‘Ze schoten een magazijn op me leeg’

Spoorslags begaf generaal Berlijn zich naar Kamp Holland. In Uruzgan was immers ongekend zwaar gevochten...

‘Ik ben trots op jullie’, zegt generaal Dick Berlijn tot zijn soldaten in Uruzgan. De commandant der strijdkrachten brengt een bliksembezoek aan Afghanistan. Niet alleen om zijn manschappen te complimenteren met hun moedige optreden bij de grote Taliban-aanval van zaterdag 16 juni, maar ook om hen op het te hart binden voluit mee te werken aan de onderzoeken die er komen naar de gebeurtenissen in Chora. Want er zijn ook vragen gerezen over de burgerslachtoffers. Zijn de Taliban daarvoor geheel verantwoordelijk of hebben de Nederlanders in de hitte van de strijd ook verkeerde doelen bestookt? Zeker nu president Karzai heeft geklaagd over onzorgvuldig ISAF-optreden, wil de NAVO en wil ook Den Haag de schijn vermijden dat er iets wordt verdoezeld.

Berlijn heeft zelf een onderzoek gelast, zodat hij rapport kan uitbrengen aan minister van Defensie Van Middelkoop. Ook generaal Page, commandant van ISAF in Zuid-Afghanistan, heeft om een onderzoek gevraagd. Ten slotte zal ook de Afghaanse mensenrechtencommissie, gesteund door de Verenigde Naties, zich over de slag om Chora buigen.

Eerst tegenover het luchtmachtpersoneel in Kandahar en vervolgens bij de manschappen die daadwerkelijk in Chora hebben gevochten, benadrukt Berlijn dat het meewerken aan zulke onderzoeken evenzeer tot hun professionele plicht hoort als het bestrijden van de Taliban. Maar tegelijk moeten ze de ruimte krijgen om uiting te geven aan wat ze hebben meegemaakt en hoe zeer het erom heeft gespannen. ‘De jongens die in Chora hebben gevochten, willen dat Nederland begrijpt wat ze hebben doorgemaakt’, zegt hij na afloop van een gesprek met hen.

Dat is geen peuleschil. Of, zoals een van hen vertelt: ‘Er is een heel magazijn op me leeggeschoten.’ De slag die zich rond Chora heeft afgespeeld is, althans voor de grondtroepen, de heftigste die Nederlandse militairen hebben meegemaakt sinds het begin van de missie in Uruzgan.

Ook kolonel Hans van Griensven, commandant van de Nederlandse Uruzgan Task Force, zal 16 juni en de dagen erna niet snel vergeten: ‘Het was erop of eronder.’

Het was vijf over half acht in de avond, herinnert hij zich. Uit het stadje Chora, een kilometer of 40 ten noordoosten van Kamp Holland, het Nederlandse hoofdkwartier in Uruzgan, werd een grote Taliban-aanval gemeld. Zo’n achthonderd strijders waren afgedaald uit de omringende bergen en hadden de buitenste regionen van het stadje al veroverd. Voor het Nederlandse peloton, aanvankelijk zestig man sterk, en de eenheid van het Afghaanse regeringsleger werd de situatie zeer penibel.

Dringende vraag aan het commandocentrum in Kamp Holland: ijlings terugtrekken zolang het nog kon of stand houden? Van Griensven moest vrijwel stante pede beslissen. Tijd voor overleg met het ISAF-hoofdkwartier of met Den Haag was er niet. Hij gaf opdracht te blijven. Eigenlijk was de twijfel niet groot, zegt hij nu. ‘Ik realiseerde me dat we de mensen daar verschrikkelijk in de steek zouden laten als we zouden weggaan. Dat we als het ware de boodschap zouden geven dat we hen in moeilijke omstandigheden niet wilden verdedigen. Dat zou onze hele missie een zware slag hebben toegebracht.’

Maar Van Griensven besefte ook dat zijn beslissing dramatische gevolgen zou kunnen hebben als de belegerde Nederlanders en Afghanen in Chora niet zo snel mogelijk luchtsteun en versterking zouden krijgen. ‘Die nacht hebben we keihard teruggeslagen.’ En er zouden nog twee hectische dagen volgen. Er was zelfs een moment waarop alle zes in Zuid-Afghanistan gestationeerde Nederlandse F-16’s tegelijk in de lucht waren om op aangeven van de grondtroepen vijandelijke doelen te bestoken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.