'Zij sloeg haar arm om zijn schouder. Daar schrok hij zó van dat hij zich verslikte'

Sylvia Witteman spotte een jongen, een kind nog en een meisje, volop vrouw al

.

Foto Frank Ruiter

Op de hoek van de Potgieterstraat had ik bij een mij onbekende viskraam een lekkerbekje gekocht, dat ik op een bankje bij de aanpalende speeltuin ging zitten opeten. De vis smaakte alsof hij eergisteren gebakken was en halfslachtig opgewarmd in een magnetron, dat oneerlijk zeemansgraf voor maritieme frituurwaren. Een viesbekje dus, maar ik at het toch op, want het was koud en ik had honger.

De speeltuin bleek zo'n koortsdroom van een rubberfetisjist waarin een kind zich zelfs met uiterste wilskracht niet zou kunnen bezeren. Aan een paal hing een groot bord vol wishful thinking: 'Afval gooien we in de prullenbak'; 'We houden het speelplein mooi'; 'We hebben respect voor elkaar'; 'Iedereen die wil spelen is welkom'. Het gíng maar door. Van de weeromstuit was er in die speeltuin geen levende ziel te bekennen.

Ik zat daar dus alléén - die vis niet meegerekend, want die was al dagen dood - tot er een jongen en een meisje aan kwamen lopen van een jaar of 14. Ze stopten bij het transformatorhuisje naast de frauduleuze viskraam en begonnen op overtuigende wijze aan de uitvoering van het begrip 'hangen'.

De jongen was stroblond, een kind nog, met dromerige lieve koeienogen boven een onvolgroeid wipneusje en een gul gewelfde mond die telkens zenuwachtig grinnikte om alles wat het meisje zei. Zij, daarentegen, was al volop vrouw; een fataal vampje met glanzend roodgeverfd haar, waarvan een lok haar over het oog hing als bij Jessica Rabbit, cosmetisch aangedikte spinnenpoten van wimpers en hoge laarzen onder een rokje waar het te koud voor was.

Ze zei iets wat ik niet kon verstaan, en weer lachte de jongen, nu zo uitbundig dat hij zowat dubbelklapte. Zelf bleef ze kalm. Ironisch, maar ook vertederd keek ze naar zijn hulpeloos hinnikende gestalte. Toen hij eindelijk stilviel keek hij haar vol bewondering aan. Ze was niet alleen grappig, maar ook heel mooi.

Het meisje haalde een pakje sigaretten tevoorschijn, opende het en trok er met haar lippen een sigaret uit. Terwijl ze die aanstak hield ze hem achteloos het pakje voor. Hij stak zijn hand uit, aarzelde even, maar nam er toch een. Ze gaf hem vuur, en hij begon onhandig te paffen, zijn ogen half dicht tegen de rook. Ze lachte. Ze sloeg haar arm om zijn schouder. Daar schrok hij zó van dat hij zich verslikte en scheurend begon te hoesten.

'Kom', zei het meisje. Nog steeds met die arm om zijn schouder leidde ze hem weg, de Potgieterstraat in. Op het transformatorhuisje, achter hun rug, las ik: 'HOOGSPANNING. LEVENSGEVAARLIJK.'

s.witteman@volkskrant.nl