'Tot mijn twaalfde was religie iets hoogs, ver weg'

Naar de plekken van de jeugd. Deze week: Abdullah Haselhoef (33)...

Abdullah Haselhoef rijdt op de Laan van Meerdervoort in een witte Hyundai-bestelbus. Hij leunt naar voren op het stuur, dat bedekt wordt door zijn onderarmen. Ter linkerzijde van de Laan, zegt hij, ligt Goed Den Haag. Die andere kant is dus Slecht Den Haag. Zo heeft hij de stad altijd al opgedeeld. Een hele jeugd heeft Haselhoef gependeld tussen die twee uitersten, met tramlijn elf van chic naar volks en terug.

Parkeert zijn bus bij Hotel Bel Air en drinkt er koffie, in de ambassadebuurt. 'Hier is mijn beschaafde kant ontstaan, hier ben ik opgevoed tot Hagenaar.' Parkeert de bus bij eethuis Bogazici, tl-verlicht in de Schilderswijk, bestelt er Turkse pizza met ayran. 'En hierzo kreeg ik het karakter van een straatjochie mee, hier werd ik Hagenees.'

Zijn leven is gebouwd op contradicties. Re gil lio Frank Haselhoef dat is de naam die hij bij geboorte kreeg kwam als mengpersoon ter wereld. Kind van een joodse vader en een hindoestaanse moeder in Para maribo. Om ringd door een grote familie met een gelovige moslim als opa die alles wist van winti-rituelen. Vader vertrok naar Canada, moeder nam hem mee naar Den Haag, waar hij een Chi ne se stiefvader kreeg, die bij de Pinkster ge meen te zat. 1972: Regillio was vier.

'Ik sprak alleen maar neger-Engels toen ik aankwam in dit land, maar paste me snel aan. Ik was nogal licht van kleur. Op school, een hele witte school, kwam pas het besef dat ik anders was. Dat ik een gekleurde moeder had. Kom ik thuis op een middag, zeg ik tegen haar: "Jij bent toch maar een kleine negermoeder." Maar het maakte niet veel uit. Tot mijn twaalf de heb ik er nooit rekening mee gehouden. Het was een standaard Haagse jeugd. Ik ben er uiteindelijk oer-Hollands van geworden.'

De Obrechtstraat, aan de rand van de Haag se ambassadewijk. Het huis is niet chic, maar wel riant, zijn moeder woont er nog en is pas 55. Door het dakraam van zijn jongenskamer had Regillio uitzicht op een puntje Vre des paleis. De buren heten Boogerd, van Mich ael Boogerd inderdaad, de wielrenner, 'aardige jongen, maar net iets jonger. Ik speelde vooral met Rieni, zijn broer.' Gingen ze belletje trekken, bij oude buurvrouwen. Voetballen met die andere vriend, Bart Veld kamp, die later schaatser werd, wiens ouders een wasserette dreven aan de Frederik Hen drik Laan. Ze zaten samen in de klas. 'Haagse jongens onder elkaar. Bart heb ik na de lagere school niet meer gezien. We voetbalden in de wei waar nu het Omniversum staat. Ik maakte daar mijn eerste illegale joyride; op een paard. Dat stond daar gewoon en ik ging er in een vlaag van overmoed op zitten. Ik was tien. Of elf.'

Die sfeer van grote gebouwen met verhalen, dat maakte indruk. Klom met Rieni Boogerd stiekem over een hek en speelde in een tuin die later van het Catshuis bleek te zijn. 'Op weg naar school liep ik ze allemaal langs: de ambassade van Irak, van Oost-Duitsland, van de Sovjet-Unie. Het Vredespaleis, alles dicht bij elkaar in de buurt dat moet iets met je doen.'

Hij voelt zich thuis in de brede straten maar rijdt hard door, over de Laan van Meerder voort naar de andere kant, waar hij zich net zo thuis voelt en waar het begint te regenen zodra het Hobbemaplein is gerond. Dit was ook zijn territorium, en is het in zekere zin nog steeds. Hij kent er elke straat. De ganse familie van moederskant streek hier neer, in de vroege jaren zeventig, recht uit Suriname, en groepeerde zich rond het plein. Al die neven nichten, ooms en tantes, bij elkaar meer dan vijftig stuks, met als epicentrum het huis van oma in de Van Miereveltstraat, alleen gescheiden van moskee Nur el Islam door een schutting. 'Dat was een doorgebroken huizenblok. Als het tijd was om te bidden, klommen we over oma's schutting naar de moskee. Ik weet niet het voelde anders toen. Eenvoudiger.'

Oma's huis is afgebroken en erachter staat een nieuwe moskee, een grote echte met een minaret. Hij gaat er soms heen, maar herkent zich nauwelijks in de sfeer. Geldt trouwens voor de hele buurt, waar dichtgetimmerde sloophuizen de toon zetten en jonge allochtonen rondrijden in een zware Benz. Verder: eetcafé Aksaray, toko Sien Sien, koffiehuis Sahin.

'Destijds woonden hier nog autochtone Ne der landers. Nu is het helemaal zwart. Ik maak me zorgen. Hier komt de multiculturele samenleving niet tot stand kijk eens om je heen, een afgesloten wijk waar mensen in hun eigen wereld leven. Ze bouwen mooie nieuwe moskeeën, maar het is niet zozeer mijn islam die er wordt gepredikt. Het is een oude vorm van woestijnislam. Al die nieuwbouw haalt weinig uit je knapt alleen de buitenkant op. Zie je de rommel op straat? Je kunt met nieuwbouw alleen niet de binnenkant van de mensen veranderen. Het blijft sloopdump.'

