2. Het gewelf

Wat voorafging: in Huize Zomerlust, bij de omwonenden bekend als Villa Valluik, zag architect Tymen Pancreas de onheilspellende boodschap 'post.mortem@dump' op zijn computerscherm....

HEER IN DEN HAAG, sacremantos wat knarst dat grind gemeen onder mijn tennisschoenen.

Och, mijn stomme neef zal het niet horen, twaalf glazen Schotse whisky en vier slaappillen houden hem zeker twee dagen uit het leven, en dan heb ik de drie kistjes veilig op de achterbank van mijn Porsche naar de residentie van dit kikkerland gebracht.

Ja ja, mijn beminde neef, de ongelukkige zoon van een notaris, overleden aan drankzucht, en de zuster van mijn vader zaliger, meneertje is zo gek als een aap, heeft hij van zijn moeder.

Hij noemt zich Tymen Pancreas, bah! Zijn ware naam is Wolfgang Boomsma, en de schurk geeft zich uit als architect, nu het enige huis dat hij met zijn bouwkundige streken verpestte is deze eens neoklassieke bewoning. . .

Zo nu en dan heeft hij ook nog het idee dat hij de villa een jaar geleden pas gekocht heeft; waanzin: hij is er geboren, jammer genoeg. Maar tegenwoordig houdt hij zich gelukkig bezig met het stupide staren naar het scherm van een monitor. Aan dat verzetje heb ik hem geholpen, ik installeerde zelfs het nutteloze geval, vermomd als een zeer oud mannetje, vermommingen daar ben ik uitstekend in.

Laat ik me even voorstellen: Majoor Mahlhuber, tijdens de laatste oorlog gedetacheerd bij de Abwehr, de militaire inlichtingendienst. Weet u, eigenlijk bevind ik me op vaderlands grondgebied, dit knap vervallen landhuis is namelijk voor 70 procent mijn bezit, de rest behoort echter mijn neef.

En nu ben ik vervloekt vroeg in de ochtend als eenzame logé op weg naar een vergeten kelder onder dit pand, te betreden via een achterpad van de verwilderde tuin, het heeft zijn redenen.

Vlak voor de capitulatie van ons rijk was ik ingekwartierd in dit huis, mijn neefje en zijn reeds seniele moeder had ik ondergebracht te Doorn op een zeer bekend adres, ik maakte ze wijs dat de SD belangstelling voor hen betoonde. . . De werkelijkheid lag anders, ik moest het rijk alleen hebben, naar de hel met de pottenkijkers!

Het draaide om een bijzonder eervolle opdracht. Niemand minder dan generaal Blaskowitz, de toenmalige bevelhebber van de Nederlanden, deed me het verzoek. Hij vertrouwde me drie margarinekistjes toe die ik zo veilig mogelijk moest onderbrengen, inhoud: twintig kilo goud per kist door hem persoonlijk geconfisqueerd te Brussel. Het spul kwam uit de kluizen van een kleine Engelse bank, oorlogsbuit, geen vuile diefstal.

Over een week zullen we capituleren, majoor, sprak Blaskowitz somber, en als de geallieerden deze kistjes op mijn hoofdkwartier aantreffen nemen ze natuurlijk het goud in beslag, en dat gaat niet door, dat duld ik niet!

Eens zal ons Duitsland herrijzen, een erkende regering krijgen, ik neem er desnoods vergif op in. . .

En dáár, godverdomme, hoort het goud dan thuis, zo klinkt oorlogsrecht, hadden die smerige Britten maar beter op hun zaakjes moeten passen!

Majoor, ik reken op uw vernuft, en op betere tijden. Ik hoefde niet lang na te denken, sloeg de kistjes eenvoudig op achter de muren van de totaal vervallen kelder onder het landhuis. Geen haan die ernaar zou kraaien, alleen míjn haan dan.

Maar nu hebben we weer een ordentelijke Bondsregering, en ik diende dus opnieuw te handelen, een dure plicht.

Zelf het goud naar Duitsland brengen kon natuurlijk niet, plat gezegd: te link; de Hollandse douane te bekwaam.

Echter, bij onze ambassade zag men mogelijkheden, diplomaten zijn onschendbaar, worden zelden aangehouden.

Gelukkig, de wrakke kelderdeur ging zonder lawaai open, en in het licht van mijn zaklantaarn zag ik dat het vochtige metselwerk waarachter de kistjes zaten niet was aangetast.

Juist wilde ik met behulp van een oude bajonet en een vuisthamer de stenen lostikken, toen er een geluid achter me klonk, een zwak geritsel.

Ik draaide me vlug om. Op de wenteltrap stond een vrouwenfiguur, belegen de kraaienkop, ze droeg een allercharmantst tweedpakje.

Verwurgen!, dacht ik, want hoewel het wijf een stuk ouder was geworden herkende ik haar op slag, de rottige zwarte Brouwning bracht me op betere gedachten.

Daar stond, o noodlot, Diederika Fincke, de gemeenste agente van de M.I. 6, god wat hadden we haar graag te pakken gekregen tijdens de oorlog! Het schatje vertoonde nog steeds dezelfde vuile uitdrukking in haar ogen die de portretfoto's op ons archief zo treffend maakten.

Jezus, M.I. 6, dus ook Londen was het goud niet vergeten. . .

Majoor, kraste het loeder, majoor Mahlhuber, het spijt me, u zit aan de knip. . .!

Wordt vervolgd, door Jan Stavinoha. Vanavond om 20.00 uur bij De Avonden (VPRO, Radio 5), morgen op de Voorkant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden