Aan elkaar snuffelen

Een politiek stuk wordt het, met een topbezetting. Voor ‘Don Carlos’ werken regisseur Theu Boermans en diens Theatercompagnie samen met Toneelgroep Amsterdam – twee gezelschappen die twee jaar terug nog met elkaar wilden fuseren....

Om elf uur ’s ochtends, op de eerste werkdag na het zomerreces, dromt in het bedrijfspand van Toneelgroep Amsterdam een deel van de werknemers (acteurs, technici, kantoordames en -heren, inspiciënten, artistiek leiders, vormgevers, dramaturgen en stagiaires) samen bij de automaat om een keuze te maken uit diverse soorten koffie, waaronder een werkelijk perfecte caffé latte. Een ander deel struint naar het achterhuis om verstopt achter glazen deuren verbeten aan een sigaretje te lurken. Aan de leestafel wordt door een enkeling de ochtendkrant doorgebladerd. Bepaald lawaaiig is het in een hoek van deze kantine annex loungebar waar voornamelijk jonge acteurs een spelletje tafelvoetbal spelen met directeur Ivo van Hove. Gebruind en vol goede moed straalt de directeur slechts één ding uit: dames en heren, de vakantie is voorbij, wij hebben er zin in en we zullen prachtig theater gaan maken.

Van een afstand wordt het tafereel met een glimlach gadegeslagen door Theu Boermans, die bij Toneelgroep Amsterdam te gast is als regisseur van Don Carlos. Dit drama van Friedrich Schiller uit 1784 over de politieke en amoureuze conflicten aan het Spaanse hof ten tijde van Philips II gaat in september in première en toert daarna langs de grote schouwburgen. In een topbezetting, met acteurs als Hans Croiset, Fedja van Huêt, Jacob Derwig, Chris Nietvelt, Frieda Pittoors en Jappe Claes. Het betreft een coproductie van Toneelgroep Amsterdam en Boermans’ eigen gezelschap De Theatercompagnie; de spelers komen uit beide groepen, aangevuld met gastacteurs en stagiaires.

Pikant wellicht omdat er twee jaar terug even sprake was van een fusie tussen beide gezelschappen, die niet doorging omdat niet duidelijk werd wie daarvan directeur moest worden: Van Hove of Boermans. Of misschien wel Johan Simons, die als derde partij meepraatte.

‘Zie dit maar als een beetje aan elkaar snuffelen’, zegt Boermans nu over de samenwerking tussen de twee grote Amsterdamse toneelgezelschappen. ‘Ik liep al jaren met het idee rond Don Carlos te regisseren, maar wilde dat alleen doen met de beste acteurs en voor de grote zaal. Toen heb ik bij Ivo aangeklopt en die vond het een goed plan. Wij hebben die fusiebesprekingen destijds misschien te vroeg gevoerd, maar het is onzin om naast elkaar te blijven werken. Met deze coproductie zijn we allebei gediend. En wie weet, leidt het in de toekomst alsnog tot een fusie, of een andere vorm van samenwerking. Of juist niet. Alles is mogelijk.’

Voor Boermans is Schillers Don Carlos inmiddels een hoogst actueel stuk dat om een hernieuwde opvoering vraagt. De intriges aan het Spaanse hof ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog, het vader-zoonconflict (Philips versus Carlos) met als inzet de liefde voor Elisabeth van Frankrijk, zijn ingebed in een politiek machtsspel. Voor Boermans gaat het stuk over religieuze dictatuur versus vrijheidsideaal.

Boermans: ‘Is de mens in staat zijn vrijheid te dragen? Dat is de kernvraag. Philips denkt van niet. De mens heeft een God nodig en moet gestuurd worden anders gaat het mis en wordt hij een beest, dat is zijn opvatting. Carlos gelooft in de weldenkende mens die zijn vrijheid wel aankan. In deze tijd, waarin bijna alle conflicten over religie gaan, is die botsing erg aanwezig.’

In het kale repetitielokaal staan een kledingrek en veel koffers aan de kant; op een stoel liggen kunststofbloemen en pistolen. Vanwege de hedendaagse setting wil Boermans van Don Carlos per se geen kostuumstuk maken, geen overdadige kasteeldecors, geen jassen met Spaanse kragen. Hij laat het stuk spelen in een kil kantoorgebouw, een koud verlicht machtscentrum vol burelen waar men elkaar voortdurend kan bespieden.

In deze fase van de repetities analyseren Boermans en zijn acteurs kriskras door het stuk heen de afzonderlijke scènes. Dat wil zeggen dat elk woord door de regisseur wordt beetgepakt, omgedraaid, tegen het licht gehouden. Tonen worden aangegeven, klemtonen gezet en weer weggehaald, komma’s, punten, vraagtekens en liggende streepjes van commentaar voorzien.

Elke scène wordt uitgeplozen: taalkundig, semantisch, inhoudelijk. Het doorwerken van een paar bladzijden tekst tussen Fedja van Huêt (Carlos) en Jacob Derwig (Markies van Posa) duurt op deze wijze anderhalf uur. Dan is Hans Croiset (Philips II) aan de beurt.

Boermans: ‘Hans, die scène moet je in totale verwarring spelen! En in onderbroek, denk ik.’

Croiset: ‘O ja, en wordt die onderbroek dan speciaal voor mij ontworpen?’

Boermans: ‘Hans, hou het klein, hou het dicht bij jezelf.’

Vervolgens gaan regisseur en acteur uitvoerig in debat over de diepere lagen in het karakter van de oude koning. Hitler, De Gaulle, Nero – elke leider in zijn nadagen komt voorbij.

Boermans tenslotte: ‘Ik wil een totaal gedesintegreerde macht zien.’

‘Het is net een tsunami, die Theu’, mompelt Croiset.

In de middagrepetitie moeten Derwig en Croiset, acteurs die door hun bedachtzame manier van werken veel op elkaar lijken, samen de vloer op om hun lange scène te repeteren. Wat op papier statige, strenge taal lijkt, is twee uur later voorzien van licht en lucht en vol van betekenis. Maar de spelers zijn bekaf.

Don Carlos telt acteurs van drie generaties: Croiset (69) behoort tot de oudere, Derwig (36) tot de jongere. Jacob Derwig maakt hiermee zijn debuut bij Toneelgroep Amsterdam, nadat hij veertien jaar lang deel uitmaakte van het theatercollectief ’t Barre Land. Na de toneelschool speelde hij bij De Trust in onder meer Drie Zusters en Hamlet, beide in regie van Theu Boermans.

Van een eigen groepje waarin iedereen alles met elkaar doet, naar ’s lands grootste gezelschap. De overgang blijkt minder groot dan verwacht, mede omdat Derwig al met Boermans heeft gewerkt. En dat hij hier met acteurs als Hans Croiset, Fedja van Huêt en Chris Nietvelt mag werken, maakt de overstap tot een genoegen.

Derwig: ‘Spijtig was het wel ja, om bij ’t Barre Land weg te gaan, juist ook omdat het kameraden zijn. En omdat je een gezamenlijke poging iets geheel eigens in het theater te doen, staakt. Maar ik ben trots op wat wij hebben bereikt. De acteur in mij was ook wel toe aan deze stap. Het is al ruim zes jaar geleden dat ik voor het laatst op het toneel ben geregisseerd.’

Derwig maakt nu deel uit van een gezelschap waarin de jonge en jongere mannen oververtegenwoordigd zijn. Naast hem Fedja van Huêt, Roeland Fernhout, Hans Kesting, Eelco Smits, Leon Voorberg, Barry Atsma, Benjamin de Wit en zo nog een paar. Oudere mannen zijn er daarentegen – op Hugo Koolschijn, Joop Admiraal en Fred Goessens na – niet.

