‘Zij was zo aardig om in te springen. En zo gaat het eigenlijk de hele tijd als vrouwelijke patiënten geen mannelijke arts accepteren: we proberen altijd iets te regelen, een oplossing te vinden. Maar wat als die vrouwelijke gynaecoloog daar niet toevallig had rondgelopen? Wat als die Somalische vrouw voor het ziekenhuis in elkaar was gezakt? Dan valt iedereen over je heen.’

Jan Lind is jarig vandaag – hij is 53 geworden – maar neemt de tijd om te vertellen, in een spreekkamer op de polikliniek: ‘Het onderwerp gaat me aan het hart.’ Ziekenhuis Westeinde grenst aan de Haagse Schilderswijk, hartje multicultureel Nederland. 70 procent van de vrouwen die hier bevallen, is van buitenlandse afkomst. Op de afdeling gynaecologie (ze hebben het geturfd) zijn al 122 nationaliteiten geholpen. Jan Lind, opgewekt: ‘Dan denk je dat je de Bosatlas kent, maar er zitten toch nog landen tussen waarvan je nog nooit hebt gehoord.’ Ongeveer de helft van zijn patiënten heeft een islamitische achtergrond. Zo’n extreem incident als met de Somalische vrouw komt hooguit eens per jaar voor, schat hij. Maar ook in zijn dagelijks werk met moslimpatiënten voelt hij zich geregeld belemmerd – als die hem op grond van hun geloof verbieden de vrouw aan te raken. ‘Het is een kleine groep. Maar die is de laatste jaren wel groter geworden.’

Kijk, dat hij sommige moslimvrouwen geen hand mag geven; daaraan stoort de gynaecoloog zich allang niet meer. ‘Dat overkomt me drie, vier keer per dag. Meestal als hun man of een familielid erbij is. Ik heb eelt op mijn ziel gekregen.’ Soms ziet hij er nog wel de wrange humor van in. Als een vrouw hem een hand geeft door haar jaszak heen – zodat er nog een laagje stof tussen zit. Waar Lind veel meer moeite mee heeft, is als hij van een moslima (meestal op aandringen van haar man) niet eens aan de buik mag komen, op de polikliniek. Een afspraak met een vrouwelijke arts kan altijd geregeld worden, maar Lind voelt zich dan tekortschieten. ‘Ik wil weten of ik het goed doe. Ik wil weten of iemand voor een acuut probleem komt. Dat is lastig als je geen echo kunt maken, geen bloedonderzoek kunt doen. Zeker als er ook nog een taalbarrière is.’

Soms lost hij het op door een vrouwelijke co-assistent de echo te laten maken, terwijl hij zelf strak naar het scherm kijkt. ‘Dan zeg ik: ‘Stukje naar links, stukje naar rechts, een beetje zus, een beetje zo.’’ Een praktische oplossing ja, maar het hóórt niet, vindt hij. ‘Het is niet leuk om je werk maar half te kunnen doen.’

En er zijn de vrouwen die met spoed de verloskamer worden binnengebracht om te bevallen en van wie de echtgenoot geen mannelijke gynaecoloog accepteert. Gelukkig, zegt Lind, kunnen hij en zijn andere mannelijke collega’s goed sussen en praten, mocht er geen vrouwelijke arts dienst hebben. ‘Dan speelt de een de good cop en de ander de bad cop. De een gaat boos naar binnen en de volgende is vriendelijk. Fikse discussies hebben we gemiddeld eens per maand.’

Meerdere malen per jaar moet hij zich in vreemde bochten wringen. Dan verleent hij tot zijn grote spijt ‘suboptimale zorg’, dan moet hij ‘schipperen’. Bij een kunstverlossing, bijvoorbeeld. Als hij zelf de vacuümcup niet mag inbrengen bij een patiënt om het kindje te halen, maar dit door een vrouwelijke assistent of verloskundige laat doen, omwille van de lieve vrede.

‘Met mijn hand aan een kettinkje doe ik dan die bevalling, om het directe contact te vermijden. Maar o*’ Hij maakt een kreungeluid: ‘Tot nu toe gaat het goed. Maar stel dat het misgaat, dat de cup er een paar keer afschiet en er een licht gehandicapt kindje ter wereld komt: hoe moet ik me dan verdedigen?’ Dat hij zich in zo’n geval harder moet opstellen en bij voorbaat alle hulp zou moeten weigeren, klinkt mooi in theorie, maar werkt niet in de praktijk, zegt hij. ‘Als je dat doet, wil je wel zeker weten dat je gedekt bent. En mij is niet duidelijk in hoeverre ik gedekt ben. Juridisch niet, maar ook maatschappelijk niet. De ene helft van de politiek zegt: ‘Je moet je keihard opstellen.’ De andere helft zegt: ‘Wheeling and dealing.’ Dus onderhandel je maar.’ Aan de nieuwe richtlijn van de artsenorganisatie KNMG heeft hij weinig. Als de situatie levensbedreigend is, zegt de artsenorganisatie, moet de patiënt het doen met de beschikbare man of vrouw. Is de situatie minder spoedeisend, dan heeft de patiënt de vrije keuze.

