'Wij geloven hier verschrikkelijk in het instituut' Alexander van Grevenstein wil de dingen laten stralen

IN EEN brief die de directeur van het Bonnefantenmuseum Alex-..

ander van Grevenstein in oktober 1994 schreef aan Aldo Rossi vergelijkt hij het museum met een slaapplaats van het Leger des Heils. Het is een verzameling van ontwortelde voorwerpen. 'Er is geen enkel kunstwerk in het museum dat niet uit zijn context is gerukt. Zij hebben alle de hoop laten varen ooit 's avonds thuis te slapen.'

Van Grevenstein: 'Het museum is geen louter statische, maar juist een dynamische paradox, want tussen kelderlicht en daglicht worden vele bruggen geslagen.' De eerste expositie, onder de titel Fabbrica, is een uitgebreide opstelling van de collectie. 'Een verzameling is, net als een gebouw, op te vatten als een fabbrica in de ruime betekenis van het woord: een constructie, een ding in wording dat op zijn beurt weer leven fabriceert.'

Een museum bestaat, in de ogen van Van Grevenstein, 'bij de gratie van het fragment'. In een museum wordt afscheid genomen, het is een begraafplaats, 'maar tegelijkertijd worden die weinige voorbeelden bewaard die voldoende beelden oproepen om de herinnering tot stand te brengen'.

Van Grevenstein: 'Alles is uit zijn context gehaald, de potscherven uit de aarde, delen van een groter paneel of een retabel. Bij hedendaagse kunst haal je iets uit een oeuvre. Als je zulke dingen toont, wil je het beste tonen. Ik heb een heilig geloof in het museum, dus ook in de objecten. Als wij hier zo'n duizenden jaren oude vuursteen neerleggen, dan is dat iets! De dingen gaan stralen, wat sta ik hier lekker te zijn. De kracht van dat ding, als je dat maar kunt laten zien, als dat maar overkomt. Als wij al niet weten wat zo'n voorwerp te vertellen kan hebben, moet ik daar dan fluwelen gordijnen achter hangen of krullen aan het plafond vastmaken?

'Je kunt nooit het verleden of de mémoire ontlopen, dat was ook de filosofie van Rossi. Het gebouw is gedacht vanuit de collectie. Het is misschien het eerste museum ter wereld waar de dingen op die manier staan of hangen, zonder tekstgeruis of andere opzichtige middelen. De dingen zelf vertellen het verhaal, en als ze het niet doen, dan is het misschien niet de moeite waard. Daarom hebben we de voorwerpen niet gekoppeld aan een historische veldslag, maar integendeel in de vaste opstelling ontkoppeld. In zo'n opstelling moet je mensen niet vervelen met tekstbordjes. Een museum is een plek waar je leert kijken, en laat dat nog beter zijn dan televisie.

'We waren ooit het lelijkste museum in Nederland', zegt Van Grevenstein. 'Gevestigd in een oud warenhuis in de Maastrichtse binnenstad. Dat moest dus weg. Onze optie was, toen ik aantrad als directeur: een degelijke collectie te huisvesten in een degelijk museum.' Jaren geleden zei hij: 'Men valt overal terug op de bezuinigingen, maar op dit museum bezuinigen had geen zin, er komt alleen maar geld bij. Is dat geen heerlijke uitgangspositie?'

Negen jaar is aan de collectie gewerkt. Er was vroeger geen verzameling hedendaagse kunst. Het Bonnefantenmuseum was een typisch provinciaal museum, net zoals het Groninger Museum, waar alles werd gedaan. Nu zijn er drie belangrijke deelcollecties: archeologie, een soort 'materiële' bewoningsgeschiedschrijving van het Maasdal aan de hand van bodemvondsten en zelfs schatten, de afdeling 'beelden en schilderijen 1300-1650' en de relatief nieuwe verzameling internationale hedendaagse kunst.

Van Grevenstein: 'Het probleem was: je hebt geen collectie hedendaagse kunst, wat doe je? Verzamel je jonge kunst? Of zeg je: ik ga daarvoor een referentiekader creëren. We zijn uitgegaan van een basiscollectie, een kern van een tiental kunstenaars die van extreem belang zijn voor de kunst van deze eeuw: Broodthaers, Fabro, Kounellis, enzovoort. Als je de middelen hebt, en we hadden de middelen, dan doe je dat toch? Sommige van die werken kregen een definitieve plaats, in de Wiebengahal tegenover het museum, of bij de ingang van het museum.

