'Je schedeltje tegen/ mijn schouder gelegd,/ hoeft niets meer verzwegen/ en niets meer gezegd'

Boekenweek

Met Rawie, Treur en Zweig kon Arjan Peters zijn verzamelingen aanvullen, zodat hij nu klaar is voor de najaarsgolf.

Foto Io Cooman

Het weerzien na de vakantie was een genoegen, want de boeken stonden er nog. Ik hoefde er slechts drie aan toe te voegen, te gering van omvang om de verzameling te moeten herindelen. In de aanloop naar de verschijning van Handschrift, de nieuwe bundel van Jean Pierre Rawie, las ik de keuze van tien gedichten die tekenaar Elisa Pesapane uit zijn oeuvre maakte, en die ze vergezelde van haar zwart-wittekeningen in Parallellen (De Carbolineum Pers; euro 50,-).

Ze heeft gelijk met die titel, maar ook biedt de tekenaar soms een andere blik op de bekende verzen. Zo begint Rawie 'Berceuse' (uit de bundel Onmogelijk geluk, 1993) met 'Je schedeltje tegen/ mijn schouder gelegd,/ hoeft niets meer verzwegen/ en niets meer gezegd'.

Dat is 24 jaar later ineens maar de vraag, als je op de tekening ernaast een zichtbaar zwangere vrouw ziet, die in een dans is verwikkeld met een grijnzend skelet - een zo letterlijke uitwerking van het schedeltje is een regelrechte verrassing.

Ook is het plaatje in plaats van een macaber duet eerder een verzinnebeelding van de gedachte dat de mens nieuw leven kan scheppen, maar dat de dood altijd mee op loopt, eveneens levend, zogezegd.

We zijn weer thuis, en troffen op de deurmat het fraaie Leidse uitgaafje Armaturam dei aan (Het Tillenbeest; euro 9,95), een verhaal van Franca Treur dat deel uitmaakt van haar roman Hoor nu mijn stem, die op 4 oktober zal verschijnen.

Een gelovig Zeeuws meisje gaat in Leiden studeren, en treedt toe tot de reformatorische studentenvereniging die zich Wapenrusting Gods noemt.

De verteller is bedreven in zinnen die achter hun nonchalante uiterlijk een zee aan verdrongen tranen laten vermoeden: 'We probeerden met man en macht voor onszelf uit te stralen dat we een geweldig leuke Bijbelkring waren, maar het had veel van een vieze mop die niet grappig was. We worstelden ons door de maaltijd en de afwas. Zodra het kon verdween ik naar de wc, om even op adem te komen van het niks zeggen.'

Mijn Stefan Zweig-verzameling kon ik aanvullen met de twee schitterende verhalen uit 1929 die Ton Naaijkens vertaalde: Boekenmendel/ De onzichtbare verzameling (AFdH uitgevers; euro 22,50). Collecties en connaisseurs verdwijnen weer, leert Zweig, maar niettemin kan ik tevreden menen dat ik hem, Rawie en Treur nu compleet heb.

Een verzamelaar laaft zich aan de illusie dat er, zo lang hij in functie is, orde bestaat.