'Vergeven doe ik niet, vergeten kan ik niet'

Een ziekenhuis gaat de gisteren vrijgesproken Lucia de Berk liever nooit meer binnen, zegt ze in dit vraaggesprek. ‘Stel je voor dat er een patiënt overlijdt als ik langsloop?’..

‘Malen heb ik altijd gedaan, van begin af aan. Ik heb in de dossiers zitten spitten, kijken, zoeken. Wat is er gebeurd? Wat klopt er niet? Wat heb ik gedaan, wat heb ik nagelaten? Aanvankelijk werd ik beschuldigd van meer dan dertig moorden. Ik had alle medische dossiers, maar ik kwam er niet uit. Het was te veel. Bij elk rapport van mijn advocaat heb ik aantekeningen gemaakt. Je probeert grip te krijgen op wat er aan de hand is. Op die manier doe je tenminste nog iets.’

Gisteren werd eindelijk het verlossende woord gesproken voor Lucia de Berk (1961), die in juni 2004 tot levenslang en tbs werd veroordeeld voor zeven moorden en drie pogingen tot moord. De keren dat we elkaar spreken, moeten de rechters hun definitieve oordeel nog geven. ‘Mijn leven staat nog steeds op pauze’, zegt ze. Nee, ze is niet aan het aftellen zoals een kind dat kan doen: nog drie, nog twee, nog één nachtje en dan ben ik jarig! Lucia moet het eerst zelf horen, al vertelt iedereen haar dat er niets meer mis kan gaan. ‘Zelfs het OM heeft vrijspraak gevraagd, Lucia.’

Ze haalt haar schouders op. Nou en? Ze heeft het wel gekker meegemaakt. Daarom vindt ze het ‘verschrikkelijk’ om een ziekenhuis in te gaan: ‘Stel je voor dat er een patiënt overlijdt als ik langsloop?’ En Haagse ziekenhuizen, daar zet Lucia sowieso geen stap meer over de drempel. ‘Nooit.’

De beschuldiging is onderdeel van haar bestaan geworden. Paranoïde? Ja, dat word je wel wanneer je zonder rechtmatig bewijs, zonder getuigen en zonder motief wordt veroordeeld tot levenslang. ‘Logisch toch, wat denk jij nou?’ Wat ze dacht toen het haar overkwam? ‘Ik wist het echt niet. Ik kon uiteindelijk niets anders bedenken dan dat het een straf van God was, omdat ik niet tot hem had gebeden. Toen heb ik af en toe, bij wijze van schietgebedje, Psalm 23 opgezegd: ‘De Here is mijn herder, mij ontbreekt niets... Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij...’

Thuis op de bank praat ze over de afgelopen jaren. Uit gewoonte wrijft ze met haar linker- over haar rechterhand, en kneedt ze zachtjes de verlamde vingers. Lucia kreeg in maart 2006 een herseninfarct, enkele dagen na de uitspraak in haar cassatieberoep. De tbs werd van haar straf gehaald, maar ook werd bepaald dat de bewijsvoering niet opnieuw mocht worden onderzocht.

Ze kan zich niets van het infarct herinneren. Uit verhalen van ‘de meiden’ (de andere vrouwelijke gevangenen) weet ze dat de ‘piewie’ (penitentiair inrichtingswerker) die haar om 8 uur ’s ochtends in bed zag liggen, dat niet vreemd vond. ‘Maar ze wist dat er wat met me aan de hand moest zijn, want dat gebeurde nooit. Pas toen ik in mijn onderbroek over de grond kroop en die meiden er wat van zeiden, is de ambulance gebeld. Dat was om 3 uur ’s middags.’

Sommigen geloofden toen nóg niet dat ze een infarct had gehad. Zoals de advocaat-generaal die haar gestrompel in de rechtszaal een paar maanden later – Lucia kon lange tijd niet goed lopen en praten als gevolg van haar infarct, revalidatie heeft ze nauwelijks gehad – een bewijs vond van haar manipulatieve karakter.

‘De jaren tussen september 2001 en april 2008 heb ik in verbijstering doorgebracht’, begint Lucia haar boek Lucia de B. – Levenslang en tbs dat ze schreef over haar ervaringen. Ze kwam in de cel terecht na een onverwachte arrestatie in december 2001, bij haar grootouders thuis. ‘Ik had het hier zo graag willen afmaken’, zei ze tegen de agenten, doelend op de verzorging van haar doodzieke opa. Officier van justitie Degeling hoorde hierin het voornemen van een seriemoordenaar die zijn volgende slachtoffer om zeep ging helpen.

Lucia werd overgebracht naar de vrouwengevangenis in Breda, waar ze drie weken in de isoleercel zat. Daar bracht ze ook Kerst en Oud en Nieuw door. Daarna volgde (naast systematische denkfouten en slecht geïnformeerde deskundigen) een reeks van misverstanden, die werd ontrafeld door burgers zoals arts Metta de Noo en wetenschapsfilosoof Ton Derksen, en uiteindelijk ook door onderzoek van justitie.

‘Ze hebben Fabiënne haar moeder afgepakt. Daar dacht niemand aan, aan mijn kind. Ik heb haar ontzettend gemist, en zij mij ook’, zegt ze geëmotioneerd. Elke week kwam haar dochter haar opzoeken, samen met Lucia’s partner Peter. Fabiënne leverde een werkdag in om haar moeder te kunnen zien. ‘Peter had inmiddels ontslag gekregen omdat hij zogenaamd meineed had gepleegd: hij had in een verklaring de ene keer over boeken, en de andere keer over dagboeken gesproken.’

‘Laat me niet langer vastzitten dan ik Peter ken’, wenste Lucia. Ze kenden elkaar 2,5 jaar. ‘Peet, als jij ermee wilt kappen...’, zei ze toen ze levenslang kreeg, en tbs. ‘Maar daar was geen sprake van. Hij was heel solidair.’ Ze zat uiteindelijk zes jaar en drie maanden.

In april 2008 kwam Lucia voorlopig vrij, en mocht ze buiten de gevangenis het definitieve oordeel over haar zaak afwachten. ‘Dat ik door de achterdeur moest vertrekken, vond ik verschrikkelijk. Ik mocht het aan helemaal niemand vertellen. Ik kon ook niet van de meiden afscheid nemen. Maar ik was natuurlijk wel heel erg blij.’

Sinds die tijd leefde ze tussen hoop en vrees, zegt ze. ‘Het was fijn dat ik weer langzaam aan de maatschappij kon wennen. Ik kende de euro niet eens! Ik had de zenuwen om gewoon weer met iemand te praten, een winkel in te lopen. Ik zou iets verkeerd kunnen doen. Ik was ook bang om herkend te worden, ik had het gevoel dat in grote letters ‘Lucia de B.’ op mijn voorhoofd stond.

‘Nu ben ik sterk genoeg om mijn gezicht te laten zien, al vind ik dat natuurlijk ook best eng. Er zullen altijd mensen blijven zeggen: waar rook is, is vuur. Maar ik heb geen zin om me nog langer te verstoppen.’

Hoe hield ze het vol in het gevang? ‘Dag voor dag. Stukje voor stukje. Er was steeds weer een klein beetje hoop, al leek dat er na de cassatie niet meer op. Maar daarna kwam het boek van Ton Derksen, de herziening van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken, het onderzoek van advocaat-generaal Knigge. Het duurde allemaal eindeloos. Maar ik ben gewoon een doordouwer.’

Ze bezweek niet na die eindeloze politieverhoren waarin ze op allerlei manieren onder druk werd gezet om toe te geven. ‘Ik ga toch niet iets bekennen dat ik niet heb gedaan?’ Ze wijst naar haar voorhoofd. ‘Ik ben toch niet gek.’ In haar boek staan fragmenten weergegeven van de 26 urenlange verhoren. Pagina’s aan een stuk: repeterende vragen, suggesties, bangmakerij, leugens, intimidatie. Met telkens hetzelfde antwoord: ‘Ik beroep me op mijn zwijgrecht.’

Daarna kwam de gevangenis. Eerst Breda, tot 25 juni 2004, vervolgens Nieuwersluis, tot aan haar voorlopige vrijlating op 2 april 2008. Over die laatste gevangenis schrijft ze helemaal niets. ‘Dat moet ik nog verwerken. Ik was helemaal kapot toen ik daar kwam. Het eerste jaar was er ook niks te vertellen. Er gebeurde niks, ik mocht niks, er was niks, ik had geen perspectief. Ik zat opgesloten en de sleutel was weggegooid, zo voelde dat. Ik was heel erg depressief.’

Nieuwersluis is een hoofdstuk apart in het verhaal van vernederingen en pesterijen waarmee, zo constateert Lucia, ‘piewies’ bij voorkeur geschiedenis schrijven. ‘Tuurlijk zitten er een paar goeie tussen, maar de meeste... Dat werd nog erger omdat ik levenslang én tbs had toen ik daar binnenkwam. Ze vinden de gevangenen tuig, en een seriemoordenaar is wel héél erg. Ze hielden mij extra in de gaten, omdat ik door dat ‘levenslang’ suïcidaal zou kunnen zijn. Niet om met me te praten, hoor. Nee, om me op tijd te kunnen isoleren.’

Lucia spreekt wel liefdevol over ‘de meiden’. Ze zag ze komen en gaan, een pesterijtje op zichzelf. ‘Ik zat niet bij andere langgestraften, dat was voor mij fijner geweest. Maar dat mocht niet omdat ik ook nog tbs had (in 2006 haalde het Amsterdamse gerechtshof de tbs van de straf af, red.). Dus ik zag steeds weer mensen vertrekken. En vaak weer terugkomen ook. Tegen sommigen zei ik: heb je een strippenkaart of zo?

