Aan de ziel van Sil valt niet te tornen

Het eiland is zijn boeren en zeelui goeddeels kwijtgeraakt. Met de badgast kwam de welvaart. Maar het archetype van de Terschellinger, stoer als de bakstenen Brandaris, heeft standgehouden.Door Toine Heijmans

Hij kent de nummers van de melkbussen uit zijn hoofd. Het is vijfendertig jaar later. Maar hij kent ze en hij weet wat er gebeurd is met de boeren, die schuilgingen achter de bussen.


Nummer 182: 'Cupido. Die is geen boer meer.'


Nummer 180: 'Verduijn. Is een camping begonnen.'


Jan Douwe Pals, voorheen de melkman, rijdt door de Hoofdstraat van Terschelling, de weg die een lint van dorpen verbindt en na een tijdje Dorpsstraat heet. Hij rijdt het rondje dat hij vroeger reed, toen hij de melk van de boeren naar de zuivelfabriek bracht. Wat er veranderd is, vraag ik. 'Alles is veranderd, jongen', zegt Jan Pals. 'Veel boeren zijn er niet meer, en het is welvaart wat je ziet.'


De Hoofdstraat is nog nooit zo druk geweest, zegt hij, en de auto's die er rijden waren nog nooit zo luxe.


Zijn hele leven bracht Jan Pals door op Terschelling, uitgezonderd de oorlogsjaren. Hij herinnert zich een arme jeugd. De rauwe armoede van Sil de strandjutter, het beroemde boek over Terschelling, kroniek van een kaal en onromantisch bestaan. De schrijver, Cor Bruijn, kwam in de jaren twintig als badgast naar het eiland, verbleef er in een boerderij, bekeek er het leven en boetseerde het Terschellinger archetype Sil Droeviger: boer en jutter, hardvochtig en heldhaftig en gevoelig tegelijk. Vorig weekend nog is een monument voor hem opgericht in Oosterend - een monument ook voor het oude Terschelling.


Jan Pals is 72. We hebben elkaar dertig jaar niet gezien. Hij is niks veranderd: een joviale man met een stem die van even verderop lijkt te komen. Hij verhuurde het kampeerveld waar ik als kind kampeerde in de jaren zeventig en tachtig, zomer na zomer. Het was een landje van niks aan een hoog duin met alleen een pomp voor drinkwater en een beerput als toilet. Bijna elke dag kwam Jan Pals vertellen wat voor weer het werd. Hij was melkman en weerman tegelijk.


We fietsen naar het veldje. Jan Pals heeft het verkocht. Het is kleiner nog dan ik me herinner, een postzegel. Er staan chalets op nu. Ze staan als gigantische witte ganzen in het gras.


'Weet je wat die kosten om te huren?', zegt Jan Pals. 'Vijf-, zeshonderd euro per week, jongen. Echt waar! Toen mijn oom dit terreintje kreeg, wilde niemand het hebben. Het was zandgrond. Droog als koeienmest, zei mijn oom. In de jaren zestig mochten er tenten op; iedereen met een landje rende naar de gemeente om een vergunning te halen. Daar is het begonnen, hè.'


Zijn vader was zeeman. Op Terschelling waren ze allemaal boer of zeeman of visser of alles tegelijk, en strandjutter erbij. Ze leefden er in zichzelf gekeerd, gelovig, met tradities die je nergens anders zag, en tegelijk wisten ze er alles van de grote wereld. De post bracht er zeemansbrieven uit Batavia, Yokohama of Valparaiso - de cultuurhistorische vereniging Schylge myn lântse heeft er een mooie verzameling van.


Die dubbele geschiedenis, plus de armoede van Sil Droeviger, is de ziel van Terschelling. En aan de ziel van Terschelling zullen ze niet tornen. Ze blijven er stoer als de bakstenen Brandaris. Ook al zijn de boeren en de zeelui vrijwel verdwenen, en zitten de Terschellingers bijna allemaal in de recreatie, de branche die het eiland overeind heeft gehouden.


'Och jongen', zegt Jan Pals. 'Als er geen badgasten waren gekomen, dan was er van het eiland weinig overgebleven.'


Zie verder p2


Nieuw vel voor het eiland

Vervolg van p1


Jan Pals heeft de hoofdrol in een van mijn eerste jeugdherinneringen. Hij zit aan het stuur van de melkwagen. Ik zit naast hem, mijn benen opgetrokken; onder de voorruit van de vrachtauto heb ik een kindertekening gelegd. Het is 1974. Ik ben vijf. We rijden het eiland rond. Jan Pals is de melkman, en ik ben de koning van Terschelling.


De tankwagen hobbelt over bemodderde paden, die doodlopen op boerderijen. We verzamelen de melk. Als alle melk verzameld is, rijden we naar de zuivelfabriek van de Terschellinger coöperatie bij het dorpje Lies. Een hoekig gebouw met roestvrijstalen ingewanden: buizen, bakken, ketels, meters. Het sist er. Het is een stoomfabriek. Het ruikt er naar ongeroomde melk en jonge kaas, naar stremsel en wei.


Terschelling is een eiland dat bestaat uit geuren. De natte hei in de duinen, het slik bij eb. Het zout van een storm, droge koeienmest. In de weilanden geurt het er nog steeds naar jonge kaas, ook al is de zuivelfabriek al lang geleden gesloten. Te klein voor de grote wereld: in 1975 hield het op. Jan Pals kon hulpconciërge worden op de mavo, en bleef dat tot zijn pensioen.


'Van de 180 boeren op het eiland', zegt Jan Pals - en hij telt ze na, hij kent ze nog - 'bleven er twaalf over.'


Maar met Terschelling gaat het goed.


Terschelling ligt er mooier bij dan vijfendertig jaar geleden. Fier staan de huizen langs de Hoofdweg. Er zijn veel nieuwe bij. Ze zijn van gele steen, ze zijn gebouwd in Terschellinger stijl; de meeste hebben nog het karakteristieke, schuin uitspringende dak, het schúntsje.


Let maar eens op jongen, zegt Jan Pals, hoeveel huizen op het eiland zijn herbouwd of nagebouwd, vaak groter dan het origineel. Hele boerderijen zijn gesloopt en vervangen; de stallen van toen zijn de zomerhuisjes van nu. Zomerhuisjes voor de badgasten, zoals de eilanders hun toeristen nog steeds noemen.


Op Terschelling wonen nog geen vijfduizend mensen. Er komen 350 duizend toeristen per jaar.


Jan Pals zegt: 'Vroeger ruimden de boeren in de zomer hun woonkamer leeg, als er badgasten kwamen, en dan sliepen ze zelf in de stal. Nu bouwen ze er gloednieuwe boerderijen voor.'


Zo heeft Terschelling zijn oude vel afgestroopt, en er een nieuw voor teruggekregen. Dat is ook op andere eilanden gebeurd maar Terschelling hield zijn ziel, en dat is niet van alle andere eilanden te zeggen. De toeristen zijn er in toom gehouden, onder meer door Staatsbosbeheer, dat al te wilde projectontwikkeling tegenhoudt. Maar ook de Terschellingers zelf willen het niet, de uitverkoop.


Nog houden ze vast aan de tradities. Vooral in de dorpen om Oost, waar Jan Pals woont. Op Terschelling woon je op West of om Oost. Dat zijn twee werelden apart. West-Terschelling was voor de zeevaarders en de notabelen, Oost voor de boeren. Daartussenin ligt Midsland, als neutraal terrein.


Jan Pals heeft een buurvrouw die zo min mogelijk in West-Terschelling komt, en nog nooit van het eiland af is geweest. Op West-Terschelling wonen de 'hoge heren', zegt Jan Pals nu nog, 'zo zien wij dat hier. Daar lopen ze elke dag in het nie. West-Terschelling is wat ons betreft gewoon een stuk vasteland'.


Zo was het ook al in de tijd van Sil de strandjutter.


Terschelling heeft drie dialecten: om Oost spreken ze Aasters, in Midsland spreken ze Meslânzers, op West spreken ze Schylingers. Het zijn bijna eigen talen, zo verschillen ze van elkaar. 'Maar ik geloof wel', zegt Jan Pals, 'dat de jeugd nu meer op het Nederlands over gaat.'


Tradities: kortgeleden ging zijn overbuurman dood. Dan gaat Jan naar de weduwe toe, om te vragen hoe ze het hebben wil. Dan gaat hij met andere buren de deuren langs, waar ze het nieuws omzeggen. En dan rijden ze de kist met paard en wagen door het dorp, als laatste eerbetoon - alle vlaggen gaan naar binnen, ook die van de toeristenwinkels. 'Daar komt bij ons geen begrafenisondernemer aan te pas.'


Op 6 december is het Sunderum, de Terschellinger variant van Sinterklaas. 'Dan staat Jan zich hier te verkleden met allerlei doeken en heide en takken', zegt zijn vrouw Coby. 'En dan gaan de mannen vermomd over straat.'


Tradities vervagen, dat weten Jan en Coby ook. Het eiland verandert soms sneller dan ze doorhebben. Zelfs de toeristen veranderen. Ze komen niet alleen maar in de zomer, ze komen het hele jaar door. Ze zijn ook van een ander slag. Lang was Terschelling er voor de gewone man: kamperende gezinnen, feestende jeugd. Nu ziet Jan Pals er steeds meer luxe komen, in glimmende suv's en 4x4's. Een zomerhuisje huren kost er zo'n beetje evenveel als in Toscane.


'Je ziet het aan de winkels', zegt Jan Pals. Tot zijn schrik was ineens de Bijenkorf verdwenen, de winkel van sinkel op West-Terschelling waar alles te koop was wat je nodig had, en voor normale prijzen. Op die plek zit nu een modezaak. 'Met jassen jongen, met jassen van drie-, vierhonderd euro. Dat betaal je toch niet?'


Het wordt er allemaal wat chiquer van, zegt hij. 'Het enige dat ik jammer vind, is dat geld hier zo belangrijk is geworden.'


Coby: 'Ik hoor ze hier weleens schelden op de toeristen.'


Jan: 'Dat moeten ze niet doen. We leven ervan.'


Coby: 'Hou je maar stil - de laatste jaren hoor je het steeds meer. Zo van: ik ben blij als de badgasten weer weg zijn.'


Jan: 'Ze moesten eens weten. Jongen, als ze eens wisten hoe het vroeger was.'


Toine Heijmans


Bijzondere boeren

Alle boeren van Terschelling zijn bijzonder. Ze moeten wel, in een tijd dat alles wat meetelt groot moet zijn. De boerderijen van Terschelling zijn klein, ze hebben de ruimte niet om te groeien, ze staan in natuurgebied en omdat het anderhalf uur varen is naar de vaste wal, zijn de spullen die ze maken duur.


Toch gaat het best met de boeren van Terschelling. Er is een hele nieuwe generatie aan de slag. In het gehucht Halfweg staat het bedrijf van Albertine Wortel en Jaap Lieman; allebei dertigers die hun toekomst nooit op een boerderij hadden gezocht. Ze houden er ook koeien, maar het is vooral een schapenboerderij. Ze maken hun eigen kaas. Je kunt er kijken hoe ze boeren, en je kunt er kaas kopen in de winkel die ze onlangs hebben uitgebreid; trots verkopen ze er hun schapenkaas met daslook, en die met het oude kruid fenegriek.


Als je het handig aanpakt, zegt Jaap, en als je van je boerderij een toeristische attractie maakt, kun je er goed van leven. 'We kunnen meer kaas verkopen dan we maken.'


Jaap en Albertine zijn niet de enigen die hun boerderij openstellen voor publiek. Verderop in Kinnum staat 'bezoekboerderij' De Gèskieker van vader Piet (uit 1950) en dochter Neeke van Zwol (uit 1985). Ze verkopen er hun eigen rundvlees. Nog verder oostwaarts, in Lies, laten ze in de Pieter Peit's Hoeve zien hoe koeienkaas wordt gemaakt. In Oosterend staat biologische schapenkaasboerderij De Zeekraal van vader Willem Bakker, die het bedrijf overdoet aan zoon Gerben en diens vrouw Jolanda - dertigers. Daar is ook de goedlopende biologische kaasfabriek, die bijna alle koeienmelk van Terschelling opkoopt.


In Oosterend staat ook de grote schuur van voormalig aardappelteler Ronald van Zandwijk, die met echtgenote Dieuwke begon met de teelt van (wilde) cranberrybessen op grondgebied van Staatsbosbeheer. Zoon Daan, een twintiger, nam het drie jaar geleden over. De cranberry is een veenbes die gedijt in de vochtige duinvalleien van het eiland. De bes werd het symbool van Terschelling; geen restaurant of café of supermarkt zonder cranberrytaart, -wijn, -sap, -pillen, -mosterd, -thee, -chutney, -siroop, -likeur, -bier of -jam.


'Het perspectief was somber', staat in het mooie boek over boeren op Terschelling van Renske Gorter en fotografe Anne Zorgdrager; Boeren in beeld, portret van agrarisch Terschelling. Er waren er genoeg die zelfs het einde van de boerenstand hadden voorspeld. De boeren hebben hun zorgen: streng natuurbeleid zit ze in de weg, net als de opkomst van de grauwe gans die het gras uit de polders vreet. Maar melkveehouder Jodi Kuipers zegt in het boek: 'De bedrijven hebben er nog nooit zo best voorgestaan'.


Het boek is te bestellen op de website van de uitgever fh.nl, ISBN 978-90-70886-78-3.Meer informatie bij de Vereniging Agrarisch Terschelling: boerenopterschelling.nl.Websites van opengestelde boerenbedrijven: terschellingerkaas.nl;


geskieker.nl;


pieterpeitshoeve.nl;


dezeekraal.nl;


groenhofcranberry.nl


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.