Interview

'Indonesië is nog steeds niet veilig'

Ribka Tjiptaning Proletariyati

50 jaar geleden vermoordde het Indonesische leger een miljoen communisten. Nog altijd zijn zij paria's, vertelt het enige communistenkind dat het tot parlementariër schopte.

Beeld uit de documentaire 'The act of killing' over de moordpartij op communisten na de coup in Indonesië in 1965. De moordenaars worden nog altijd als helden vereerd.

Mijn broer heet Proletariyanto, mijn zus Revolusiyati'. Tjiptaning zegt het zonder te lachen, want het is geen grap. Zelf heet zij voluit: Ribka Tjiptaning Proletariyati en zij draagt die naam als een geuzennaam. Daar is in Indonesië nog steeds moed voor nodig.

Voor een communistenkind doet Tjiptaning het hier lang niet slecht. Zij is arts geworden, leidt een kliniek waar arme Indonesiërs gratis worden behandeld, en sinds 2004 bekleedt zij bovendien een zetel in het parlement. Zij was zelfs even voorzitter van de commissie voor Volksgezondheid en het had weinig gescheeld of ze was nog minister geworden ook.

Tjiptaning was in 2004 het eerste communistenkind dat in het parlement kwam. Daarvóór was dat bij de wet verboden. Zij schreef er een boekje over met de plagerige titel: Een communistenkind komt in het parlement. 'Alleen Gus Dur (ex-president Abdurrahman Wahid) kon daar om lachen, voor alle anderen was dat boekje een provocatie', zegt Tjiptaning. En zo was het ook bedoeld.

'Iedereen zei: laat dat nou maar. Je zit in het parlement, dat is al mooi genoeg. Ik moest flexibel zijn, zeiden ze, maar dat heeft mijn vader mij niet geleerd. Voor mij is de wereld zwart-wit. A is A en B is B. Ik ben niet flexibel.'

Ribka Tjiptaning Proletariyati

Heksenjacht

Het was haar tweede boek. Twee jaar eerder had zij een boek geschreven dat nog veel harder aankwam: 'Aku bangga jadi anak PKI', 'Ik ben er trots op, dat ik een communistenkind ben'. Vooral dat woordje 'trots' gaf aanstoot. Diverse uitgevers weigerden het als dat in de titel bleef staan. 'PKI', Partai Komunis Indonesia, stond sinds 1965 in Indonesië namelijk gelijk aan de duivel en de hel. En dat is nog steeds zo, zegt Tjiptaning.

Tjiptaning was 7 jaar oud toen de heksenjacht werd geopend. Haar vader was Soeripto Tjondrosaputro, een overtuigd communist, maar bovendien een telg van de koninklijke familie van Surakarta, of Solo. Ook haar moeder was van adel. 'Zij waren uniek. Papa en mama waren ningrat, zij hadden blauw bloed, en toch waren zij lid van de partij. Er was een heel diepe overtuiging nodig om te doen wat zij deden.'

Het gezin sloeg op de vlucht. 'Jaren vluchtten wij van hot naar her. Wij verhuisden voortdurend. Begin jaren zeventig werd mijn vader toch opgepakt en gevangengezet. Hij overleed in 1991. Toen hij stierf, durfde niemand uit de buurt ons te komen condoleren, bang als ze waren om met communisten gezien te worden. De stoet die naar de begraafplaats liep was heel klein: alleen wij, en de dominee.'

Vechterbaas

Zij vertelt ook dat met trots. Zij hadden lak aan de mensen. Terwijl anderen zich koest hielden, voerde Tjiptaning een gevecht voor de waarheid. Dat gevecht begon op de lagere school: 'Ik kreeg daar 'Indonesische geschiedenis', dat wil zeggen: de geschiedenis volgens de 'Orde Baru' (de 'nieuwe orde': zoals het dictatoriale bewind van president Suharto wordt genoemd). Het was allemaal gelogen, maar zij herhaalden de leugens zo vaak dat het waar werd. Kinderen schopten mij en zeiden dat communisten landverraders waren. Ik pikte dat niet. Ik, die eigenlijk een zwak en teer prinsesje uit Solo hoorde te zijn, was een vechtersbaas, net een jongen.'

In haar zwart-witte wereld kun je de mensen indelen in mensen die durven, en lafbekken. Helaas zijn er van de eerste soort maar heel weinig. 'Gus Dur was er een', zegt Tjiptaning. 'Hij durfde openlijk excuses te maken aan de families van de slachtoffers van 1965. Hij heeft ook de wetten afgeschaft die kinderen van 'tapols' discrimineerden. Daardoor kon ik parlementslid worden.'

Na 'Gus Dur' is het opnieuw bergafwaarts gegaan in Indonesië. Geschiedenisboeken die een genuanceerder beeld van de gebeurtenissen van 1965 schetsten, werden in 2004 verboden en verbrand. Tjiptaning: 'Niemand protesteerde. Iedereen zei: laat nou maar. Maar ik houd mijn mond niet. De mensen moeten weten dat communisten geen moordenaars zijn, geen verkrachters en geen rovers, maar mensen met een ideologie met nobele doelstellingen. Mijn ouders waren goede mensen. Zij hadden nooit ruzie en in ons gezin heerste grote harmonie. Je mag niet doen of zij nooit hebben bestaan.'

Aangevallen

Haar trots maakt haar in Indonesië alleen maar verdacht, zegt zij. 'Indonesië is nog steeds niet veilig. In Banyuwangi werd ik bij een commissiebezoek aangevallen door mannen van de FPI (een notoire moslim-knokploeg) die Allah U Akbar schreeuwden en mij bedreigden.

'En laatst wilde ik gaan lunchen met een groepje kinderen van 'tapols', en kreeg een telefoontje van de politie: of ik dat wel zou doen. Het restaurant weigerde ons ten slotte omdat de eigenaar bang was gemaakt. Wat voor bedreiging zit er in een lunch? Ik ben nota bene volksvertegenwoordiger!

'Mensen willen nog steeds niet samen met mij gezien worden. Maar het omgekeerde geldt ook: ik kan het nog steeds niet opbrengen om naast mensen van de 'orde baru' te gaan zitten. De mannen die ons vervolgden, de ex-generaals die nu in de entourage van de president zitten en nog steeds de dienst uitmaken in het land. Ik was toen 7, nu ben ik 57 en wij zijn nog steeds geen stap verder.'

Bloeddorstige beesten

In de nacht van 30 september op 1 oktober 1965 pleegde een groep jonge officieren in Indonesië een staatsgreep. Zes generaals (op één na de hele legertop) en een officier werden ontvoerd en vermoord. De coup mislukte, en Suharto, destijds commandant van een legeronderdeel in Jakarta, nam de macht over, om die 33 jaar niet meer los te laten. Historici strijden nog steeds over de ware toedracht, maar in Indonesië zelf wordt maar één versie van de geschiedenis geaccepteerd: de versie waarin de coup het werk was van communisten. In die versie zijn communisten bloeddorstige beesten, en hun moordenaars helden. Het leger leidde de massamoord op de communisten. Schattingen van het aantal slachtoffers lopen uiteen van 800 duizend tot 3 miljoen.

Niemand is ooit ter verantwoording geroepen. Vijftig jaar na dato is communisme nog steeds bij de wet verboden, worden ex-politieke gevangenen nog steeds als paria's behandeld en leren schoolkinderen dat dat zo hoort.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.