'Bij de ingang staat L'entrée de l'exposition van Marcel Broodthaers, met feestelijke palmen en in de binnentoren steeds terugkerende zeefdrukken. Het toont een soort haat/liefde-verhouding ten opzichte van het museum. Dat we het werk bij de ingang hebben neergezet, is een stuk zelfkritiek, tegen de vervlakking en de commercialisering van de kunst. In dat werk zit alles ingebakken: je ziet hier in Maastricht altijd van die gekke palmen staan, het is een herkenbare beeldtaal, huizen in mooie straten, palmen in de entrees. Het is ook een nostalgisch werk.

'De negende eeuw was onze Gouden Eeuw, in Luik, Aken en Keulen. Broodthaers heeft hier acht jaar met Maria gevreeën. Dat is toch grappig? Hij was gebiologeerd door de streek en bracht uren in de archieven door. Hij heeft ooit een foto gemaakt van een steen van een van de oorspronkelijke Romeinse bruggen toen die werd opgebaggerd, en diezelfde steen tonen we hier in het museum.'

Van Grevenstein kreeg al tegenwind. Waarom altijd diezelfde en ook haast onbetaalbare namen, Merz, Serra, Kounellis of Fabro? 'Nederland is in het fin-de-siècle zijn geld aan het tellen. We hebben het nergens anders meer over. Het onderscheidingsvermogen is weg. Schande! Die geborneerde discussie over het aankopen van nog een Judd of nog een Naumann is toch een typische fin-de-siècle-redenering? Dat had je niet in de jaren zestig. Iedere keer hoor je: daar heb je weer die zelfde namen. Maar het zijn toch andere kunstwerken? Het is net alsof je zegt: wéér aardappels, toch niet wéér pasta?'

Het Bonnefantenmuseum wil geen frivool museum zijn, zoals het Groninger Museum van Mendini. 'Het is vreemd dat in veel nieuwe musea de postmoderniteit, het design, de franje, de kleurtjes en ik weet niet wat voor gefriemel overheersen uit een soort ongeloof in het museum.

'Wij geloven hier verschrikkelijk in het instituut ''museum''. Ik hou niet van die gedesinfecteerde musea, hagelwitte wanden of witte vloeren. De smoezeligheid of het stof is een belangrijk aspect. Ik zag ooit eens een museum waarin aan de linkerkant allemaal opgezette vogels stonden en aan de rechterkant lagen handgeschreven versies van gedichten van Wordsworth. Gekker museum kan je je niet voorstellen, maar het was fantastisch omdat die dingen daar sec werden getoond, dat zal ik nooit vergeten.'

In een brief herinnert Van Grevenstein zijn architect aan een anekdote uit het jaar 1871. Toen kwam er een schip, tegen de stroom in, traag uit de ochtendmist te voorschijn. Op het voorplecht stond een tengere gestalte, met de handen in de zakken van een korte jas. Voor het schip weer in een bocht van de rivier verdwijnt, lezen we op de achtersteven de naam Charleville.

'Nu, meer dan een eeuw later, weten we waarom dit voorval ons moet bijblijven. Want ondertussen is het schip ontmaskerd als Le bateau Ivre. Gezien een tekening van Verlaine kan de tengere figuur op de boot niemand anders zijn geweest dan Arthur Rimbaud zelf. Het schip volbracht zijn laatste reis, naar huis, en om in Charleville terug te keren moest het Maastricht wel passeren en mogelijk de laatste proviand hier aan boord brengen.

'Rossi is een grootmeester in toevoegingen. Hij heeft ontzettend weinig woorden nodig. Je hoeft zo'n anekdote maar een keer te vertellen, of in het gebouw komen er onopvallende scheepsmotieven voor. Nee, geen platitudes, want nergens in het gebouw voel je dat je op een schip staat, want een gebouw is geen schip. Maar op de trap en in de zalen heeft hij scheepshout gebruikt. En de toren herinnert aan een vuurtoren. Het is de mémoire, waar we het al over hadden.'

Het zijn herinneringen die Rossi, tegelijkertijd ook als 'het programma' van het Bonnefantenmuseum, in het gebouw laat opklinken. Dat programma staat in een brief van Van Grevenstein aan Rossi uit 1993: 'Hoewel de reputatie wellicht anders luidt, is verzamelen bij uitstek toekomstgericht. In het slechtste geval gaat het om een verbreding van de context, in het beste geval ontstaat bij elke aanwinst een nieuwe dialoog tussen de voorwerpen. De minst interessante gesprekken gaan ook hier over het weer, anders gezegd, over het documenteren van de tijd of de tijdgeest. Het echte gesprek is individueler en fijnmaziger van aard.'

Openingsexposities: Fabbrrica, een uitgebreide opstelling van de eigen collectie; Jan Dibbets: Rubens, opgesteld in de projectruimte; Kim Zwarts, vijftig zwart/wit foto's gemaakt tijdens de bouw van het museum; Sculptuur uit de collectie Marlies en Jo Eyck, eigentijdse beeldhouwkunst. Alle exposities tot en met 3 september.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.