‘Die vrouwen gaan weer terug naar hun oude leven, ze krijgen geen nazorg, geen begeleiding, niks. In de gevangenis zijn ze verbitterd geraakt door de manier waarop ze worden behandeld, en buiten is er geen alternatief. Dus die doen weer hetzelfde.’

De willekeur was misschien wel het ergst, zegt ze. ‘Er zijn allerlei regels waar weer van afgeweken kan worden vanwege de ‘orde en veiligheid’. Dat argument kan iedere piewie gebruiken om je te pesten.’ Een gevangene heeft tijdens de zogenaamde ‘recreatie’ permanent gebrek aan tijd: te weinig tijd om te douchen, te koken, te bellen met thuis, bezoek te ontvangen. Die tijd bekorten, is een effectieve manier om mensen dwars te zitten.

‘Dan is er bijvoorbeeld personeelstekort, en kun je niet douchen. Of er is in het teamoverleg bepaald dat je niet meer in de wasserij mag werken, maar naar textiel moet. Gewoon zomaar, onverwacht en zonder opgaaf van redenen. Of ze houden je post achter. Peter stuurde me de eerste jaren elke dag een kaart, maar soms kreeg ik vijf dagen niks.’

Lucia schrijft in haar boek dat ze had overwogen met haar werk als verpleegkundige te stoppen, juist omdat ze zo vaak het overlijden van een kindje meemaakte. ‘Ik vond het te zwaar worden. Ik wilde wel iets met kinderen blijven doen, maar niet langer dit.’ Ze sprak erover met de maatschappelijk werkster, die haar geruststelde – en naderhand tegen de politie belastende verklaringen aflegde.

Lucia: ‘De mensen van justitie ken ik niet. Excuses van hen zou ik op prijs stellen, maar verwacht ik niet. Veel erger is wat je oud-collega’s je aandoen, mensen met wie je een goed team vormde. Eén verpleegkundige, Jolanda, bleef achter me staan. Zij was erbij toen Amber overleed, en samen bespraken we wat we mogelijk waren vergeten of anders hadden moeten doen.

‘Verder moesten er vreemden aan te pas komen om mijn onschuld te bewijzen. Dat verwacht je toch niet van mensen met wie je fijn hebt gewerkt? Mensen die wisten dat het steeds om een natuurlijke dood ging, maar dat onder druk van de recherche ‘moord’ gingen noemen. Dat doet pijn, weet je, dat doet echt pijn. Nu wordt het van moord weer een natuurlijke dood. Hoe verantwoorden die mensen dat voor zichzelf?

‘Natuurlijk heb ik weleens gedacht: als ik ze eens te pakken krijg! Maar wat dan? Als ik me daarin laat meeslepen, word ik depressief en ga ik eraan kapot. Dat wil ik niet. Vergeven doe ik niet, en vergeten kan ik niet.

‘Die mensen maken al bijna tien jaar deel uit van mijn leven. En door die verlamming’ – ze tilt haar rechterarm langzaam omhoog – ‘zal ik ze ook nooit meer kunnen vergeten.’

De kwestie heeft twee gebroken families opgeleverd. Lucia had al niet zo’n beste verhouding met haar moeder en zus, en die is nu definitief verziekt. ‘Mijn moeder heeft tegen de politie verklaard dat ik mijn tweelingzusje al in de baarmoeder heb vermoord. Mijn zus verklaarde dat ik, toen ik 4 jaar was, een scheermesje tussen haar blokken verstopte, zodat zij zich zou snijden. Ze zou haar kinderen nooit aan me toevertrouwen. Terwijl ik heel vaak op haar kinderen heb gepast.

‘Ook de familie Derksen is verscheurd door deze zaak. Dat vind ik verschrikkelijk.’ Metta de Noo en haar broer Ton Derksen raakten betrokken bij de zaak doordat hun schoonzus als chef de clinique in het Juliana Kinderziekenhuis de medische gegevens had aangedragen, die aan de basis lagen van de rechtszaak tegen Lucia – gegevens die zij onderuit haalden. Dat leidde tot een brouille in de familie.

Lucia is erg op haar hoede met nieuwe mensen. Haar vroegere enthousiasme, openheid en spontaniteit zijn verdwenen. ‘Ik hou afstand, ik hou me op de vlakte. Ik heb minder behoefte aan contact met nieuwe mensen. Als ik niet oplet, kan iemand me zo een oor aannaaien. Ik hielp altijd gemakkelijk mensen. Nu niet meer. Zelfs niet bij zoiets als de weg wijzen. Als ik de straat niet weet, pak er niet even een kaart bij om ’m op te zoeken. Dan zeg ik ‘sorry’ en loop ik door. Je kunt er zomaar gedonder mee krijgen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.