'76 Kisten met harpen, bestemd voor Berlijn' De efficiënte machinerie van de 'Sonderstab Musik'

Privé-inboedels, achtergelaten door gevluchte kunstenaars, waren het eerste doelwit van de nazistische Sonderstab Musik. Deze wetenschappelijk gedirigeerde roversbende legde in bezet Europa snel en systematisch beslag op kostbare muziekinstrumenten, manuscripten, opnamen, partituren en andere musicalia....

DE muziekwetenschap blijkt tussen 1933 en 1945 haar eigen criminelen te hebben voortgebracht. Eminente musicologen als Wolfgang Boetticher, Rudolph Gerber en Karl Gustav Fellerer - beroemd geworden met baanbrekende studies en muzikaal uitgeefwerk op het gebied van de renaissance en de klassieke periode - blijken hun kennis te hebben ingezet voor de grootste en best georganiseerde muziekroof die zich ooit heeft voorgedaan.

De daden van deze geleerden hebben minder ernstige gevolgen gehad dan die van Josef Mengele of Werner von Braun. Maar de musicologie die Boetticher (de belangrijkste herontdekker van Orlando di Lasso), prof. Gerber (expert van de opera's van Gluck), prof. Fellerer (autoriteit inzake Palestrina en Bruckner) en andere vakbroeders in de hoogtijdagen van het Derde Rijk bedreven in Parijs, Amsterdam en Warschau, was geen kamergeleerdheid.

Het was wat je noemt praktische muziekwetenschap.

Willem de Vries, musicoloog, maakt het duidelijk in zijn boek Sonderstab Musik. Het boek werd maandag in Amsterdam uitgereikt aan Madeleine Milhaud, de weduwe van de in 1974 gestorven componist Darius Milhaud. Sonderstab Musik is het portret van een wetenschappelijk gedirigeerde roversbende - die in Parijs onder meer werd bijgestaan door allerbehulpzaamste musicologen van de Bibliothèque Nationale, Guillaume De Van en Bernard Faè.

De Vries probeert, uiteraard, een beeld te schetsen van de omvang van de muziekroof.

Die onttrekt zich aan elke becijfering. De Vries moet noodgedwongen volstaan met deelrapportages en verzendbrieven uit verspreide, deels verloren gegane archieven in Duitsland, Parijs en Amsterdam. Gesproken wordt van scheeps- en wagonladingen bladmuziek. Van treinen vol piano's en vleugels. Van: '14 Augustus 1944: 67 Kisten met harpen, bestemd voor Berlijn.' En dergelijke.

De Vries komt tot de som van ruim 68 duizend doorzochte inboedels van gedeporteerde burgers in Nederland, België en Frankrijk. Zijn onderzoek is grensoverschrijdend; een van de eerste in zijn soort. Het is niettemin maar een deelonderzoek. De massa-ontvreemding van Oosteuropees muziekbezit is nog in nevelen gehuld.

De Sonderstab Musik was de meest efficiënte afdeling van de Einsatzstab Reichsleiter Rosenberg - een dienst van honderden confiscatie-beambten, opererend in bezette gebieden. De dienst was genoemd naar Hitlers partij-ideoloog en hoofdinzamelaar van kunstvoorwerpen en humaniora Alfred Rosenberg. Deze Beauftragte des Führers (inzake de geestelijke en wereldbeschouwelijke opbouw van nazi-Duitsland) leidde zijn dienst vanuit Berlijn.

De muziekafdeling, aangevoerd door de musicoloog en belcanto-kenner Herbert Gerigk, maakte zich in Oost- en West-Europa verdienstelijk door snel en systematisch kostbare muziekinstrumenten, manuscripten, opnamen, gedrukte partituren en andere musicalia te 'conserveren'.

Bezittingen van musici, van uitgeverijen en platenmaatschappijen, van bibliotheken en winkels, van synagogen en vrijmetselaarsloges werden met grote ijver opgespoord, gevorderd, ook achterover gedrukt.

De expertise van tijdelijke Sonderstab-medewerkers als Gerber, Fellerer en Georg Schünemann, muziekbaas van de Preussische Staatsbibliothek in Berlijn, was hier meer dan welkom. Goede diensten bij het traceren van manuscripten (liefst Beethoven, Wagner, Mozart) deed bovendien het levenswerk van een andere musicoloog, Robert Eitner. Diens Quellenlexikon was er, willens-nillens, als het ware voor geschapen. Het mocht fungeren als checklist en reisgids. Het was allemaal wat praktischer dan de op den duur wat vermoeiende theorievorming omtrent Das Rasseproblem in der Musik (een titel van de kerkmuziekvorser Friedrich Blume, een niet-nazi).

Privé-inboedels, achtergelaten door gevluchte kunstenaars, waren het eerste doelwit. Hier was de kennis van Sonderstab-krachten als Boetticher en zijn chef Gerigk, mede-auteurs van het actuele naslagwerk Lexikon der Juden in der Musik (1939), onontbeerlijk. Met hulp van deze Who is Who had men befaamde toonkunstenaars als de componist Darius Milhaud, de pianist Artur Rubinstein, de cellist Gregor Piatigorsky en de claveciniste Wanda Landowska - Parijzenaars van Franse, Poolse en Russische, nee jüdische afkomst - al voor de bezetting in het vizier (met inbegrip van hun interessante bezittingen).

Landowska, Piatigorsky, Milhaud en Rubinstein ontkwamen. Niet Landowska's clavecimbels en Milhauds jazz-platen. Landowska's luisterrijke verzameling verdween oostwaarts in 54 kisten. Piatigorsky: 23 kisten (bladmuziek, platen, schilderijen, zilver, keramiek). Milhaud: 6 kisten. Boeken van Artur Rubinstein vonden hun bestemming in de centrale bibliotheek van de SD.

In Amsterdam wekten onder meer de brieven en bladmuziek van Paul Cronheim belangstelling. Cronheim, bezoldigd secretaris van de Nederlandse Wagnervereeniging, was van joodse afkomst. Hij verdween naar Theresienstadt; zijn boeken en correspondenties met Winnifred Wagner gingen naar een Sonderstab-kantoor aan het Rokin, vandaar wellicht naar het Oosterdok - en verder, tja.

De Sonderstab Musik was niet louter op zoek naar Wagner, naar topclavecimbels of tiende-eeuwse gezangboeken. Ook het laagste diende te worden opgespoord, in de danszalen en onder de matrixen van gedegenereerde platenfirma's. En dan niet alleen ter vernietiging.

De dienst-Rosenberg vertegenwoordigde een keerzijde van de boekverbranding. Voorbeelden van a-tonale muziek, 'joods gefemel', Jazz en andere entartete Kunst dienden, mèt het allerhoogste van de arische kunsten en geesteswetenschappen, te worden bewaard en bestudeerd. En wel in de Hohe Schule, het reusachtige humaniora-instituut dat Hitler en Rosenberg voor ogen hadden. Het zou na de oorlog worden ingericht in Chiemsee.

Zoals bekend is het zo ver niet gekomen.

De eersten die de collectioneursdrift van de nazi's dwarsboomden, waren andere nazi's. Rosenberg moest de concurrentie duchten van Goebbels en Goering, en van andere kopstukken die elkaar met hun diensten het leven zuur maakten, niet zelden met het doel zich te verrijken. Hitler eiste zijn deel, voor zichzelf en voor zijn toekomstige Hitlermuseum in Linz. Ook dat ideaal vond geen realisering.

Duitse steden werden in toenemende mate bestookt met bommen, en de dienst-Rosenberg viel een nieuwe taak toe. De Aktion Möbel. Vanaf 1942 ressorteerden àlle inboedels van weggevoerde burgers onder de dienst-Rosenberg. Hun bezittingen moesten, mits niet al te waardevol, worden verdeeld onder Duitse scholen, legerplaatsen en particuliere Bombengeschädigten.

De bewoordingen waarin De Vries deze taak beschrijft, zijn onderkoeld, op het ijzige af. Het beeld dat oprijst, is vanuit strikt musicologisch gezichtspunt een film noir. Een waanzinkomedie over perfectie die zich keert tegen haar beoefenaren.

Het is niet waarschijnlijk dat Boetticher persoonlijk 68 duizend inboedels plus die van Polen, Letland en Kroatië heeft nagevorst, om er bij één op de tien een paar verdachte schellakplaten, een mooie klarinet of een wormstekige lessenaar uit te halen. Maar het laat zich aanzien dat de machinerie van de Sonderstab Musik vastliep in torenhoge notenstapels en onoverzienbare pianogebergten. De idylle van de Hohe Schule werd een nachtmerrie van de pandjesbaas.

Met de hevigheid van de vijandige bombardementen nam voor de Duitsers de noodzaak toe archieven en kunstschatten, Duitse en andere, in veiligheid te brengen. Het geschiedde in zoutmijnen, tunnels, kastelen en kloosters - veel in zuid-Duitsland. Veel ging ook naar Polen, met het oog op de goede vorderingen die waren gemaakt aan het Oostfront.

De Russen die in 1945 Silezië binnentrokken, hebben daar waarschijnlijk Landowska's clavecimbels aangetroffen, te midden van honderdduizenden onvervangbare objecten, waaronder misschien ook enkele bescheiden foxtrots, brieven van Winnifred Wagner en treinen met ontstemde piano's. De Russen hebben er nooit meer iets over laten horen.

Rosenberg eindigde aan de galg in Neurenberg. Gerigk werd in 1953 bijna hoofd Cultuur van de gemeente Bochum. Het ging niet door. Hij beëindigde zijn carrière als recensent van de Ruhrnachrichten in Dortmund, waar hij nog woont. Boetticher werd hoogleraar in Göttingen. Pas in 1982 werd zijn verleden aan de kaak gesteld, toen hij in Amerika een congres wilde bijwonen. De Amerikaanse Bachvorser Christoph Wolff maakte hem af in de Frankfurter Rundschau.

De Vries neemt aan dat het formidabele muzieklexicon Musik in Geschichte und Gegenwart, de grote musicologenbijbel waarvan het eerste deel het licht zag in 1951 (geredigeerd door Friedrich Blume; bijdragen van onder anderen Boetticher en Fellerer), geconcipieerd is in de Sonderstab Musik en de Hohe Schule-in-voorbereiding. Als dat zo is, heeft ook de musicologie haar Autobahn.

Willem de Vries: Sonderstab Musik. Amsterdam University Press, ¿ 59,50 (paperback), ¿ 79,50 (gebonden).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden