Aan het einde van een stille weg

'Over twintig jaar zijn er in het hele land misschien nog 25 broeders. Ik hoop dat een historisch klooster als dit dan behouden kan blijven.' Al meer dan 350 jaar wonen de Kapucijnen aan het einde van de Basilius van Bruggelaan in Velp....

ARIEJAN KORTEWEG

'Heb je dat gelezen van die man uit Cuyk?'

'Nee, wat dan?'

'Minstens vijf kilometer heeft ie op drie platte banden gereden. Volgens de politie zaten er meer butsen in de wagen dan je op zo'n eindje kunt oplopen.'

Broeder Macair, een forse gestalte met lange baard aan het andere eind van de kloostertafel, vertelt het verhaal met smaak.

Iedereen lacht. 'Die moet smoorzat geweest zijn', stelt broeder Bernard vast. Hij buigt zich voorover: 'Zeg Macair, dat was toch zeker een parochiaan van jou.'

'Jawel, maar reken mij dat niet aan. Ik ben stagiair.'

Met zijn 39 jaar is Macair veruit de jongste broeder in Velp, en zelfs van de hele Kapucijnen provincie Nederland. Verder zitten aan tafel Bernard (63), gardiaan; Harrie van den Bosch (60), vicarius; de oude Wijnand (82), gekoesterd door zijn medebroeders nu hij niet meer bedlegerig is; Nemesius (68) die zich liever Meindert noemt en als koster voor kerk en koor zorgt; Jan (66) die in Chili werkte; Savio (60) die de helft van zijn leven op Borneo en Sumatra verbleef; tenslotte Frans (75), die voor bloemen en koffie zorgt en vaak de deurwacht overneemt. Dan is er nog Jos, die hier een paar dagen verblijft, om klusjes te doen en te zien hoe het kloosterleven hem bevalt.

De grote eetzaal is gebouwd voor 25 broeders, maar tien eters is tegenwoordig al veel. We krijgen bonensoep vooraf, dan suddervlees, gebakken aardappeltjes, appelmoes, tuinbonen en rode kool, en warme vla of yoghurt met aarbeienmoes toe. 'Hanebloed', noemt broeder Bernard dat.

De afwas is het enige huishoudelijke werk dat de minderbroeders nog zelf doen. Koken, schoonmaken en wassen gebeurt door 'dames'. Twintig jaar geleden was dat ondenkbaar, toen kwam het vrouwvolk niet verder dan de spreekkamers aan de voorzijde. De emancipatie en het krimpende aantal roepingen hebben die barrière geslecht.

Vorig jaar werd gevierd dat in Velp al 350 jaar Kapucijnen zijn. Broeder Meindert had met enkele anderen zonnebloempitten uitgedeeld, de bloem die met zijn grote hart altijd de zon zoekt, zoals Franciscus van Assisi, de heilige van de Kapucijnen, dat met zijn zonnelied deed. Degenen die in het najaar de hoogste bloemen hadden, mochten aanzitten bij het feestmaal. De Boxtelse kantorij zong, de fanfare van Velp speelde, er werd Kapucijner bier geschonken en alle aanwezigen kregen ter herinnering een zakje met gedroogde kapucijners.

Rotterdam, Enschede, Handel, Eindhoven, Langeweg, Helmond - sinds de oorlog hebben de Kapucijnen veel bezit moeten verkopen. Broeder Bernard denkt dat er in Nederland nog zo'n honderdzeventig Kapucijnen zijn, verdeeld over kloosters, parochies en gewone huizen. De orde krimpt, maar hij schrikt daar niet van. 'Napoleon wilde die onnutte monniken verbieden. In 1840 waren er in Nederland nog zes Kapucijnen. Die woonden hier, in Velp. Zo kan het nu weer gaan. Best mogelijk dat het hier zelfs afsterft. Maar elders, in Indonesië of Zuid-Amerika, groeit het weer aan. Macair zal door een bisschop uit Indonesië worden gewijd.' Hij lacht. 'Die wisselwerking vind ik mooi.' Er wordt veel gelachen bij de Kapucijnen.

Bernard is de leider van het klooster. Bij de Kapucijnen heet dat een gardiaan, hoeder van zijn medebroeders. Twee jaar geleden woonde hij nog in het hartje van Den Bosch. 'Het is afgelegen hier, zo aan het einde van een doodlopende weg. Maar het is tegelijk paradijselijk mooi. Mensen zijn vaak jaloers op deze plek.'

De wanden van de spreekkamer hangen vol met gravures van het klooster, oude landkaarten, portretten van weldoeners. Van die overdaad moet Bernard niet veel hebben, een klooster is geen museum. De prenten hingen er al toen hij hier kwam, ze moeten hier maar blijven. Wel zou hij graag de ramen vergroten en het latwerk weghalen, zodat er meer licht naar binnen kan. De gardiaan zegt het berustend. Kapucijnen worden immers geacht een cellulair leven te leiden, ondanks alles.

Een paar maal per jaar drukken streekbladen als De Omroeper voor Groot Ravenstein oproepen af. 'Rouwen om jouw dode', staat er dan. 'Als het nacht is in jouw leven, alle lichten uitgedraaid, als je met je blote handen in de scherven hebt gegraaid van wat kapot is geslagen, schreeuw het dan maar uit.' (. . .) 'De deur van het Kapucijnenklooster staat voor je open.' Andere thema's: 'Kennis maken met de bijbel', 'Zonder partner verder', 'De spiritualiteit van Clara van Assisi.'

De monniken van Velp zijn zelden onder elkaar. Naast die cursussen voor streekgenoten is er driemaal per maand een kennismakings- of verdiepingsweekeinde. Franciscus van Assisi en zijn eenvoudige geloof zijn in trek. De gastenverblijven op de eerste verdieping zullen op termijn zelfs worden vervangen door een uitbouw met meer comfort.

Velp heeft dezelfde grondvorm als alle Kapucijnen kloosters: het hart van het gebouw is een pandhof met graven en enkele bomen, daaromheen loopt een gang, waaraan ingang, eetzaal, kerk, koor en gemeenschapsruimte liggen. Op de eerste verdieping zijn de kamers van de monniken, daar tikt ook de kolossale klok uit 1747 die vroeger de dagorde afkondigde.

In de ruimte op zolder waar Harrie van den Bosch vanavond meditatieles zal geven, staan stoelen rond een boomstronk. Aan de wand hangt een plakkaat, waarop het woord 'ik' is omcirkeld. Het wordt bedreigd door pijlen, afgeschoten vanuit 'haast', 'lawaai' en 'verstrooid'. Onder de hanebalken hangt de was te drogen. In een afgescheiden deel is de bibliotheek. De eerbiedwaardige oude banden worden zelden geraadpleegd. Velp is geen studiecentrum.

Op het bellenbord in de hal staan acht namen in sierlijke letters, met daarachter een code. Lang-kort-kort, dat is het signaal voor broeder Harrie. Hij is een van de weinigen met zowel een werk- als een slaapkamer, zodat zijn bezoekers kunnen roken zoveel ze willen.

Zijn werkkamer is huiselijk: een wand met boeken, een stereotoren, de computer die hij kreeg bij zijn veertigjarig jubileum. Op een plankje liggen autosleutels. Een schaal met wit zand, bestrooid met bloemblaadjes, staat op tafel. 'Symbool voor het levenspad.'

Hoe zit het toch met de gelofte van armoede die de Kapucijnen afleggen? 'Het gaat niet zozeer om het bezit, maar om de gehechtheid', verklaart Harrie. 'Franciscus zou zeggen: om de geest van de armoede. Alles wat je ziet heb ik gekregen, het heeft een verhaal. Je verdiensten gaan hier in een grote pot. Wat je nodig hebt haal je daar weer uit. Wij vragen geen vergoeding voor cursussen; geef maar wat je missen kunt.'

Vroeger gingen de broeders op 'termijn', op bedeltocht langs de huizen. Nu krijgen sommigen AOW, en er is na de oorlog nogal wat bezit verkocht. Toch zit het klooster volgens Harrie in de rode cijfers. De activiteiten van Velp worden door de hele Kapucijnen gemeenschap gesteund.

Tastend praat hij over het kloosterleven. 'Dat optimistische, volkse van de Kapucijnen heeft me altijd aangesproken. De zelfspot ook, er is hier toch een stukje humor. Verroest, denk ik vaak, het is toch iets moois. Zo'n stelletje mannen dat driemaal per dag gaat bidden en zingen en voor elkaar wil weten: dit doen wij. Maar zo ver ben ik pas sinds een paar jaar. Ik heb lang moeite gehad met onze manier van bidden, met die psalmen ook.'

Harrie heeft twijfels bij de strakke dagorde van het monachale leven. 'Wij schrompelen ineen van een grote communiteit tot kleine, broze leefgroepen. Ik weet niet of het kloosterleven in deze vorm toekomst heeft. Nu wordt 's morgens de motor gestart, en die rolt door tot 's avonds aan toe: half zeven op, zeven uur bidden, acht uur ontbijt, half elf koffie, kwart over twaalf bidden, half een eten, half drie koffie, zes uur bidden, half zeven eten, acht uur Journaal, half tien recreatie, half elf sluiting. Daarna kijken Macair en Bernard vaak nog naar Nova.

'Wellicht moeten we flexibeler worden, ons meer bewust worden van ons ritme. Ik ben daar nog niet uit. Maar zolang we zoeken, is het goed. De spiritualiteit van Franciscus heeft altijd weer kiemkracht.'

In het klooster is volgens Harrie ruimte voor verschillende opvattingen. 'Wijnand en ik staan bijvoorbeeld lijnrecht tegenover elkaar in onze kerkopvatting. Op dat al te dogmatische ben ik afgeknapt. Tegelijk was dat mijn midlife-crisis. Voor oudere broeders is de wil van overste, paus of kerk vaak nog wet. Ik wil een persoonlijker, gevoelsmatiger geloven.'

Harrie draagt een trui en grijze broek. 'Met m'n habijt lieten ze me voorgaan bij de dokter, of in de bus. Dan baalde ik als een stekker. Het religieuze leven schuilt niet in wat je aanhebt.'

Lang-lang-kort-kort-kort, dat is het signaal voor Savio. Vanuit zijn kamer heb je een mooi uitzicht op de kloostertuin, met links de sobere houten kruizen van het kerkhof en rechts de moestuin en de fruitbomen. Achter de muur ligt het stijf bevroren wiel, eeuwen geleden ontstaan bij een doorbraak van de Maas.

De inrichting is sober: zeil op de vloer, bureautje, aquarium met tropische visjes - 'die stemmen me rustig'. Boven z'n bed hangt een foto van de paus, erop ligt een bewerkt kleed. Een ulos van Sumatra, legt hij uit. Ooit zal die op zijn kist liggen.

Savio draagt 'kap en koord', het bruine habijt met touw om het middel en lange puntmuts. Daaronder een bruine trui en spijkerbroek. 'Door het habijt voel ik me verbonden met m'n medebroeders overal ter wereld. Maar het is ook praktisch. Onder het habijt kun je alle oude troep afdragen.'

Hij is nu twee jaar en vijf maanden terug uit Indonesië. Zijn rug en knieën hadden het begeven, anders was hij graag nog wat gebleven. 'Het eerste jaar ging ik door een diep dal. Maar ook hier zijn zeer gemotiveerde mensen, met wie je samen op zoek kunt gaan. Dat is toch boeiend.

'Franciscanen stonden vroeger vaak voor de klas. Ik had een verlangen naar de allerarmsten. Woonwagenkampen, gevangenissen, asociale wijken, dat is waar de Kapucijnen werken. Het is de vita mixta die mij trok, de spanning tussen enerzijds het gebed, anderzijds de inzet voor de armen. Soms neigen we een tijd naar de stilte, dan weer naar de actie.'

De groepen zullen kleiner worden, beseft ook Savio. 'Over twintig jaar zijn er misschien nog 25 broeders. Ik hoop dat een historisch klooster als dit behouden kan blijven.'

In de hal wijst hij op het grote bord met de namen van alle hier begraven broeders. Nummer 1 is Laetantius, gestorven in 1656, Tobias heeft nummer 312. 'Het kerkhof is nogal uitgebreid', vertelt Savio. 'De overleden broeders van Helmond, Handel, Enschede en Eindhoven zijn na de sluiting van die kloosters ook hier begraven.'

In de recreatiekamer zit Wijnand, zijn voeten op een stoel. De tijd is voorbij dat hij met zijn Vespa verre tochten maakte, naar Sluiskil of Babberich. 'Dag Wijnand, zit je lekker zo', zegt Savio. En tegen mij: 'Wijnand wilde mij en Tobias overleven. Tobias is vorig jaar gegaan. Maar ik heb nog geen plannen.'

'Ik ben niet bang voor de dood', zegt Wijnand. 'Maar als ik nog een paar jaar leven mag, is het goed.' Tot zijn dertigste was hij boerenknecht in Noord-Holland. In de schuilkelder had hij gezegd: als ik dit bombardement overleef, dan ga ik in het klooster. Het had nog een half jaar geduurd, daarna was hij gegaan. Eerst in Sluiskil, Zeeuws-Vlaanderen, nu al dertig jaar hier. Hij zorgt voor groente en fruit, heeft zeventienhonderd bomen geplant.

'Ik ben niet zo geleerd als de paters', zegt Wijnand. 'Maar ik zou met niemand willen ruilen.' Hij lacht naar Savio. 'Dit is een goed groepje. De mensen buiten begrijpen weinig van een monnik. Zorgen heb ik niet en alles komt op tijd. Ik ben een van de rijkste mensen op aarde.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden