'Tuinaanleg is meetbaar, opvoeden niet'

Ze hadden een keurige baan of een topfunctie. Maar ze besloten na zoveel jaren toch hun hart te volgen. De een werd hovenier, de ander schipper bij de bruine vloot....

'BIJ DE SCHOOL werd nieuwbouw neergezet en ik stond met een collega naar de bouwvakkers te kijken. Het miezerde en hij zei: wij hebben het maar goed als leraar, wij staan droog, in een mooi pak, en zij moeten daar buffelen. Terwijl ik dacht: dát is leuk. Lekker buiten, in een bodywarmer, met je handen werken. En geen kinderen die geen zin hebben.

Sinds een jaar leg ik tuinen aan. Het resultaat ervan is meetbaar, in tegenstelling tot dat van opvoeden. En je hebt voldoening als je een klus afrondt, je kunt het afsluiten. Aan een moeilijke klas zit je een heel jaar vast.

Een tijd geleden kwam ik een vriend tegen die na elf jaar in het onderwijs moest afvloeien. Hij was gaan werken in een boomkwekerij - hij moest toch wát - en legde als hobby tuinen aan. Dat leek me wel iets. Ik had geen groene vingers, daarom ging ik een paar zaterdagen mee. Het beviel me wel, dus besloot ik hovenier te worden.

Het had bij wijze van spreken ook buitenschilder kunnen zijn. Of dakdekker, maar ik heb hoogtevrees. Ik heb altijd bewondering gehad voor stratenmakers, voor vakmensen. Maar als je kon leren, kwam je niet in zulke beroepen terecht.

Op mijn eindexamen had ik een goeie natuurkundesom gemaakt, dus moest ik maar naar Delft. Mijn opa was smid en daarom werd het metaalkunde. Maar ik was vooral bezig met studentenacties. Bij het afstuderen kreeg je drie eerstegraads lesbevoegdheden cadeau, voor schei-, wis- en natuurkunde. En meteen de hoogste salarisschaal. Zo rolde je het vak in: gewoon beginnen, zonder pedagogische scholing. In 1976 ging ik lesgeven in Rotterdam, en daarna in Leiden. Maar mijn passie lag buiten schooltijd: actievoeren in de onderwijsvakbond Abop en de politiek - voor mij de CPN.

Achteraf was het mischien verstandig geweest les te blijven geven in de bovenbouw. Daar heb ik meer aanleg voor. Ik kan goed met leerlingen persoonlijk omgaan, kan ze de ruimte laten. Maar mijn ambitie ligt in de onderbouw, waar ze worden gevormd. Tegelijk ligt daar niet mijn sterke kant. Je moet er leider kunnen zijn, heel consequent en rechtvaardig. De meeste bewondering heb ik dan ook voor collega's die voor moeilijke groepen stonden.

In 1981 kon ik gaan werken op de Open School Gemeenschap Bijlmer, een middenschool. Dat onderwijsideaal was toen hét item. Het was een prima school. Dáár had ik inspirerende collega's, dáár vond ik lesgeven zinvol.

Maar het was een experimenteerschool en na tien tropenjaren, op mijn veertigste, wilde ik iets anders. Een jaar lang heb ik gewerkt op een drukkerij. Een mooi vak, maar ik nam ontslag vanwege de slechte arbeidsverhoudingen. Ik dacht toen: het enige dat resteert, is lesgeven. Dus werd het terug het onderwijs in. Maar door een fusie werd mijn baan na een jaar opgeheven.

Nog één keer ben ik toen met frisse moed begonnen op een school voor individueel voorbereidend beroepsonderwijs. Bij veel van die kinderen zitten de problemen in het sociale gedrag. Ik gaf les aan de eerste en tweede klas, voor mij eigenlijk de foute leeftijd.

Kijk, lesgeven. . . Een collega gaat naar Zimbabwe, die heeft daar vijftig leerlingen die trots zijn dat ze naar school mógen. Ze zitten heel braaf te luisteren naar de meester of juf. Dat is een oneindig verschil met een klas met kinderen die er geen zin in hebben. Dan is het: meester, waarom bent u niet ziek? Of het is warm en het laatste uur, dan hoor je: we hebben geen zin. Dat is mij te zwaar. Want in mijn hart wil ik zeggen: als je geen zin hebt, blijf dan alsjeblieft weg. En dan blíjven ze ook allemaal weg.

Ik denk dat daar de discrepantie gezeten heeft. Tussen wat ik wilde met mijn verstand, wat ik politiek en idealistisch belangrijk vond, en wat ik emotioneel aankon. Na drie jaar zei ik: dit kan ik niet meer. Met hulp van de school heb ik mijn eigen outplacement verzorgd. Ik hielp hen door niet in het traject van de Ziektewet te stappen, en zij mij door me twee dagen per week een baan als onderhoudsconciërge aan te bieden. Op de overige dagen ben ik met mijn eigen bedrijf begonnen.

Na twee jaar kon ik tegen de rector zeggen: ik wil doorzetten waar ik aan begonnen ben. Nu heb ik nog voor ééntiende een baan op school als tuinman. Mijn hoveniersbedrijf loopt goed. Niemand zei: weet je wel waar je aan begint? Vrienden, buren, collega's, allemaal vinden ze het leuk. Dat is belangrijk, want zij zijn je eerste klanten. Financieel riskant was het niet. Mijn vrouw heeft een goede baan als conrector, we hebben weinig vaste lasten, geen kinderen. Wat wel onrechtvaardig is: je sociale zekerheid, je opgebouwde rechtspositie, zeg je van de ene dag op de andere vaarwel doordat je zelf ontslag neemt.

Het buitenwerk is prettig. En tegenwoordig is tuinieren vaak technisch werk, terrassen aanleggen, pergola's plaatsen, beschoeiingen maken. Een ander voordeel is dat ik zomaar een week in mijn agenda kan doorstrepen. Dan ga ik lekker fietsen in Frankrijk.

Landmeter, dat lijkt me ook wel wat.'

Jacomijn de Raad

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.