'Je vond het zo mooi, het was puur avontuur'

Herman Wooldrik: 'Iedereen was gek, de normen werden overboord gegooid, jongen, zelfs mijn moeder ging dansen met mijn vader, terwijl ze het nog nooit gedaan had.'..

Herman Wooldrik (1929) werd op 1 april 1945 bevrijd in Enschede.

'Dagenlang zag je Duitse soldaten - de ene op blote voeten en de ander had dit aan en die had weer een fiets gejat - die terugtrokken. Gewoon achter door onze tuintjes en wat daar stond, werd gepikt. Ze waren zwaar bewapend en ook vaak in de olie, dus je moest erg voorzichtig zijn en je nergens mee bemoeien.

Toen kreeg je de geruchten: Eibergen was al bevrijd, ze waren al bij Haaksbergen, daar klopte geen pest van. Maar de Eerste Paasdag, 1 april, 's middags om half vier, hoorden we een geronk en toen zagen we de eerste Sherman-tanks.

Ik zal nooit die lucht vergeten van benzine en stinkende soldaten. Het waren Engelsen en dat hele spul was zeer gespannen. Een knulletje met één zo'n knopje, het zal dus wel een luitenant zijn geweest, vroeg meteen waar de Duitsers waren. Wij wisten nog wat tanks te staan van die moffen, dat vonden ze prachtig, ja, in mijn school-Engels ging dat, en ze zochten, als onderkomen voor de nacht, ook een villa waar de Duitsers in hadden gezeten. Die wisten wij, want dat was de villa van Roskamp, gewoon een goede Nederlander die eruit was gegooid, en daar hadden vier jaar Duitsers gezeten.

Wij daarheen in een jeep, met twee tanks voorop, en toen kwamen ook al de eerste gewonden terug op brancards op jeeps. Want ze waren al verder geweest: op de splitsing naar Oldenzaal en Losser stonden twee kapot geschoten tanks en er lag nog een grote bom waarmee de moffen dat kruispunt hadden willen opblazen. In het huis van Roskamp werd een commandopost gemaakt en 's avonds kon je daar eten wat je wilde, sardientjes en corned-beef, het was goed verzorgd.

Die nacht is er nog hard gevochten door achterblijvende Duitsers. Ik kwam 's nachts pas om half drie thuis. Mijn ouders lagen onder het buffet en ik zeg: ''Ik kom even terug, het gaat hartstikke goed met me, maar ze hebben me nodig.''

De andere ochtend hadden ze alles onder controle. Toen ik buiten ging kijken was het vechten afgelopen. Er waren een hoop huizen vernield en ik heb een hele hoop lijken gezien. Er was een jongen bij, die had een handgranaat tegen zijn kop gehad en dan klapt die helm even dicht en dat is geen fris gezicht. Maar je vond het prachtig, want het waren moffen die doodgingen, echt waar, je zag alleen Duitse lijken, die van hun werden direct opgeruimd.

Ik ben weer naar de villa gegaan, maar die luitenant was al weer weg, die jongens waren al weer verder gegaan. Ik kon drank krijgen, maar toen dronk ik nog niet, nou ja, dan ga je gewoon weer naar huis en ik weet nog dat ik een blikje sardientjes meenam en corned-beef. Daar was mijn moeder ontzettend blij mee, nadat ik eerst wel op mijn donder had gehad omdat ik zo lang weg geweest was.

Je kreeg toen ook taferelen van Nederlandse knullen in blauwe overalls die met moffenhoertjes door de stad paradeerden. Een man of zes met een geweer of een revolver - er moest vooral een wapen bijkomen, het moest er vooral stoer uitzien - en dan werd een vrouw door de straten gejaagd, met veel geduw en geschreeuw. En dan een tondeuse erop om haar kaal te scheren, dat ging niet zo zachtzinnig en misschien had ze wel echt van een Duitser gehouden, want dat kan, zo gaan die dingen toch?