Hij was het oudste kleinkind, en dus geliefd in die kroes van verre en minder verre familie. Zo leerde hij de straten kennen: 'Ik maakte etensrondjes door de wijk bij Surinaamse ooms en tantes staat altijd eten klaar', maar bleef het liefst bij opa Jozef, driehoog aan de Vliegerstraat. Opa was een timmerman van het wijze soort. Hij sprak hindi, urdu en perzisch. Kende de Koran, had de Bijbel bestudeerd, zijn vader was in Suriname een geres pecteerd imam. 'Geen strenggelovig man, maar hij had de pest aan schijnheiligheid. Zijn zonen hadden een wilde tijd achter de rug, en werden plotseling vrome moslims. Die joeg hij op de kast. Mensen op stang jagen, dat heb ik van hem. Al probeer ik het wel af te leren.'

Opa noemde hem Abdullah.

'Toen ik dertien was en definitief voor de islam koos, heb ik die naam maar gehouden.'

Religie, welke dan ook, in alle soorten en maten, heeft altijd om Haselhoef heen gewoond. Nog steeds wordt de Obrecht straat aan alle zijden geflankeerd door godsdienst: vlak bij het woonhuis staan de Russisch orthodoxe kerk, de First Church of Christ Scientist, het pand van de Nederlandse Soefi Beweging. Hare Krishna zat wat verderop, net als de Jeho va's Getuigen en onderweg naar de Schil ders wijk rijdt Abdullah langs wat toen de Bhag wan-tempel was aan het Zoutmanplein. Over al is hij binnengeweest, uit nieuwsgierigheid. 'Al die kleine kerken om me heen. Dat heeft me, denk ik, wel gevormd.'

'Om de hoek hier is de bibliotheek, ik las minstens vijf boeken per week. 's Nachts, deur dicht lamp aan, met een pak chocolademelk en een zak chips en maar lezen. Ik las de kinderstripbijbel vanaf mijn zevende. Ik las de bouquetreeks van mijn twee jaar oudere tantes, en hun boeken over seksuele voorlichting. Ik las over zenboeddhisme en Jean Fou draine, ik las de religieuze sciencefiction van Wim Gij sen, alles wat letters had vrat ik op.

'Tot mijn twaalfde was religie iets hoogs en onaantastbaars. Er was voor mij geen verschil tussen Griekse mythologie, christendom of islam. Ik wist wel dat ik joods was, maar hoe joods begreep ik pas veel later toen ik een werkstuk maakte over de holocaust en ontdekte dat familieleden in de vernietigingskampen zijn vermoord. De joodse tak van de Hasel hoefs komt oorspronkelijk uit Letland, dat zijn de Kopinsky's. Familie van mijn vaders moeder. Die wonen nog steeds in Den Haag en Amsterdam.'

Haselhoef koos voor de islam toen hij dertien was: 'Een verre achterneef van me kwam om het leven en we stonden bij zijn graf, voeten in de sneeuw en ik dacht: is dit nu het leven, komen en weggaan? Ik maakte de keuze, het was intuïtief. Ik ben joods besneden, kreeg op school les van een dominee, ging met Kerstmis naar de Blije Evangelie-predikant Johan Maasbach, leefde als een hindoestaans straatjochie, leerde bidden als een christen en dank te voor het slapen Onze Lieve Heer. Maar de liberale islam was voor mij de mooiste manier om godsdienst te beleven.'

Hij deed het fanatiek. Droeg een baard. Be zocht de koranschool en kwam terecht bij het Moslim Informatie Centrum van imams Ab dul wahid van Bommel en Ahmed el Helou nog steeds strategisch gelegen tussen de ambassadebuurt en de Schilderswijk. 'Van Bom mel gaf les over het leven van de profeet, elke zaterdagavond. Ik had zo veel vragen! Hij was een soort vaderfiguur voor me.

'Een rare wending: tot mijn twaalf de was ik Regillio, een knap stoer jongetje dat sjans had met de meiden. Op mijn dertiende is dat allemaal gestopt. Op mijn veertiende liet ik een baard staan en op mijn vijftiende kreeg ik ruzie met de leraren op school omdat ze me geen plek gaven voor het middaggebed. Op mijn zestiende ging ik van school. De woorden daar hadden geen betekenis meer.'

Op zijn 33ste kent heel Neder land imam Ab dullah Haselhoef, de man met de tulband, die na de aanslagen van 11 september in Ame rika op televisie en radio en in de kranten uitlegt wat een moslim vermag, die onder vuur kwam omdat hij over homo's sprak maar niet weg te slaan is uit het maatschappelijk debat.

Hij geeft de Turken in eethuis Bogazici een hand en rijdt terug naar Krabbendijke, het Zeeuw se dorp waar Haselhoef nu woont met zijn Duitse vrouw, drie dochters en een zoon. 'Ik was zo vroeg volwassen', zegt hij nog. 'Had ik langer kind moeten blijven? Geen kans. Tegen een boom kun je ook niet zeggen dat ie moet ophouden met groeien.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.