Opinie

'Weekers had nooit ambtenaren tot zondebok moeten maken'

Weekers' aftreden was onvermijdelijk: hij keerde zich tegen zijn ambtenaren, was al 'aangeschoten' en werd een electoraal risico, zegt Minou de Ruiter.

Frans Weekers. Beeld anp

Na een jaar van Bulgarenfraude, niet-uitgekeerde toeslagen en wankele Kameroptredens was woensdagavond de maat vol voor Frans Weekers, hij moest aftreden. Deze incidenten hebben echter niet rechtstreeks tot zijn aftreden geleid. Weekers heeft de discussie zelf op scherp gezet door tijdens de Bulgarenfraude zijn ambtenaren de zwartepiet toe te spelen. Hierdoor verschoof de nadruk van de beleidsproblemen bij de Belastingdienst naar de leidinggevende kwaliteiten van Weekers zelf. Als men het aftreden van Weekers vergelijkt met andere aftredens, zijn drie zaken doorslaggevend geweest: Weekers' strategie, zijn reputatie en de politieke context.

Loyaliteit
De ongeschreven regel in de relatie tussen ministers en 'hun' ambtenaren is er een van wederzijdse loyaliteit. Ambtenaren zullen loyaal zijn en zwijgen, zolang de bewindspersoon ook loyaal is naar hen. Weekers doorbrak dit patroon door tijdens de uitzending van Brandpunt over de 'Bulgarenfraude' geschokt te zeggen dat hij van niets wist en dit wel 'liever eerder' had willen weten.

Daarbij zei hij nog wel 'dat het niet per se op zijn bureau had moeten belanden', omdat het een incident zou zijn. De toon was echter gezet. In de weken daarop werd Weekers meerdere malen geconfronteerd met gelekte interne stukken waarin stond dat de fraude al langere tijd bekend was bij meerdere instanties en dat Weekers volgens ambtenaren 'jokte'.

Weekers had beter kunnen weten. In de Nederlandse parlementaire geschiedenis zijn diverse bewindslieden politiek in het nauw geraakt door een verstoorde relatie met hun ambtenaren.

Zelfmoord
Een voorbeeld is Hirsch Ballin en zijn ruzie met de Amsterdamse korpsleiding tijdens de IRT-affaire. Weekers had daarnaast van een wel heel recent voorbeeld moeten leren: staatssecretaris Teeven die in de zaak van de zelfmoord van de onterecht gedetineerde asielzoeker Dolmatov eveneens de schuld leek te leggen bij zijn ambtenaren door in het debat vooral te focussen op falende ambtelijke protocollen die moesten worden aangescherpt. Dit kwam Teeven op veel kritiek te staan: ook pers en Kamer vonden dat ministers in moeilijke Kamerdebatten voor hun ambtenaren horen te gaan staan en niet erachter moeten schuilen.

Uiteindelijk moest Teeven zijn huid redden door toe te geven aan coalitiepartner PvdA die om een beleidswijziging in de detentie van uitgeprocedeerde asielzoekers vroeg. Impliciet erkende hij dat er meer aan de hand was dan ambtelijke miscommunicatie.

Doordat Weekers de relatie met zijn ambtenaren op scherp zette, maakte hij zich kwetsbaar voor boze reacties van gekwetste professionals. Zijn aftreden heeft dan ook een rechtstreekse relatie met een gelekt stuk van de Belastingdienst over tienduizenden onterecht niet uitgekeerde toeslagen.

Daarnaast geldt de parlementaire regel: eenmaal 'aangeschoten wild' blijft opgejaagd. De parlementaire geschiedenis laat zien dat als een minister of staatssecretaris eenmaal als 'aangeschoten wild' wordt aangemerkt, hij de rest van zijn politieke bewind gevoeliger is voor aanvallen en incidenten. Dit hoeft niet altijd tot aftreden te leiden, maar het maakt hem wel vleugellam. Het is niet toevallig dat drie andere VVD-bewindslieden, te weten Linschoten (1996), Korthals (2002) en Nijs (2004), bij hun aftreden aangaven dat ze 'aangeschoten wild' waren of geen 'manke minister' wilden zijn. Weekers moest al eerder diep door het stof voor de Kamer, er was geen politieke kreukelzone meer voor hem over.

Electoraal risico
De laatste regel van het parlementaire spel is dat de coalitiepartijen bewindslieden steunen tot zij een té grote politieke last vormen. Anders gezegd, de staatssecretaris werd een groot electoraal risico voor coalitiepartij VVD en voor minister-president Mark Rutte. De fouten in het toeslagensysteem, de verstoorde relatie met de Belastingdienst en de zwakke reputatie van Weekers hadden niet per se tot aftreden hoeven leiden, ware het niet dat Weekers de politieke wind tegen had. Belangrijke overwegingen van de coalitie zijn de populariteit van het kabinet en de partij in de aanloop naar verkiezingen.

Een inventarisatie van aftredende bewindslieden laat zien dat de laatste keer dat een minister opstapte door een expliciete motie van wantrouwen in 1919 was. Vaak is sprake van het impliciet opzeggen van vertrouwen door een van de coalitiepartijen, waardoor de bewindspersoon zelf opstapt.

Van Thijn en Hirsch Ballin (IRT-affaire), Korthals (Bouwfraude) en Donner en Dekker (Schipholbrand), traden allen af na overleg met de coalitiepartijen en enkele maanden voorafgaand aan nieuwe parlementsver- kiezingen. Dit voorjaar zijn weliswaar de lokale en Europese verkiezingen, maar ook dan zal Rutte niet blij zijn met een struikelende staatssecretaris die de VVD in een slecht daglicht zet.

Kortom, Weekers heeft door een strategie van ontkennen en beschuldigen zelf de aandacht verlegd van de fouten in het toeslagensysteem naar zijn eigen kwaliteiten als staatssecretaris. De combinatie met een kwakkelende reputatie als 'aangeschoten wild' en een ongunstig politiek klimaat, maakte het aftreden van Weekers onvermijdelijk. Een les voor zijn opvolger: denk drie keer na voordat je je ambtenaren als zondebok naar voren schuift.

Minou de Ruiter is promovenda bij Bestuur en Organisatie aan de Universiteit Utrecht.

 
De ongeschreven regel in de relatie tussen ministers en 'hun' ambtenaren is er een van wederzijdse loyaliteit.
Weekers en zijn ambtenaren tijdens het Tweede Kamerdebat over de problemen met de toekenning van huur-, zorg- en andere toeslagen. Beeld anp
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.