Ik heb die tweede dag in het bos, bij een dode Canadees, een stengun gevonden met vier magazijnen munitie. Ik heb hem nog altijd en hij zit goed in de olie, hij kan morgen gebruikt worden als ze hier over de schutting klimmen.

De volgende dag kregen wij inkwartiering. Ik denk dat we wel een week of drie elke nacht achttien mensen te slapen hadden in onze huiskamer, soldaten met van die grote kistjes, gewoon op de grond, deken er overheen. Dat was de glorietijd, want mama, zo noemden ze mijn moeder, kookte voor ze en dat vonden ze prachtig. Red Arnold zal ik nooit vergeten, want die kwam uit Torquay, daar groeiden palmen en hij had vier jaar zijn kinderen niet gezien, maar zijn vrouw was er wel met een ander vandoor. Het was zo hectisch en je vond het zo mooi, het was puur avontuur, want de bevrijders. . . En die trots dat ze je nodig hadden!

De derde dag ging ik als gids mee naar ergens onder Denekamp, vlak over de grens, waar ze een bepaald huis moesten hebben. Daar werd toen op geschoten, maar er stond een boerderij in het schootsveld. Ja, die stond in de weg en wat doe je dan? Dan blaas je dat toch even op? Er kwam een vrouw uit met een wit laken, en kinderen, maar dat moet even weg en dan zet je er de mitrailleur op en een kwartier later is alles afgelopen. Ja, dat is oorlog.

De Engelsen vroegen ook of we mee gingen vechten, je kon zo een uniform krijgen. Ja, je moest dan wel achttien zijn, maar ik was groot voor mijn leeftijd en ik had dus een uniform, ik kwam in een kamp waar ik moest exerceren en schieten, dat was mooi, maar na drie dagen kwam mijn vader langs en was het uit met de pret.

Maar die bevrijding heeft op mij toch niet de meeste indruk gemaakt. Want waar werden we van bevrijd? Op eetgebied hadden we het niet slecht. Mijn oom Karel had varkens en die slachtte hij clandestien. Hij had inkwartiering van Duitse soldaten, maar die vonden dat prachtig, want die aten er ook van mee. Ik zie nog dat Unterfeldwebel Karl ging helpen. Karl haalde zijn pistool uit zijn holster, zette dat op de kop van een varken en pang. Maar hij had het niet goed gedaan - en moet je je voorstellen, het is clandestien - dus dat ding liep gillend de straat op. Maar dat is allemaal goed gekomen.

We woonden buiten, we hadden voor en achter een tuin, en we hadden ook nog een stukje grond gehuurd aan de spoorlijn naar Gronau. Ik zal nooit vergeten dat de tuinbonen gerooid moesten worden, en dat deed je dan in het weekend, maar toen was het niet meer nodig: er lag een krater van een meter of tien diep.

Een andere keer was ik daar met mijn broer aan het werk. Ik zag zo'n formatie van zes van die jongens aankomen, er ging een rooksignaal naar beneden en we schoten de sloot in. Mijn broer lag te piepen en wat ik gedaan heb weet ik niet, maar het was ook niet zoveel meer en dan komt dat spul en dan heb je mazzel gehad. Het geluid van bommen zal ik nooit vergeten, ik heb er drie keer onder gelegen. Bommen ratelen. Een granaat giert, maar een bom ratelt.

Enschede is vaak gebombardeerd en ook de toestellen op weg naar Duitsland lieten nog wel eens wat vallen. Dan werd er een vliegtuig aangeschoten, dat moest zijn lading kwijt en dan waren er weer twaalf doden en zoveel huizen stuk. Een andere keer vielen ze in het open veld, dat gebeurde ook heel veel.

Ze hebben maar twee keer gericht op Enschede gebombardeerd. We hebben een heel groot bombardement gehad op 10 oktober '43, toen vergisten de Yanks zich. Die waren op weg naar Rheine en die dachten dat ze boven Rheine waren. Daar hadden die Yanks wel veel meer last van, ja, als die Yanken-commandant niet zo'n leuke avond had gehad en volkomen nuchter was geweest en niet onder de speed had gezeten had hij misschien Rheine wel kunnen vinden, want wij hebben die Amerikaanse vliegers later bij ons gehad en dat was tuig van de richel, hoor.

Ik heb daar toen midden tussen gezeten, ik stond op straat, ben vier meter weg geslingerd, kwam ik tegen een deur aan en heb toen mensen zien branden met fosfor, verschrikkelijk. Maar toen Rheine, dat veertig kilometer verder ligt, later in een nacht alsnog werd plat gegooid - met tachtigduizend doden of zo - kon je dat bij ons voor de deur zien en dat vond je prachtig, want dat waren die rotmoffen.

Ik heb altijd angst gehad voor die bombardementen. Ik vond het een verschrikking, ik was er doodsbenauwd voor. Zeshonderd vliegende forten, die kwamen er dan zo aan met die witte strepen, hebben het vliegveld Twente gebombardeerd en dat was twee kilometer bij ons vandaan, maar ja, dat dreunt dan en je hoort dan een gerommel en ook dat geratel en toen lagen we ook te golven. De dag voordat we bevrijd werden, doken ze ook weer op die spoorlijn en hoorden we op een honderd meter afstand weer zo'n bom inslaan.

Dus dan kom ik weer op het punt: waar werden we van bevrijd? Heerlijk dat die bombardementen er niet meer waren en die vrijheid, ja, dat was ook prachtig. Zwarte handel was dan wel verboden, maar we mochten wel hand- en spandiensten doen en voor het schoonmaken van zo'n drietonner kreeg je tien White Woodbines. Dat waren kleine, groene pakjes sigaretten en de marktprijs was een gulden per sigaret.

Ik rookte niet en ik kende, via zijn zoon die bij mij op school zat, de portier van een hotel die ze van me kocht. Ik had geld zat, ja, maar dacht je dat ik thuis durfde vertellen dat ik zoveel geld had? Maar ik moest toch van mijn geld af en toen kocht ik van zo'n vent van de Welfare van het leger mijn eerste echte leren voetbal.

Onze ballen waren altijd proppen papier met touw erom, dus ik was de held van de straat. Ik zeg tegen mijn ouders: die heb ik van de Engelsen voor het schoonmaken van een auto. Maar ik had 275 gulden betaald voor een bal die hij ook achterover had gedrukt en hij had het geld misschien weer nodig voor een lief vriendinnetje.

In de kerk werd gewaarschuwd dat meisjes hun eer niet voor een stukje chocola te grabbel moesten gooien. Waarop mijn maat, die naast me zat, zei: ''Of een stukje kauwgom. . .'' Toen moest hij de kerk uit. We hebben Yanks gehad, allemaal vliegers, en als ze een vrouw zagen, moest die plat. De eerste weken na de bevrijding heb ik wel zes keer gezien dat er liefde bedreven werd aan de kant van de weg. Het enige wat die grieten deden, als je er langs kwam, was dat ze hun handen voor hun gezicht sloegen. En die Yanks maar pompen.

Het was, denk ik, niet eens hoererij. Ik denk dat ze, net als wij, in een roes waren. Als ik in een garage kom, ruik ik weer die bevrijdingslucht en dat is olie, dat is benzine, dat is het metaal van zo'n grote Sherman-tank, en stinkende jongens met van die vertekende koppies, want er werd heus niet gekeken of ze wel lekker geslapen hadden. Er lagen ook ineens houten vlonders op straat, er was muziek en er werd gedanst en die soldaten moeten de tijd van hun leven hebben gehad: als ze maar naar een vrouw keken. . .

Iedereen was gek, de normen werden overboord gegooid, jongen, zelfs mijn moeder ging dansen met mijn vader, terwijl ze het nog nooit gedaan had. Ze dansten op grammofoonmuziek en er was een plaat bij, een Duitse plaat en dat vond ik zo prachtig, als die op het eind was, hoorde je: Vergessen sie nicht die Nadel zu wechseln.'

Volgende week: 'Ik heb nog nooit van mijn leven zoveel gestolen als toen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.