'Polen hebben geleerd pragmatisch te handelen'

Andrzej Szczypiorski, schrijver, auteur van tal van romans en essaybundels over zijn geliefde en soms gehate Polen, aarzelt geen seconde....

Van onze verslaggeefster

Anet Bleich

WARSCHAU

Het is een kille, maartse ochtend; de eerste lentedag, maar af en toe valt er beetje sneeuw. In Szczypiorski's auto rijden we door de straten van Warschau, op zoek naar een rustig café. 'Wat een lelijke stad, he?', zegt hij vol oprechte afkeer. 'Neen, spreek me maar niet tegen! Warschau is lelijk. Vroeger was het mooi, anders. Tot 1944.'

In augustus 1944 kwam de bevolking van Warschau in opstand tegen de nazi's, nadat driekwart jaar eerder de bewoners van het joodse getto al vergeefs de wapens hadden opgenomen. Onder de deelnemers aan de Opstand van Warschau was ook de twintigjarige Andrzej Szczypiorski. 'Het werd de grootste nederlaag uit de Poolse geschiedenis', zegt hij kortaf. 'De hele stad hebben ze verwoest. Een kwart miljoen mensen is om het leven gebracht.' De Polen bouwden in 1945 de Oude Stad van Warschau weer steen voor steen op. In het nieuwere deel van het centrum vierde de pompeuze Sovjet-architectuur triomfen.

De Duitsers brachten Szczypiorski in 1944 naar het concentratiekamp Sachsenhausen. Daar zat hij vast, tot het kamp ophield te bestaan, 'op 23 april 1945. Dat was mijn eerste bevrijding.'

In Warschau bevond zich intussen het Rode Leger. Szczypiorski: 'De overgrote meerderheid van de Polen heeft de Russen toen wel degelijk als bevrijders begroet. De Duitse bezetting was moordend, bloedig, wreed. Van oudsher bestond hier te lande sympathie voor de Duitse cultuur. Veel ontwikkelde Polen lazen Duitse literatuur, studeerden aan Duitse universiteiten. Plotseling kwam de oorlog, de bezetting en de Duitsers gedroegen zich niet als Duitsers maar als duivels.

De Russen hebben ons bevrijd. We wisten dat de Russen anders zijn dan wij, we beschouwen de Sovjet-Unie als een vreemde macht. Toch maakten we ons illusies. We dachten: we zijn dan misschien niet helemaal onafhankelijk, maar we zullen ons eigen Poolse socialisme opbouwen. Vóór de oorlog waren de sociaal-democraten van de PPS de grootste partij in Polen; de communisten speelden praktisch geen rol.

We waren tegelijk ook hulpeloos, weerloos en radeloos. De Britten en Amerikanen waren Stalins bondgenoten. Ze hebben de communistische regering in Warschau onmiddellijk erkend. Wij zijn verkocht en verraden! Zo voelen alle Polen het. Ook nu nog.'

Verkocht en verraden en tegelijkertijd illusies? Is dat niet tegenstrijdig?

'Nee', antwoordt de witharige schrijver heftig. 'Dat is geen tegenstelling. We zijn verkocht en verraden. Maar de nieuwe machthebbers hadden het niet over communisme, maar over volksdemocratie. Dat zou heel iets anders zijn. Veel mensen dachten: okay, we proberen het: de armoede bestrijden, gratis onderwijs en gezondheidszorg, opheffing van het grootgrondbezit, scheiding van kerk en staat. Dat klonk heel vooruitstrevend en democratisch. Maar lang hebben die illusies niet geduurd.'

Gewetensvol schetst hij de opeenvolgende stadia in de ontwikkeling van de Poolse Volksrepubliek. De stalinistische gelijkschakeling en centralisering die in 1949 werd voltooid, alweer een tijd van onderdrukking en terreur met duizenden doden. De liberalisering na Stalins dood, vanaf 1955; de terugkeer van Gomulka, die eind jaren veertig gevangen zat, aan de top van de partij. De Poolse Oktober van 1956, nieuwe illusies en desillusies. Het veelbewogen jaar 1968, de Praagse Lente, de Russische tanks, de van bovenaf geregisseerde antisemitische uitbarstingen in Warschau. Het einde van de laatste hoop op hervorming van binnenuit. En daarna: politieke en arbeiders-oppositie, de vakbond Solidariteit, het uitroepen van de staat van beleg door generaal Jaruzelski in december 1981. 'Dat was een onaangename tijd, de periode 1981-1989', zegt Szczypiorski, dit keer met gevoel voor het understatement.

In de nacht van 12 op 13 december 1981 werd hij even vóór middernacht door de Militie van huis opgehaald. Via de gevangenis Bialoleka ging het naar het interneringskamp Jaworze in noord-west Polen. Daar moest hij tot het voorjaar van 1982 blijven, met geestverwanten als Tadeusz Mazowiecki, Adam Michnik en Bronislaw Geremek.

Het moet een traumatiserende ervaring zijn, zo'n tweede gevangenschap, na Sachsenhausen.

'Dat kan je niet in één adem noemen. Vergeleken met Sachsenhausen was het kamp in Jaworze een vakantiekolonie. In Sachsenhausen ben ik verschrikkelijk geslagen. In Jaworze was zoiets ondenkbaar. In Sachsenhausen had ik altijd honger. In Jaworze at ik chocola en rookte Amerikaanse sigaretten. In Sachsenhausen moesten we dwangarbeid verrichten, moordende arbeid. In Jaworze speelden we bridge.

Fysiek was het iets totaal anders. Maar psychisch was het bijna niet te verdragen: opgesloten te zijn in je eigen land, door je landgenoten. Niet door Hitler en de nazis, maar door Jaruzelski. Kent u mijn vriend Bartoszewski, die sinds kort minister van Buitenlandse Zaken is? Hij is in Auschwitz geweest; daarna zeven jaar in een Poolse gevangenis. En tenslotte met mij in Jaworze. Drie keer.' Hij begint ineens te grinniken; 'Nou ja, dat is het Poolse lot. Maar in 1989 zijn we bevrijd. Door onszelf. We hebben het zelf gedaan. Zonder Amerikanen, Britten, Fransen, of wie ook.'

'Het is een legende dat de Polen romantici zijn', betoogt hij vol vuur. 'We zijn een pragmatisch volk, veel pragmatischer dan de Tsjechen. Dat klinkt misschien paradoxaal, maar het is de zuivere waarheid. Romantici waren we in de 19e eeuw; in 1944 ook nog, maar na de Tweede Wereldoorlog hebben we geleerd pragmatisch te handelen. Jaruzelski is tijdens de staat van beleg gematigd opgetreden en wij hebben ons ook verstandig gedragen. Sterker nog: we dachten: misschien heeft ie wel gelijk. Want als hij niet had ingegrepen, waren wellicht de Russen gekomen en dat was veel erger geweest.'

Paradoxen. Szczypiorski is er dol op. Met zichtbaar genoegen beschrijft hij het communisme als één grote paradox. 'Het is totalitair, net als het nationaal-socialisme. Maar dat is dom, grof, het heeft geen enkele diepgang. Het communisme rust daarentegen op een zeer solide filosofisch fundament. Niet alleen op Lenin, Marx, Engels, ook op Hegel en de hele Verlichting, het utopisch socialisme, terug tot aan Babeuf, in 1793. Volgens mij belichaamt het communisme de grootste illusie van de Europese cultuur: dat de mens dankzij zijn goddelijke verstand tot alles in staat is. En ten tweede dat we in de toekomst een eind kunnen maken aan de eeuwige ambivalentie tussen gelijkheid en vrijheid. Dat is een oeroud verlangen van de mensheid: zowel vrij als gelijk te zijn.'

Hij kijkt een beetje spijtig. 'Die illusie is ook kapot. We hebben nu de vrije markt, maar gelijk zijn we niet. Zelfs de vrijheid betekent niet voor iedereen hetzelfde. Ik ben er blij mee, er is geen censuur en ik kan gaan en staan waar ik wil. Maar een Poolse boer merkte nooit veel van de censuur; hij hoeft niet naar Parijs en hij had het tien jaar geleden beter dan nu. Het is niet voor niets dat de post-communisten overal de verkiezingen winnen. Veel mensen lijden aan nostalgie. Ze voelen zich onzeker.'

Maar tien jaar geleden stond, zegt u zelf, de hele Poolse samenleving als één man tegenover het communisme?

Szczypiorski verslikt zich zowat in z'n gebakje van het lachen. 'Ja! Men was tegen de communistische machthebbers. Maar niet vóór het kapitalisme! Dat hebben we nu. Een jong, wild kapitalisme. We kunnen er niet mee omgaan, we zijn er niet aan gewend. Gun ons nog een jaartje of tien.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.