78 toeren

In tegenstelling tot wat je op grond van alle ironie van de afgelopen decennia zou verwachten, is Dallas, 2012 precies even serieus van toon als het origineel. En precies daarom een succes.

Nog voor de titel- sequentie heeft het 2012-seizoen van Dallas je vakkundig bij de kladden. Koeien in een weids weiland, dromerig countrygitaartje: we zijn in exotisch Texas, heerlijk. De camera vliegt over bosschages, ziedaar, een boortorentje. Er draven wat mensen omheen, in stijgende staat van opwinding. 'John Ross!', roept iemand, en iedereen boven de 40 weet dat er maar twee mensen op de wereld John Ross heten: J.R. Ewing en diens zoon, inmiddels met probeersnorretje. Olie spuit de bodem uit. Een gigantisch olieveld, recht onder Southfork. Hop, scène 2: hé, het is Bobby Ewing bij de dokter, wat is hij prima oud geworden. Slecht nieuws: darmkanker. 'Niemand vertellen', gebiedt Bobby met een dwingende knipoog, 'want ik wil niemand lastigvallen met mijn problemen. Juist nu niet.' Beng: de Dallas-tune.


We zijn weer thuis. Net een goede vriend, dat Dallas- omdat de serie zo hetzelfde is gebleven. Southfork oogt wat honingkleuriger en meer handheld gefilmd dan in 1978, maar dat is de mode - net als toen ziet alles eruit als nette, dure gloss van Miele-kwaliteit. Vooral de tone of voice sluit naadloos aan bij het origineel: in beide gevallen is die licht oververhit, pretentieloos, recht-voor-zijn-raap trashy. Die toon is de essentie van het succes van dit vervolg - die trok in de VS 6,9 miljoen kijkers; TNT bestelde een tweede seizoen.


Tegelijk is die toonvastheid heel opmerkelijk. In de afgelopen vijftien jaar zijn er veel oude televisieseries uit hun graf gelicht voor een remake, en steeds opnieuw zie je hoe dat de makers voor een probleem stelt. Ze mikken uiteraard op de warme herinneringen aan het origineel, maar moeten door de blije glimlach heen constateren dat series aan bederf onderhevig zijn: na vijftien jaar ogen ze traag, amodieus en dodelijk naïef. Dus moeten ze het materiaal grondig onder handen nemen, mét behoud van de aantrekkingskracht van het origineel. Hoe doe je dat?


Soms helpt het om er heel veel geld en geweld tegenaan te gooien, zoals bij de Mission: Impossible-reeks - op tv ooit (1966) stijlvolle, maar praterige spanning, maar met Tom Cruise vanaf 1996 een adrenalinespiegelverhogend stunt- en effectenspektakel. Wat ook weleens werkt, is er een serieuze, donkere of emotionele laag aan toe te voegen - het telt misschien niet helemaal om de Batman-films hier mee te rekenen, maar daaraan is het duidelijkst te zien hoe materiaal dat in de loop van de popgeschiedenis een paar keer flink richting camp, parodie en gegiechel schoot succesvol heruitgevonden kon worden door het bloedserieus te nemen.


Het is de weg van de meeste weerstand, om iets dat in aanzet ouderwets en een beetje bespottelijk is geworden tot bonafide spektakel, bloedige ernst of zelfs enige artistieke pretenties op te pompen. Veel vaker gebeurt het voor de hand liggende: er wordt liefdevol de spot mee gedreven. Een mix van houden-van en lachen-om, die vanaf de millenniumwisseling resulteerde in een subgenre, dat de prettige onbevangenheid had van kinderen die hun helden naspelen. Drew Barrymore speelde Charlie's-Angelt'je, Ben Stiller en Owen Wilson speelden Starsky & Hutch'je, Samuel Jackson Shaft'je en Michiel Huisman Floris'je. Ze maakten daarmeelosjes opgezette films, met veel geslaagde hilariteit over gepasseerde modegrillen en karakterologische eigen- aardigheden. De aanstekelijke, nostalgische lol werkte bijna altijd.


Des te opvallender dat Dallas, 2012 geen van deze drie routes uit de verouderingsproblematiek neemt. Zelfs geen spóór van camp. Wat weer een fraaie ironische speling van de geschiedenis mag heten. Want uitgerekend Dallas was de geboorte van de camp voor de massa.


Ironische blik

Camp bestond al ver voor Dallas. Begin 20ste eeuw werd de term gemunt als aanduiding voor nadrukkelijk homoseksuele humor, waarbij mannen zich overdreven theatraal en vrouwelijk gedragen, bij wijze van parodie op vrouwelijk gedrag. In de loop der decennia evolueerde het type humor tot een ironische blik: ingesleten rolpatronen, burgerlijke slechte smaak en kitsch werden onderwerp van spot én overdreven adoratie. Iets nadrukkelijk leuk vinden, juist omdat het zo slecht, kitscherig, Abba of Carmen Miranda is - kort door de bocht is dat typisch humor van buitenstaanders, die een wereld bespotten waar ze van uitgesloten zijn en tegelijk graag bij willen horen. Geen wonder dus dat camp zo aansloeg bij allerhande subculturen, van joden tot studentenclubjes. Je kan je met camp verheven voelen boven de wereld waar je niet bij hoort, in een sterk gecodeerd, dus alleen voor het betreffende subgroepje begrijpelijk soort humor - wíj begrijpen elkaar in onze adoratie voor felgekleurde mariabeeldjes, dat idee.


Tegen de tijd dat Susan Sontag er in 1964 haar beroemde essay Notes on camp over schreef, was camp een wijdverbreid soort humor, maar wel een die juist vanwege die gecodeerdheid aan kleine subculturen voorbehouden leek.


En toen kwam, in 1978, Dallas, als een zakje vriesdroge instant-camp. Overduidelijk bespottelijk: onbehouwen, smakeloos geklede Texanen in verhitte, over de top gejaagde plotlijnen vol seks, machtswellust en bedrog, zonder ook maar de geringste pretentie van diepgang, hier en daar nog krakkemikkig geacteerd ook. En tegelijk een ongenaakbaar staaltje verhaaltechnisch vakmanschap. Het verhaal over de oliebaronnen- en ranchersfamilie stond op al je knoppen van basale menselijke emotie: angst voor ziekte, jaloezie, gevoel voor onrecht, wraakzucht. Hollywood op stoom, een technisch volmaakte meesleepmachine, die iederéén aan de buis klonk, ook de middelbaar- en hoger opgeleiden. Die zich voor het eerst voluit geconfronteerd zagen met die fraaie tegelijkheid der dingen die in de camp besloten ligt: weten dat het slecht is, en er toch gefascineerd door blijven, erom kunnen lachen en er toch in opgaan, de personages belachelijk ordinair vinden en toch je favoriet hebben en diep met ze meevoelen. Dallas werd de oerknal aller breed beleefde (in Nederland 3,5 miljoen kijkers) guilty pleasures, en als de gesprekken aan de koffieautomaten ergens mee doortrokken waren, dan was het wel die gedeelde verbazing dat je zoiets volkomen craps zo goed kon vinden.


Dynasty

Dat iedereen snel doorhad dat het juist die campfactor was die Dallas tot een succes maakte, was af te lezen aan de concurrent die drie jaar later volgde: Dynasty. Die serie joeg de opzettelijke smakeloosheid naar nog grotere hoogten: hoger haar, glitterender pronkzucht en fameuze catfights. Was Dallas camp die vooral camp was in de ogen van de kijkers (campfase 1), aan Dynasty zag je hoe de makers zelf de campfactor doorhadden en daar bewust op gingen inspelen (campfase 2). Het kijkcijfersucces van Dynasty zou Dallas uiteindelijk qua toon van de rails laten lopen en ook in fase 2 doen belanden, met bewust overgekookte plotwendingen als de beruchte 'Droom van Pamela' (waarin een heel seizoen een droom bleek) - wat de neergang zou inluiden, want het van nature uitgestreken gezicht van Dallas verdroeg dit soort grollen niet.


En zo sufte Dallas weg, ingeslapen in 1991, met nog twee halfslachtige pogingen tot een tv-filmherleving in 1996 en 1998. Maar het ironietijdperk dat het had aangericht, denderde de halve wereld over. Van de adoratie van Johan Cruijffs taalgebruik tot het Eurovisiesongfestival, van studentenverslaving aan GTST tot je geinige neef met een afropruik, alle ostentatieve ironie, al het druk knipogend vertoon van wansmaak, je zou Dallas er allemaal de schuld van kunnen geven. Camp, intussen, is door zijn inflatoire karakter in fase drie beland: camp die steeds maar laat zien dat hij camp is, zoals Desperate Housewives, dat als een dronken travestiet schreeuwend te koop loopt met de eigen kitscherigheid.


Hoe fris is het dus dat Dallas 2012 zo knipoogloos wordt opgediend? Brein achter de serie is Cynthia Cidre, een door de wol geverfd actie- en misdaadschrijfster die viel voor de toon van de eerste seizoenen. Haar script viel in de smaak bij Patrick Duffy (brave broer Bobby Ewing), Larry Hagman (J.R.) en Linday Gray (J.R.'s bitchy, getroubleerde echtgenote Sue Ellen), die al die jaren innig bevriend waren gebleven en zo, opgenomen in de nieuwe cast, konden helpen bij het moeiteloos oppikken van de oorspronkelijke toon. Met een vakkundig verhaal dat (tenminste binnen de interne logica van de serie) geloofwaardig doet alsof de wereld van Dallas gewoon doorgaat. De kijker wordt als vanouds speelbal gemaakt van zijn eigen basalere emoties. Niet in de laatste plaats die van het licht melancholiek stemmende weerzien met de overtuigend, want echt, ouder geworden sterren.


Een lidewij-edelkoortje: misschien betekent dit succes dat het ironietijdperk eindelijk zijn langste tijd gehad heeft.


De serie Dallas, 2012 is vanaf dinsdagavond 4 september te zien bij Net5.


ONWETENSCHAPPELIJKE CURVE VAN DE CAMP

Vanaf Dallas (1978) leerde het grote publiek iets tegelijkertijd stom en goed vinden. Camp, fase 1: serie serieus, consumptie ervan ironisch. Concurrent Dynasty (1981) knipoogde wél, met bitchfights en ander demonstratief vertoon van slechte smaak. Camp, fase 2, net als Baywatch. Met Sex and the City begon fase 3: hier wist de serie zelf, bij monde van de personages, te zwelgen in wat traditioneel als slechte smaak wordt gezien: onversneden materialisme, bijvoorbeeld. Met Dallas, 2012 zijn we met een ruk weer in fase 1. Een parallelle lijn is te trekken in non-fictie: Beavis and Butt-Head en Mystery Science Theater 3000 maakten slechte tv-programma's belachelijk zonder dat die daar zelf deelgenoot van werden (fase 1); in De schreeuw van De Leeuw werden de Gordons opgevoerd (fase 2); in Theo & Thea in de Gloria (1988), zijn tijd vooruit, gingen BN'ers als Marco Bakker zichzelf parodiëren en werden ze openlijk deelgenoot van hun eigen campfactor, wat usance werd in programma's als Mooi! Weer De Leeuw en Jersey Shore.


'HELLO DARLIN'

Nu Larry Hagman (J.R.) weer iets onsterfelijker blijkt doordat hij keelkanker heeft overleefd (hij deed chemotherapie en kreeg bestraling tijdens de opnamen) is het een mooi moment zijn smakelijke autobiografie Hello Darlin' er weer eens bij te pakken - plezierige schelmenverhalen van een redelijk acteur die drie flessen champagne per dag dronk op de set van Dallas. Niet diepzinnig, maar opgeruimd en vermakelijk. In 2011 geüpdatet.


Ongeveer 10 euro op


amazon.com


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.