De richtlijn kwam tot stand na veel discussie en stukken in het artsenblad Medisch Contact. De discussie begon vorig jaar, nadat de echtgenoot van een moslima uit Irak ’s nachts een mannelijke gynaecoloog uit de operatiekamer had gezet. Het ziekenhuis belde een ambulance, om de moslima te laten vervoeren naar een ziekenhuis waar wel een vrouw dienst had. Ze bracht ternauwernood een gezond kind ter wereld.

In een column in het artsenblad schreef radioloog Floris Sanders: ‘Het loopt zo langzamerhand de spuigaten uit. Gesluierde moslimdames die binnenkomen voor allerlei onderzoek, begeleid door hun mannelijke cipiers (echtgenoten, broers, vaders, zoons) die op hoge toon eisen dat hun vrouwelijk familielid door een vrouwelijk personeelslid zal worden onderzocht. (*) Laatst overkwam dat een mannelijke echografisch laborant drie keer op een dag. (*) Hij voelde zich respectloos behandeld. En gelijk had hij.’

In hetzelfde blad stond een stevig hoofdredactioneel commentaar: ‘Massaal wakker worden collega’s, en vlug één lijn trekken voor het te laat is. Stop met het toelaten van de discriminatie en seksuele insinuatie op uw professionele gedrag.’

In december kwam de artsenorganisatie met haar nieuwe richtlijn. Helaas, vindt Lind: ‘Het standpunt van de KNMG richt zich zuiver op acute situaties.’ En daar heeft hij niet zoveel aan. In geval van nood ging hij toch al zijn eigen gang. ‘Als een vrouw een nabloeding heeft en in shock raakt, kan zo’n man brullen wat-ie wil, maar dan zet ik ’m in de hoek en doe ik mijn werk, hoor. Alleen: er zijn ook gevallen die niet zo acuut zijn, maar wel gevaar opleveren voor moeder en kind. Dat je moet inschatten: heb ik nog een uur, of treedt er eerder schade op?’

Af en toe gaat hij met weigerachtige moslims nog de discussie aan: waar staat in de Koran dat ik uw vrouw niet mag behandelen? ‘Het is mijn cultuur’, krijgt hij dan uiteindelijk te horen. ‘U moet respect hebben voor mijn cultuur.’

Jan Lind, ’s avonds, in een tweede gesprek: ‘Ik sta ervan versteld dat mannen die cultuur belangrijker vinden dan hun vrouw en kind. Dat je daarom genoegen neemt met suboptimale zorg. Dat je de gezondheid van je vrouw en kind daarvoor op het spel zet. Het is niet eerlijk.’

Een vrouwelijke collega van Lind reageert voorzichtig, als haar wordt gevraagd tegen welke multiculturele problemen ze oploopt in haar werk. ‘Mag ik de tekst van tevoren lezen?’, vraagt Marjolein Kagie over de telefoon. ‘Het onderwerp ligt heel, heel gevoelig.’

Later, op de gemeenschappelijke kamer van de gynaecologen, zegt ze: ‘Ik denk dat het vooral de mannen zijn op onze afdeling die in lastige situaties terechtkomen. En onze mannen lossen het eigenlijk altijd op. Dat het escaleert is zeldzaam. Maar de vrouwelijke gynaecologen maken natuurlijk niet mee hoe de mannen moeten praten en uitleggen om dat voor elkaar te krijgen.’

Patiënten zonder haast kunnen in het Westeinde altijd terecht bij een vrouwelijke arts, benadrukt Kagie. ‘Daarvan zijn er genoeg.’ En in acute gevallen is het simpel: dan krijgen de patiënten geen keus – daarover zijn alle vrouwelijke gynaecologen in Westeinde het eens. ‘Als je dienst hebt, gedraag je je naar een dokter die dienst heeft. Je bent in de buurt, je drinkt geen glaasje, je zorgt dat je op en top in vorm bent om je werk te kunnen doen. Iemand zonder dienst, pluk je niet uit zijn vrije avond omdat de patiënt de voorkeur geeft aan een arts van het andere geslacht. Daarvoor komen de vrouwelijke artsen niet. Anders kunnen we elke nacht opdraven.’

Kagie heeft ook weleens meegemaakt dat een patiënt op de operatiekamer zei: ‘Ik wil geen kleurling als anesthesist.’ ‘Tja, hoever moet je gaan? Moet je dan zeggen: ik haal een andere anesthesist?’

Ze denkt dat ook veel Nederlandse vrouwen liever een arts van het eigen geslacht zouden willen, als ze daarvoor in spoedgevallen zouden kunnen kiezen. ‘Maar als Nederlandse vrouwen hebben we nu eenmaal afgesproken: laat maar. Je begrijpt dat het niet kan. Ik heb de volgende dag wél spreekuur, als ik in mijn vrije nacht een bevalling zou doen bij een patiënt die graag een vrouw wil. Dan doe ik mijn andere patiënten tekort. Die hebben recht op een wakkere dokter. Als de patiënt het tijdstip kiest, kiezen wij de dokter. Overigens is het vooral die man die het probleem maakt. Voor de vrouw ligt het toch anders.’

Kagie maakt ‘heel geregeld’ mee dat ze geen hand krijgt – tot haar ongenoegen. ‘Als ik mijn hand uitsteek en iemand weigert die hand, vind ik dat zeer onaangenaam. Dan word ik geschoffeerd in mijn cultuur. En soms zeg ik er ook iets van.’ Haar pieper gaat – ze verontschuldigt zich. Nog even, op de valreep: ‘Als we ons vak uitoefenen zijn we geen man of vrouw. Dan zijn we geslachtsloos. Dan zijn we arts.’

Ach ja, zegt zorgmanager Henk Selier van de afdeling cardiologie later die middag, hij krijgt ook weleens geen hand van een moslima. ‘Als mensen niet willen, dan niet. Wie ben ik om daarover problemen te maken? Waarom moet je zoiets afdwingen, als iemand je verder netjes gedag zegt? Zo iemand is ziek, die voelt zich al rot.’ Hij heeft ervaren: ‘Als het bezoek erbij is, gebeurt het weleens dat je helemaal niets bij een vrouwelijke patiënt mag doen. Zo wordt de schone schijn opgehouden voor de familie. Terwijl alles best is als de visite is vertrokken.’

De kamer die de zorgmanager deelt met andere verpleegkundigen, op de vijfde verdieping van het Westeinde, kijkt pal uit op de Schilderswijk. Zijn afdeling heeft dertig bedden, waaronder drie vier-persoonskamers. In Westeinde wordt gemengd verpleegd, vrouwen en mannen liggen naast elkaar op een kamer. Dat mag niet, in de islamitische cultuur. Als ergens problemen over worden gemaakt, is het vooral daarover, zegt Selier. ‘Dat geeft soms scheve ogen. We doen ons best. Als de patiënt niet met iemand van het andere geslacht op een kamer wil liggen, houden we daar rekening mee. Is er geen ander bed vrij, dan hebben de patiënten weinig keus.’ Er zijn twee felbegeerde eenpersoonskamers. Die zijn voor de allerzieksten – niemand kan eisen apart te worden gelegd op grond van geloof.

‘De klant is koning’, zegt Selier. ‘Als een moslima écht niet door een man verzorgd wil worden, is er altijd wel een vrouwelijke verpleegkundige te vinden. Of je zegt: ‘Misschien kan vandaag uw familie u wassen.’ We proberen iedereen in zijn waarde te laten.’

En in noodsituaties is het duidelijk, zegt de zorgmanager.‘Dan accepteer je geen nee. Als een patiënt een hartstilstand krijgt, ga je niet zoeken of er een vrouwelijke arts of verpleegkundige is. Dan bonjour je de familie de kamer uit en doe je je werk. Klaar.’

Zo hoort het ook, vindt verpleegkundige Farid Amaarouk, afkomstig uit Marokko. ‘Spoed is spoed.’ Hij kan zich niet voorstellen dat een echtgenoot weigert zijn barende vrouw te laten helpen door een mannelijke gynaecoloog. ‘Zo’n man is toch*’ Hij wijst met zijn vinger naar zijn voorhoofd. ‘Ik vind het zo dom. Ja, dom.’

Hij werkt sinds zes jaar bij de hartbewaking. Nog nooit heeft een vrouw geweigerd zich door hem te laten verzorgen, zegt hij. Een tijdje geleden protesteerde de strenggelovige echtgenoot van een jonge patiënte tegen hem: hij had liever een zuster dan een broeder voor zijn vrouw. ‘Dan zeg je tegen zo’n man: ‘Het kan niet anders.’ Binnen twee minuten was het klaar.’ Het is simpel, zegt hij. Als je in het ziekenhuis ligt, moet je het doen met de verpleegkundige die aan je bed komt.

‘Ik denk dat op gynaecologie de keus te veel aan de man wordt gelaten’, zegt Amaarouk. ‘Moet je niet doen. Gewoon keihard zijn. Maar in Nederland breien we er altijd een verhaal omheen. O, denkt een Marokkaan of Turk dan, als het zo gaat, kan ik wel om een vrouwelijke arts voor mijn echtgenote vragen. Je moet duidelijk zeggen: ‘Als ik uw vrouw niet help, gaat ze dood.’ Dat werkt. Dan is het zo over.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden