'Jezus, moet ik dat ook nog gaan lezen'

Wat is het kenmerk van de hoofse roman? Welke Bijbelse motieven kun je aanwijzen in de Esmoreit? In welk jaar begon de Romantiek?...

EEN van de beste literatuurcolleges die ik me herinner was een tv-programma. De film duurde meen ik drie kwartier, en het enige dat we zagen was een professor die in een zaal vol studenten prachtig stond te vertellen over De Gedaanteverwisseling van Franz Kafka.

Op een goed moment zei de professor met een triomfantelijke blik dat de hoofdpersoon uit het verhaal niet beseft dat hij vleugels heeft. Deze Gregor Samsa is veranderd in een kever, en zijn familie vindt dat vreselijk, maar hij ondergaat hun woede en hun kwellingen met een even gelaten als verheven geduld. Hij zou dus weg kunnen vliegen, maar dat doet hij niet. Dit had de professor ontdekt, en hij deed er niet echt bescheiden over: 'Nu een hele goede opmerking van mij, een die je nooit moet vergeten. Sommige mensen, of ze nu Gregor, Joe, of Jane heten, weten niet dat ze vleugels hebben.'

De professor was natuurlijk Vladimir Nabokov, en de tekst van het college is te vinden in zijn fameuze Lectures on Literature (Picador). In de film speelde Christopher Plummer de rol van Nabokov zo scherp dat het leek alsof hij die opmerking over de vleugels voor het eerst maakte; de film had iets van een inwijding.

Ook indertijd (Nabokov gaf zijn colleges in de jaren vijftig) zal dit soort onderwijs zeldzaam zijn geweest, maar dat hoeft ons niet te beletten om het als voorbeeld te hanteren. Lezend in een vloed van recentelijk verschenen vakliteratuur, leermethodes, pre-adviezen, rapporten en andere voortbrengselen der geleerden heb ik Nabokov in elk geval al zijn arrogantie vergeven - omdat die bij hem voortkwam uit liefde: liefde voor goede boeken, en liefde voor mensen die goede boeken lezen.

Vrijwel elke educatieve uitgever komt dezer dagen met een bewerkte of totaal nieuwe leermethode om de leerlingen van het voortgezet onderwijs wijzer te maken in de letteren, commissies brengen advies uit over de vernieuwing van het eindexamenprogramma Nederlands, didactici breken zich het hoofd over zaken als de boekenlijst voor het examen of de Europese literatuurgeschiedenis, en al die discussies, al die projecten zouden beter binnenskamers kunnen blijven als niet overal dezelfde geur opsteeg: de aangebrande lucht van verpieterde theorie, de walm uit een keuken waar het ventilatiesysteem al jaren kapot is.

Na meer dan een eeuw Neerlandistiek krijgen we bij voorbeeld een methode voor de vierde klas van het VWO waarin het volgende te lezen staat over beeldspraak: 'Tot de beeldspraak rekenen we al die taaluitingen die tot figuurlijk taalgebruik horen. (. . .) Beeldspraak tref je zowel in gesproken als in geschreven taal aan, zowel in proza als poëzie.'

Deze methode, enthousiast beoordeeld in een recent nummer van het vakblad Levende Talen, wil een 'handzaam literatuurboek' zijn, 'aangepast aan de eisen van het moderne onderwijs'. Het is haast aandoenlijk te merken hoezeer iedereen doordrongen is van de eisen van het moderne onderwijs. De leerboeken worden uitgegeven in full-color, met plaatjes uit Star Trek, tekeningen uit de Boeketreeks, en wat al niet. Het bewuste leerboek voor 4 VWO (Op niveau literair) heeft op het omslag een prachtige foto van een jongen die tegen een steile rots op klautert. Maar de auteurs kunnen eigenlijk niet uitleggen wat beeldspraak is.

Nog een voorbeeld. Een commissie van deskundigen heeft zich gebogen over het nieuwe eindexamen Nederlands. De eerste zin van hun pre-advies luidt: 'De legitimering van het literatuuronderwijs dient ten eerste gevonden te worden in de literaire competentie die de leerlingen erdoor verwerven, dat wil zeggen een communicatieve competentie over grenzen van tijd en ruimte heen.' Ik begreep niet goed wat ze daarmee bedoelden, en las door - met stijgende verbazing. Deze heren eisen het een en ander: 'De leerling geeft er blijk van literaire communicatie kwalitatief te kunnen beoordelen (bv. door verband te leggen tussen beslissende kenmerken van meerdere factoren in het communicatieproces: Hoe verklaar je dat criticus A lovend en criticus B vernietigend schrijft over dat boek, dat dit werk als film populair is geworden, en als boek niet?' En even verderop: 'De leerling geeft er blijk van auteur, tekst en lezer in de literaire communicatie te kunnen onderscheiden (bv. door tekstkenmerken en tekstinterpretaties aan een of meer van die factoren toe te schrijven: welke codes overheersten in bepaalde periodes van de literatuurgeschiedenis?).'

Alsof ze een lijf van tweehonderd kilo in een corset passen: voeten tegen de billen, vetrollen naar binnen stoppen, en als het laatste touwtje door het laatste gaatje is geregen staat iedereen trots en uitgeput te hijgen - maar de persoon in het corset kan zich niet meer bewegen.

Literatuurwetenschappers worden net zo min als Vladimir Nabokov gehinderd door een al te grote mate van bescheidenheid. Ze vinden dat ze heel wat te vertellen hebben over genreleer en stilistiek, over stromingen en codes en heel wat meer. Bij elke bezuiniging lopen ze te hoop, want het culturele erfgoed zou verloren gaan als de Nederlandse jeugd bij het eindexamen VWO niet meer weet wat het verschil is tussen neo-romantiek en symbolisme.

En natuurlijk moet je schelden op de lamlendige leerlingen en studenten die geen boeken meer lezen, die hun tijd doorbrengen met MTV in plaats van Mulisch. Frits van Oostrom, hoogleraar in Leiden, verbaasde zich laatst over het feit dat hij ordeproblemen had in de collegezaal. Je moet bewondering hebben voor zijn studies over de Hollandse hofliteratuur en Jacob van Maerlant, maar zo'n opmerking is tekenend. Het gemak waarmee wij aannemen dat het stil zal worden in de zaal of in de klas als we een boek op tafel leggen, kan wel eens funest blijken.

We hebben op de universiteiten te maken met een cultuur waarin het onderwijs nauwelijks serieus wordt genomen. Academici beschouwen het geven van colleges vaak als een onaangename verplichting die hen van het echte werk (hun eigen onderzoek) afhoudt. En niet alleen het geven van colleges wordt als een last gevoeld: ook het begeleiden van gevorderde studenten is kennelijk te veel gevraagd. Iemand die ik ken bracht haar doctoraalscriptie bij de docent, die het werk in ontvangst nam met de woorden: 'Jezus, moet ik dat ook nog gaan lezen.'

In zo'n atmosfeer wordt het vak een louter formele kwestie, en daarmee triviaal. Eerstejaars Neerlandici in Utrecht krijgen de oude Lodewick in handen gedrukt, met de opdracht het boek van buiten te leren voor hun tentamen moderne letterkunde. Dan moeten ze antwoord weten op meerkeuzevragen als: 'Welk boek uit het onderstaande rijtje is niet door Potgieter geschreven?' Deze mensen komen straks voor de klas en vragen hun leerlingen met een stalen gezicht naar de zeven kenmerken van de naturalistische roman; en als de leerlingen daarmee een zes kunnen halen voor het schoolonderzoek, leren ze die zeven kenmerken heus wel van buiten.

Dit formalisme is nog beter herkenbaar in de studie van de oude, pre-romantische literatuur. Wat daarvan doorsijpelt in exameneisen, leermethodes en lesprogramma's lijkt meer op een wetboek dan iets anders: wie een panorama verwacht van de menselijke verbeelding door de eeuwen heen, komt bedrogen uit. Het eenvoudigste voorbeeld is wel de gewoonte alles onder te brengen in stromingen, en die met jaartallen te begrenzen. Zo begint de romantiek - voor wie dat was vergeten - in 1798 met de verschijning van de Lyrical Ballads door Wordsworth en Coleridge. In de middeleeuwen heb je voorhoofse en hoofse romans. In de eerste categorie speelt liefde nauwelijks een rol, in de tweede wel. Docenten verzamelen dit soort weetjes voor hun leerlingen op stencils, want ze durven de leerlingen nauwelijks meer te vragen hun dikke literatuurgeschiedenis in te kijken. Met die stencils doen leerlingen tegenwoordig examen.

Veel didactici stellen zich de vraag wat ze eigenlijk toetsen, wat leerlingen bij voorbeeld zouden moeten weten over literatuurgeschiedenis. Sommigen gaan verder, en vragen of het vak als zodanig nog wel in een hedendaags curriculum thuishoort. Beide vragen wijzen echter naar een veel dieper liggend probleem: als de experts niet zo heel diep boren, wat moeten ze dan toetsen bij hun leerlingen, en waarom zouden ze eigenlijk iets toetsen?

Een VWO-leerling hoort te weten dat de non Beatrijs uit het gelijknamige middeleeuwse verhaal vergiffenis krijgt voor haar zonden omdat ze zich verlaagt tot de bedelstaf. Dat is ooit bedacht door iemand die het een en ander wist van zondeleer, en het wordt trouw herhaald - tot in de gloednieuwe Beatrijs-editie van Theo Meder en Willem Wilmink. Wat moeten we echter met dit soort vormkwesties als we zien dat Beatrijs zich kleineert voor de Allerhoogste zoals Psyche voor Venus? Kunnen we die middeleeuwse tekst nu eindelijk eens gaan lezen als een tijdloos document? Wilmink heeft er toch niet voor niets een mooie vertaling van gemaakt?

Een blik achter de schermen van de oude letteren maakt het allemaal niet eenvoudiger. In de Neerlandistiek houdt men zich vanouds bezig met tekstkritiek, een nobele discipline die de laatste vijfentwintig jaar mede door het werk van Duinhoven een hoge vlucht heeft genomen. Het gaat in wezen om het herstellen van de gebrekkig overgeleverde teksten die tot het culturele erfgoed behoren, een vaak technisch proces waarbij de kopiist die eeuwen geleden fouten heeft zitten maken hinderlijk veel aandacht vraagt. Specialisten als Duinhoven deduceren en trekken briljante conclusies waardoor als bij toverslag het origineel van een abel spel of een ridderverhaal te voorschijn komt. Dit zijn - zoals gezegd - technici pur sang.

Het werk van iemand als Duinhoven is helder beredeneerd en spannend om te volgen, maar zelfs zijn meest gedurfde theorieën hebben een beperkte reikwijdte. Zo ziet hij het abel spel van Esmoreit in de kern als een bewerking van het oud-testamentische verhaal over Mozes. Interessant, denk je dan, maar veel verder kom je niet. Duinhoven wil alleen maar weten op welk punt in de tekstgeschiedenis de toneelbewerking is vervaardigd. Was Esmoreit in oorsprong een bijbels drama, of was het van meet af aan een hoofs (tafel)spel?

Daarmee zijn we terug bij de scholier die zit te zwoegen voor zijn tentamen. Wat is een tafelspel? Wat is een bijbels drama? Welke verwijzingen naar de Bijbel herken je in Esmoreit? De scoretabel ligt klaar, en de kandidaat weet meteen waar hij aan toe is.

Waarom lezen we de geschiedenis van Esmoreit niet als een heldenverhaal, desnoods met Duinhoven en Mozes in het achterhoofd, waarom laten we leerlingen niet zien dat de keuze van de vondeling Esmoreit om uit te zoeken waar hij vandaan kwam een archetypische keuze is, en dat het verhaal daarmee een nieuwe dimensie krijgt? Waarom slepen we niet een hele reeks gelijksoortige verhalen uit alle hoeken van de wereld aan om dat duidelijk te maken en om een klas met kinderen van zeventien jaar iets te leren over de geschiedenis van de menselijke psyche?

WE GAAN nog even terug naar Duinhoven. In zijn Beatrijs-editie laat Theo Meder weten dat het werk van Duinhoven onder vakgenoten 'met kritische belangstelling, maar regelmatig ook met skepsis' wordt gevolgd. Over Beatrijs beweerde Duinhoven een paar jaar geleden dat het verhaal oorspronkelijk een exempel moet zijn geweest, en dat het pas in een later stadium het gedicht is geworden dat wij kennen - opnieuw door toedoen van kopiisten die het verhaal bewerkten en daarbij fouten maakten. Ook hier begaf Duinhoven zich in het ongewisse, wederom niet met heel verstrekkende consequenties, maar in de ogen van zijn collega's kennelijk te voortvarend.