‘Gelukkig maar’, zegt Hans Croiset opgewekt, ‘want juist daarom hebben ze mij gebeld om Philips II te spelen. En ik geniet daarvan. Ik ken Don Carlos van haver tot gort, ik heb het zelf twee keer geregisseerd. Bij Het Publiekstheater destijds, en de Verdi-opera bij de Nationale Reisopera. Maar vanaf de eerste dag in het repetitielokaal vergeet ik alles en geef me als acteur over aan de regisseur.’

Croiset noemt Derwig ‘een schat van een jongen, en de enige acteur die alle voetnoten leest’. ‘Over een jaar of tien wordt hij toegevoegd aan de een of andere artistieke leiding.’

Beide acteurs vinden elkaar in hun bewondering voor de minutieuze werkwijze van Boermans, ook al wordt een acteur minstens tien keer onderbroken voordat hij een zin kan afmaken.

Derwig: ‘Je moet natuurlijk niet alle tonen en klemtonen onthouden, maar vooral de gedachten daarachter. Goed luisteren naar wat de bedoeling is, dan krijg je uiteindelijk een perfect handvat voor je rol, en de vrijheid de scène naar je toe te trekken’.

Croiset: ‘Het is pluizen aan een tekst. Hij legt me aan de ketting en dat vind ik heerlijk, als ik er last van krijg, rammel ik er wel aan. Nee hoor, ik word er niet radeloos van, want ik hoor de mogelijkheden. Ik ben nog nooit binnen één week zo snel achter de kern van een personage gekomen als hier.’

Derwig: ‘En wij vinden er zelf ook nog wel wat van. Ik ben niet achterlijk, ik kom heus nog wel toe aan mijn eigen idee over de tekst.’

Croiset: ‘Hoe strenger de regisseur, hoe groter de vrijheid uiteindelijk. Regisseurs die achterover gaan leunen en zeggen: doe maar wat, dat is mode geworden uit onvermogen. Theu bouwt voort op de traditie en voegt daar het zijne aan toe. Je leert bij hem alle hoeken en gaten van het vak kennen. Ik vind hem ook helder, geen gewichtigdoenerij, terwijl het toch over heel ingewikkelde dingen gaat.’

Terug in het repetitielokaal pluizen Croiset en Derwig door aan hun scène. Maar pas nadat Boermans een monoloog gehouden heeft over hoe hij de rollen van Philips II en Posa ziet en en passant vertelt over de strijd tussen Spanje en de Nederlanden en hoe die de verhoudingen binnen het hof op scherp zette.

Croiset, die de statigheid van zijn personage graag onderstreept door de kraag van zijn jas vlak onder zijn kin dicht te houden, heeft van de regisseur te horen gekregen dat dat niet mag.

Croiset: ‘Ik stel me dan te kwetsbaar op, vindt hij. Ik begrijp dat meteen maar vind het ook erg jammer, want het is zo’n fantastisch beeld, die man met dat kraagje.’

Boermans: ‘Ik zeg het omdat jij jezelf dan meteen zo vastzet en daardoor alle tekst ondergeschikt wordt.’

De twee spelers gaan tijdens de repetitie behoorlijk door de mangel. ‘Hans, niet te veel melodietjes in je stem.’ ‘Jacob, dat is een vraag, daar staat een vraagteken, dus wil ik dat vraagteken ook hóren.’

‘Ik snap het wel, hoor Theu, dat komt wel goed’, zegt Derwig op nog net beheerste toon.

Boermans achter de regietafel: dwingend, dreigend, uitleggend, vertellend, verklarend en ook inspirerend. ‘Ik ben de dirigent, vóór mij ligt de partituur, daar zit het orkest, dat zijn de acteurs – en dat alles moet ik bij elkaar zien te krijgen. Dat voorzeggen en voorspelen van mij is in het toneelwereldje onderhand legendarisch, maar ook zwaar overdreven. Het gaat me niet om de toon en klank alleen, het gaat om wat daaronder ligt. Ik probeer als het ware het denktraject te ontwikkelen. Ik fiets mee, ik ben dat vervelende mannetje in de volgauto die naast de wielrenner rijdt en hem aanvuurt: ga door, ja, doorgaan! Maar op een gegeven moment laat ik ze los. Dan hebben ze het stramien te pakken, dan mogen ze luchten, dan mogen ze vliegen.’

Don Carlos is een retorisch stuk, dat vroeger geheel en al op die retoriek gespeeld zou worden. En Boermans weet het ook: retoriek wordt niet meer onderwezen, en bijna niet meer geconsumeerd in de schouwburg. Maar het is hem te gemakkelijk om te zeggen: dan spelen we die stukken maar niet meer.

Boermans: ‘Hans heeft die retorische stijl nog wel onder de knie, de jonkies niet meer, die moeten dat eigenlijk ook niet meer willen. Om het simpel te zeggen: Hans moet ik dingen afleren en de jonkies bijleren, om ze aldus bij elkaar te brengen. Ik probeer een nieuwe stijl te vinden, waarin de taal in stand blijft maar in combinatie met de emoties die het stuk ook heeft.’

In het repetitielokaal ziet hij iedere dag weer hoe oud en jong elkaar vinden in het gretig zoeken naar die nieuwe stijl. Van een generatiekloof lijkt dan ook geen sprake.

Croiset: ‘Welnee, vroeger had je Guido de Moor en Willem Nijholt, nu heb je Jacob Derwig en Fedja van Huêt. Alleen de manier van werken is heel erg veranderd. Ik kom nog uit de tijd dat je U tegen de regisseur moest zeggen, dat je U tegen mevrouw Van der Moer zei, en dat Ton Lutz het goed vond dat je privé je tegen hem zei maar in het openbaar U. Je speelde vijf, zes stukken per seizoen, overdag repeteren, dan de bus in met een zakje brood, ’s avonds spelen en dan maar zien te overleven. Jacob gaat nu om vijf uur zijn kind ophalen. Ik vind dat fantastisch, dat is de nieuwe tijd.’

Derwig: ‘Jij durfde vroeger toch niet met de kinderwagen in de buurt van de schouwburg te komen?’

Croiset: ‘Nee zeg, dat deed je niet, want dan was je een watje. Je behoorde thuis te zitten met het boek in je hand en je tekst te leren.’

Derwig: ‘De acteur is in de loop der jaren sterk geëmancipeerd. Er is nu veel meer overleg, er zijn ook steeds meer acteurscollectieven – samen voorstellingen maken, zonder regisseur, zoals wij bij ’t Barre Land deden.’

Croiset: ‘De acteur is een zelfstandig denkend, spelend wezen geworden.’

Aan het eind van de repetitiedag geeft Boermans een presentatie van Don Carlos voor het hele gezelschap. Gedreven vertelt hij over de politieke impact van het stuk, met lichtbeelden geeft hij een impressie van decor en kostuums. ‘Het gaat hier om een dictatuur, maar wel eentje waaraan een modeontwerper te pas is gekomen. De rangorde van de personages is af te lezen aan de lengte van de jassen.’ Boermans aan het werk bij Toneelgroep Amsterdam: het ziet er als vanzelfsprekend uit.

Jacob Derwig spoedt zich intussen naar zijn zoon. Croiset vertelt desgevraagd dat hij het druk heeft. Na Don Carlos gaat hij bij Van de Ende Theaterproducties One Flew over the Cuckoo’s Nest regisseren en intussen speelt hij een excentrieke maffiabaas in de Talpa-serie Parels en Zwijnen. En o ja, hij is vast van plan een nieuw gezelschap op te richten dat het klassieke wereldrepertoire moet gaat spelen voor een nieuwe generatie toneelbezoekers.

Croiset: ‘Stoppen? Welnee, kom nou zeg! Ik ga door, het is mijn bestaan. Mijn beste jaren moeten nog komen.’

Boermans lacht en spreekt hem niet tegen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden