Interview Nicolás Sánchez-Albornoz

‘Laat Franco’s graf maar instorten’, zegt deze 92-jarige dwangarbeider die ontsnapte aan het kamp

De Spaanse dictator Franco staat 43 jaar na zijn dood volop in de belangstelling, nu de Spaanse regering heeft besloten zijn lichaam weg te halen uit de Vallei der Gevallenen bij Madrid. Voormalig dwangarbeider Nicolás Sánchez-Albornoz (92) is een van de laatsten die kan navertellen hoe het monument in de jaren veertig en vijftig werd gebouwd.

Een portret van Nicolas Sanchez Albornoz, politieke gevangene tijdens het dictarorschap van Franco.

‘Om Franco’s monument aan te leggen, werden dwangarbeiders zoals wij verdeeld over drie kampen. De eerste groep gevangenen moest het klooster bouwen. Zij voerden gewone bouwwerkzaamheden uit: metselen, timmeren, steigers opbouwen, de gewelven maken.

‘Dan was er een groep die de crypte moest uithollen in de berg. Het moest een gigantische onderaardse kerk worden, en ook een graf voor tienduizenden doden uit de Burgeroorlog. Dit was het gevaarlijkste werk. Die mannen werkten met dynamiet: kruit aanbrengen, en dat laten ontploffen. Een helm hadden ze niet. In het beste geval droegen die arbeiders een platte pet. Daar gebeurden ongelukken. Er vielen doden.

‘Ten slotte waren er de gevangenen die de toegangsweg en het voorplein moesten aanleggen. Zij deden het zwaarste werk, met een pikhouweel en een schep. Bovendien behandelde de opzichter van dat kamp zijn gevangenen slecht.

‘Ik had geluk. Ik werd ingedeeld in het kamp dat het klooster bouwde. Direct nadat ik aankwam zei de bevelhebber: ‘Je bent een student? Kun je omgaan met een typemachine?’ Hij had iemand nodig op kantoor. Zo kwam het dat ik niet één steen op de andere heb gestapeld, maar bezig was met stapels papier.’

Beroemd in Spanje

Nicolás Sánchez-Albornoz (92) is een van de laatste dwangarbeiders die kan navertellen hoe het monument in de Vallei der Gevallenen in de jaren veertig en vijftig werd gebouwd. Het is een bouwwerk dat momenteel volop in de belangstelling staat: de Spaanse regering heeft besloten het lichaam van Franco er weg te halen, zodat de dictator niet langer verheerlijkt wordt in zijn eigen monument.

Het verhaal van Sánchez-Albornoz is beroemd in Spanje: hij en een medegevangene zijn twee van de weinigen die succesvol wisten te vluchten uit het werkkamp. Van hun vlucht is zelfs een film gemaakt, Los años bárbaros (De barbaarse jaren).

Na zijn ontsnapping voegde de jonge Sánchez-Albornoz zich bij zijn vader in Argentinië. Claudio Sánchez-Albornoz was kortstondig minister geweest in de tijd dat Spanje een republiek was. Later zou hij president van de republikeinse regering in ballingschap worden. De voormalige dwangarbeider Nicolás kwam ook goed terecht: hij schopte het tot de eerste directeur van het Instituto Cervantes, het wereldwijd actieve instituut voor de Spaanse cultuur.

De Vallei van de Gevallenen, waar Sánchez-Albornoz nooit is teruggeweest. Vandaag is de 43ste sterfdag van Franco. Beeld Joost van den Broek

In zijn woonkamer, op de tiende verdieping van een flatgebouw in een gegoede wijk van Madrid, vertelt Sánchez-Albornoz – in versleten vest, maar met een slijtvast geheugen – over zijn tijd in het werkkamp.

Terwijl verstokte franquisten de sterfdag van Franco – op 20 november 1975, dinsdag 43 jaar geleden – ieder jaar aangrijpen om de herinnering aan de dictator levend te houden, heeft Sánchez-Albornoz iets anders op zijn programma staan. Studenten van de Complutense-universiteit hebben hem uitgenodigd om opnieuw de schildering aan te brengen waarvoor hij lang geleden werd veroordeeld tot het dwangkamp. ‘Viva la universidad libre’, dat zal er staan.

Een daad van verzet

‘Ik zat in een clandestiene verzetsgroep van studenten. We plakten pamfletten om onze kritiek op het regime kenbaar te maken. Dat diende een dubbel doel: we irriteerden de regering en de politie ermee, en we probeerden zo meer mensen te rekruteren. We maakten ook reizen: naar andere steden in Spanje en naar studiegenoten die in ballingschap zaten in Parijs.

‘In de winter van 1947 besloten we leuzen te schilderen op de gevel van een van de faculteiten, op een heel zichtbare plaats. Bij onze groep zaten een paar studenten van de Faculteit der Chemie. Zij stelden voor: laten we zilvernitraat gebruiken. Dat werd vroeger gebruikt in de fotografie. Het is een lichtgevoelige stof. Zolang het donker is zie je er niets van. Mijn medestudenten schilderden de leuzen midden in de nacht en keerden rustig terug naar huis. Maar de volgende dag, toen de zon opkwam, zag de politie onze teksten voor haar ogen verschijnen.

‘Zilvernitraat heeft nog een voordeel: het dringt door in de poriën van de bakstenen. Het lukte niet om de leuzen te verwijderen. De enige oplossing was de teksten weg te hakken. Maar ja, zo bleven er natuurlijk toch nog sporen achter van onze actie.

‘De politie wist dat er een organisatie van studenten actief was. Het was een kwestie van tijd voor ze ons vonden. Veertien van ons werden gearresteerd: twee meisjes, de rest jongens. Na een jaar in de gevangenis werden we berecht door de krijgsraad. Voor ‘militaire rebellie’, ook al waren we gewoon burgers. Ik kreeg zes jaar. Het was 1948, en ik werd met twee anderen naar Cuelgamuros (vroegere naam van de Vallei der Gevallenen, red.) gestuurd. Om te werken.’

Het werkkamp

‘Elke drie uur werden de gevangenen geteld. In het kantoor hielden we de lijst van gevangenen bij. Ook hielden we ons bezig met het voedsel. We moesten de calorische waarde van de etenswaren berekenen die aan de gevangenen werden overhandigd. Die berekeningen waren een theoretische exercitie, niets meer. Absolute waanzin. Want de vrachtwagens met voedsel kwamen vol aan in het kamp, maar verlieten het terrein ook weer vol. Een groot deel van de etenswaren kwam terecht op de zwarte markt. Het kamppersoneel deelde de opbrengst met de boven hen gestelden. De corruptie van de PP (Volkspartij) stamt al van vroeger.

‘Toch was wat we kregen voldoende om in leven te blijven. Kikkererwten, bonen, linzen, aardappelen, de normale dingen. Bovendien stuurde de familie voedselpakketten op. Ik kan niet zeggen dat ik in de maanden dat ik daar zat honger heb gehad.

Een portret van Nicolas Sanchez Albornoz, politieke gevangene tijdens het dictarorschap van Franco.

‘Je moet bedenken: dit was in het jaar 1948. In de concentratiekampen van vlak na de Burgeroorlog (1936-1939) kon het de staat weinig schelen hoeveel de gevangenen te eten kregen. Daar stierven veel mensen aan honger of aan ziektes. Maar in 1948 kon het regime zich niet alles meer veroorloven. Nazi-Duitsland was verslagen. De regering van Franco zat er nog, wetend dat ze werd getolereerd, maar dat de wreedheden van eerder niet meer konden.

‘Het was niet de bedoeling ons uit te roeien. We moesten werken. En wie niet werkte, werd terug naar de gevangenis gestuurd. Een veroordeling tot een werkstraf is verschrikkelijk, maar het is erger om 24 uur per dag opgesloten te zitten in een cel.

‘Op zondag waren we vrij. Dan kwam de familie op bezoek. Ze namen een paar tortilla’s of iets dergelijks mee, en dan aten we samen.’

De ontsnapping

‘Ontsnappen uit het kamp was niet moeilijk. Er waren geen hekken. Het probleem was: hoe rechtvaardig je vervolgens je aanwezigheid in Spanje? In die tijd was Spanje in zijn geheel een immense gevangenis. Er was slechts een gradueel verschil tussen de gevangenis met muren eromheen, en dat wat Spanje was.

‘Om de trein te nemen, had je bijvoorbeeld een vrijgeleide nodig van de politie. Je kon niet zomaar naar het loket gaan en zeggen: een kaartje van El Escorial naar Madrid. Op het platteland kon je je niet begeven zonder de Guardia Civil tegen te komen: ‘En wat doet u hier?’

‘Er zijn 44 gevangenen gevlucht uit Cuelgamuros. Sommigen knepen ertussenuit in een vlaag van emotie. Ze hadden hun familie soms jaren niet gezien. Waar gingen ze heen? Naar hun dorp natuurlijk. Maar zodra ze zich daar vertoonden, werden ze aangehouden. Het was onmogelijk om vrij te blijven, tenzij je naar het buitenland ging.

‘Het duurde vier maanden om onze ontsnapping op touw te zetten. Wij waren bevriend met studenten in Parijs. Zij wisten een auto te regelen waarmee we naar Frankrijk zouden kunnen reizen. Dat zat zo: ze kwamen in contact met Norman Mailer, een Amerikaanse schrijver die later nog de Pulitzer-prijs zou winnen. Hij had veel geld, was naar Europa gekomen, had een auto gekocht en was daarmee door heel Europa gereden. Op een gegeven moment ging hij terug naar de Verenigde Staten, en de auto bleef achter. Onze vrienden legden de situatie uit: we hebben een auto nodig voor dit en dat doel. ‘Dat is goed’, zei hij. ‘Maar mijn zus zal rijden.’

‘Manuel Lamana en ik vluchtten met z’n tweeën. We stonden in verbinding met Parijs via de vriendin van Manuel. Zij kwam bij ons op bezoek, en op een dag bracht ze een brief mee: komende zondag worden jullie verwacht bij het klooster van El Escorial, en daar wachten twee Amerikaanse vrouwen met een auto.’

‘Op klaarlichte dag vertrokken we uit Cuelgamuros. Normaal gesproken werden we iedere drie uur geteld. Maar op zondag, wanneer de familie kwam, werd een van de tellingen overgeslagen – ze zouden ons anders moeten verzamelen, de eenheid van de familie zou moeten worden doorbroken, en dat probleem wilden ze vermijden. We hadden dus zes uur de tijd om een voorsprong te krijgen.

‘We zijn lopend naar El Escorial gegaan. Het was allemaal perfect georganiseerd: twee Amerikaanse meisjes met een paar jongens van hun eigen leeftijd in een Amerikaanse auto, dat wekte totaal geen argwaan. Onderweg werden we talloze keren aangehouden, maar steeds mochten we doorrijden. Bovendien: we hadden ook vervalste vrijgeleides bij ons, met de handtekening van de kapitein-generaal van Catalonië eronder.

‘We reden de Pyreneeën in, en daar werd tegen ons gezegd: deze berg op lopen, en aan de andere kant is Frankrijk. Dat deden we, midden in de nacht. Toen het ochtend werd, kwamen we bij een weg. Daar zagen we dat we nog steeds in Spanje waren. Pas op de derde dag hield het op met regenen en brak de zon door. Toen wisten we waar het noorden was en zijn we in Frankrijk aangekomen.

‘In Cuelgamuros ben ik nooit terug geweest. Het geeft me een gevoel van tevredenheid, dat er nu eindelijk wordt gediscussieerd over het weghalen van Franco. Wat mij betreft steekt de regering geen cent meer in het onderhoud. Het kruis, dat boven op de berg staat, wiebelt. En in de bergen daar kan het flink waaien. Het is een kwestie van tijd tot het instort. Laat de natuur haar werk maar doen. Of misschien kunnen we het een beetje versnellen.’

Een portret van Nicolas Sanchez Albornoz, politieke gevangene tijdens het dictarorschap van Franco.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.