Meder is veel voorzichtiger. Hij waagt zich nauwelijks op het gladde ijs van de tekstkritiek, maar denkt na over de ontstaansgeschiedenis van de Beatrijs en het publiek dat ernaar luisterde. Zijn inleiding is een mooi staaltje van moderne mediëvistiek, hij kan de middeleeuwse dogmatiek over zonde en berouw uitleggen in helder Nederlands en op een toon die doet vermoeden dat het allemaal werkelijk van belang is. Ook in de kwestie van de auteur en zijn publiek komt hij met interessante hypotheses die wederom uitstekend kunnen dienen als toetsmateriaal voor eindexamenkandidaten en eerstejaars Neerlandici. Het is cultuurgeschiedenis op de vierkante centimeter.

Ik blijf zitten met heel andere vragen, waar noch Duinhoven noch Meder iets mee doet. De rol van de Maagd Maria als beschermvrouwe van Beatrijs is vaak besproken in de vakliteratuur, maar nimmer op zo'n manier dat je mag spreken van werkelijk inzicht, en ook nimmer buiten het kader van de Christelijke leer. Recentelijk kwam ik in een boek van Joseph Campbell (De held met de duizend gezichten) een opmerking tegen die van belang kan zijn. Campbell vertelt over de Tweeling-Oorlogsgoden van de Navaho's, die op zoek zijn naar hun vader de Zon. Bij hun moeilijke tocht worden ze geholpen door het Spinnevrouwtje, dat met haar web de bewegingen van de zon kan beheersen.

Campbell schrijft: 'Het hulpvaardige oude vrouwtje, de sprookjes-peetmoeder, is een bekende figuur in de Europese sprookjestraditie: in Christelijke heiligenlegenden wordt deze rol gewoonlijk door de Heilige Maagd vervuld. De Maagd kan door haar tussenkomst de Vader overhalen genade te verlenen (dit is precies wat er gebeurt in de Beatrijs, FvD). De held die onder bescherming van de Kosmische Moeder staat, kan niets overkomen. Dit is de wegwijzende kracht die als een rode draad door het werk van Dante loopt in de figuren van Beatrice en de Maagd (. . .). 'Gij zijt de levende bron van de hoop', bidt Dante na zijn behouden tocht langs de gevaren van de Drie Werelden.

'Vrouwe, Gij zijt zo groot en weldoend dat eenieder die genade zoekt en zijn toevlucht niet tot u neemt zijn verlangen laat vliegen zonder vleugels. Uw goedheid komt niet alleen hem die erom vraagt te hulp, maar gaat dikwijls mild de vraag vooraf. In u zijn genade, mededogen, milddadigheid, ja alles wat er aan goedheid in enig schepsel is, verenigd.'

Het onderzoeksterrein van Campbell, een generalist die jarenlang mythologie doceerde aan een vrij bekende universiteit in de Verenigde Staten, is natuurlijk niet te vergelijken met dat van Nederlandse filologen. Bovendien werkte Campbell in een heel ander intellectueel klimaat: een docent aan het Sarah Lawrence College die op een vrije dag in het Newyorkse Museum of Natural History naar Indiaanse totempalen gaat kijken, heeft veel meer direkte referenties dan een onderzoeker die hier in de bibliotheek naar een handschrift zit te staren.

En toch: we hebben die uitdaging nodig. We hebben iemand nodig die ons attent maakt op het feit dat we vleugels hebben.

Boeken waarnaar in dit artikel wordt verwezen:

Beatrijs. Een Middeleeuws Maria-Mirakel. Vertaald door Willem Wilmink, inleiding en tekst-editie door Theo Meder. Prometheus/Bert Bakker, ¿ 24,90.

Drs B. Jager e.a.: Op Niveau Literair 4 VWO. Methode Nederlands. Thieme, ¿ 47,15.

Wam de Moor (red): Blauwdruk van een vernieuwing. Het nieuwe eindexamen literatuur. Vakgroep Algemene Kunstwetenschappen, Katholieke Universiteit Nijmegen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.