‘Ik wil zeggen dat ik besta’

Ze mag dan een van de meest succesvolle kunstenaars ter wereld zijn, zekerheid of een vast omlijnd idee van haar werk heeft Marlene Dumas niet....

Succes. En niet zo’n beetje ook. Voor de buitenwacht heeft Marlene Dumas het wel degelijk gemaakt. In elk geval volgens de maatstaven van het geld. Media- en kunsttycoon Charles Saatchi kocht in 2004 voor een half miljoen dollar het schilderij Die Baba. Enkele maanden later doorbrak haar werk de één miljoengrens met het schilderij Jule, die Vrou. In 2005 ging bij Christie’s in Londen The Teacher voor 3,34 miljoen dollar onder de hamer. Sindsdien gaat ze door het leven als de duurste kunstenares ter wereld.

Maar toch. ‘Weet je wat me nou zo ongelooflijk irriteert? Een paar jaar geleden werd Die Baba, van Saatchi, geveild. Maar door wie het werd gekocht, mag Christie’s niet zeggen. Nu we het op de tentoonstelling in Los Angeles willen laten zien, moeten we eerst contact opnemen met Christie’s. Die benaderen dan de koper. Anders gaat het niet. Dat is toch verkeerd om. De loyaliteit van Christie’s gaat uit naar de nieuwe koper – niet naar de kunstenaar. Het is nu voor het eerst dat er onder een van mijn schilderijen in de catalogus ‘Courtesy Christie’s’ staat.’

Het zijn hectische tijden voor Dumas (1953). Vorig jaar opende een overzichtstentoonstelling van haar werk in het Museum of Contemporary Art in Tokio. Vervolgens kreeg de van oorsprong Zuid-Afrikaanse schilder twee exposities in haar geboortestad Kaapstad en Johannesburg. En voor 2008 en 2009 staat haar Amerikatour gepland, met het Museum of Contemporary Art in Los Angeles, het prestigieuze Museum of Modern Art in New York en als afsluiting The Menil Collection in Houston.

‘Doodmoe’ is ze ervan. En hyperactief. Te veel aan het hoofd. Omdat overal over moet worden onderhandeld. Omdat er na Japan en Zuid-Afrika weer een nieuwe catalogus moet komen. Omdat er bruiklenen moeten worden geregeld en de samenstelling voor LA nog steeds niet helemaal rond is.

Maar ook omdat Dumas altijd al de ene gedachte met de andere inval combineert, de ene foto met het andere filmbeeld. Twee uur had het interview mogen duren. Het loopt zonder noemenswaardige problemen uit tot een kleine vier uur; de interviewer in somber gepeins achterlatend hoe de werveling van associaties, dwarsverbanden, citaten, gelardeerd met tientallen afbeeldingen tot een geheel te smeden. ‘Als ik niet zou schilderen dan zou ik een bibliotheekje van beelden beheren.’

Gekke opmerking: Dumas’ atelier ís namelijk al een bibliotheek. Van de vier ruimtes die het pand in de Amsterdamse Rivierenbuurt omvat, is er maar een waarin de kunstenares feitelijk schildert. De rest is een archief van boeken, tijdschriften, stapels kranten en knipsels, en kantoorruimte met bureaus, vergadertafel, een keukentje bedolven onder nog meer boeken en magazines. Een chaotische omgeving waarin Dumas en haar twee assistenten op een wonderlijke manier feilloos de weg weten.

Het ‘atelier’ is ook het zenuwcentrum van een mondiaal opererende kunstenaar. Overal hangen kalenders, schema’s, lijsten, faxen en uitgedraaide e-mails. Prominent middelpunt in de papieren chaos is de muur vullende plattegrond van het Museum of Contemporary Art in Los Angeles. In verschillende zalen op de tekening is Dumas nu al weken aan het schuiven met minuscule reproducties van de ongeveer zeventig schilderijen en vijfendertig tekeningen die ze vanaf 22 juni daar wil laten zien.

Een paar dingen staan vast. De show in LA moet beginnen met haar schilderij The White Disease, naar een foto van een blanke vrouw met een huidaandoening, en eindigen met het portret van de dode Marilyn Monroe, gebaseerd op de ontluisterende autopsiefoto van de filmster, en het schilderij waaraan de expositie zijn titel ontleent: Measuring Your Own Grave (‘Daar waren ze niet echt blij mee’).

Zoals haar exposities in Zuid-Afrika een thuiskomst waren, met portretten van haar collega-kunstenaar Moshekwa Langa en de Zuid-Afrikaanse dichteres Elisabeth Eybers, het eerste olieverfschilderijtje dat ze op 20-jarige leeftijd had gemaakt, vitrines met notitieboekjes en een catalogus waarin openhartige brieven stonden afgedrukt aan haar moeder die vorig jaar overleed, zo moeten de tentoonstellingen in LA en NY een soort ‘best of’ worden. Natuurlijk met de hoogtepunten – de ‘classics’ – uit haar inmiddels 30-jarige carrière, zoals de tekeningenserie Models uit het Van Abbemuseum in Eindhoven en The Painter van het MoMA, een meer dan levensgrote beeltenis van haar dochter Helena, de handen besmeurd met verf als een zinnebeeld van de schilderkunst.

Maar voor de rest? Dumas twijfelt nog steeds. ‘Je blijft steeds heen en weer schuiven met de oudere dingen, op zoek naar nieuwe combinaties. Bij Gerhard Richter is duidelijk wat bij elkaar hoort, net als bij Luc Tuymans of Jeff Koons. Die zijn meer gericht op duidelijke thema’s. Ik niet. Het lijkt alsof ik altijd zo moeilijk doe, maar het is mijn gebied om associaties te maken, verbanden te leggen. Beelden veranderen naar gelang hun omgeving. De context. Zoals in reclame of afbeeldingen in tijdschriften. Daar werk ik mee. Hang ik alle zwarte portretten bij elkaar, dan krijg je weer zo’n hokje. Soms weet ik niet precies wat ik wil. Hoe meer ik terugkijk op mijn eigen werk, hoe slechter ik het ga vinden. Vroeger werd ik altijd ziek na een tentoonstelling van mezelf. Maar je kunt moeilijk steeds je eigen werk afkraken.’

Zekerheid of een vast omlijnd idee van haar werk of kunstenaarschap heeft Dumas niet. Nooit gehad ook. Al van kinds af tekende ze, zonder het idee kunstenaar te worden. Ze wilde cartoonist worden, illustrator. Iets met kinderboeken. Waar ze opgroeide, in Kuilsrivier, was volgens haar alleen ‘Amerikaanse nonsense’ te zien: bladen met motorsport en pin-ups van wie de tepels waren afgeplakt, met veel glamour en reclames van Marlborough Man. ‘Door de Apartheidspolitiek was Zuid-Afrika afgezonderd van de rest van Afrika. Er was geen schildercultuur. Musea hingen vol oude koloniale onzin. Boring. Zoals in Australië. Daarom houd ik niet van Australiërs. Want die zijn nog erger, zeiden wij in Zuid-Afrika.’

Het veranderde toen ze op de kunstacademie aan de universiteit van Kaapstad ging studeren. Er werd veel gediscussieerd en getheoretiseerd – ‘over dingen die we nog nooit in het echt hadden gezien’. Dumas nam deel aan conceptuele projecten. Als experiment groef ze de wortels van een boom uit (‘Mijn docenten vonden het slecht, ook voor de boom’). Maar het was meer kunstenaartje spelen. Fake.

Dumas: ‘Het kunstenaarschap werd door de politiek in Zuid-Afrika als iets egocentrisch gezien. Politiek was een groepsding; kunstenaars waren individualisten, excentriek. Het werd ook niet als erg intelligent beschouwd. ’s Avonds met elkaar in de kroeg discussiëren was er überhaupt niet bij. Bovendien: vrouwen mochten niet naar het café. Dat was een mannencultuur. Apartheid gold ook onder blanken. Je had kroegen voor blanken en kroegen voor zwarten. En vrouwen zaten bij elkaar in de lady’s lounge van het hotel.

‘Ondanks de droevige politiek, vroeg je je wel af wat het kunstenaarschap voor jou betekende. Ik kon toen geen beter antwoord vinden dan: ik wil zeggen dat ik besta. Zoals graffitikunstenaars Kilroy was here tegen de muur spuiten of psychiatrische patiënten zichzelf verwonden om te weten dat ze bestaan. Ik zag kunst in zekere mate als een therapeutische activiteit. Dat speelt nog steeds.’

Pas nadat Dumas in 1976 op 23-jarige leeftijd naar Nederland verhuisde (ze verbleef twee jaar op De Ateliers, toen nog in Haarlem) begreep ze dat kunstenaars ook ‘normale’ mensen konden zijn, en het kunstenaarschap een gewoon beroep was. Er werd in Nederland ook meer aandacht aan de praktijk besteed dan in Zuid-Afrika. Dumas: ‘Goed dat zo’n koude persoon als Jan Dibbets (destijds begeleider op De Ateliers, red.) zei: ‘Therapie? Dat heeft toch niets met kunst te maken?’ Te veel theorie is ook niet zo’n goed excuus.’

Dat anderen haar werk nog altijd vooral met haar Zuid-Afrikaanse achtergrond blijven associëren, steekt haar behoorlijk. Alsof Dumas enkel en alleen witte en zwarte mensen schildert, uit schuldbesef of om het rassenonderwerp op de kaart te zetten.

‘Dat is wat anderen van mij maken. Ik schilder geen zwarte mensen om daar een punt van te maken. Ik vind het normaal om witte en zwarte mensen te schilderen. Amerikanen niet. Dat merkte ik in Los Angeles. Daar beschrijven ze mijn werk altijd in maatschappelijk gevoelige thema’s: mishandeling, geweld, ras, identiteit. Dat is hun terminologie. Hun obsessie. Ze denken dat als ik een zwarte figuur schilder, het gelijk over rassen gaat. Zoals er van Obama wordt gezegd dat hij het rassenprobleem moet oplossen, omdat hij zwart is, terwijl dat aan Bush nooit wordt gevraagd.’

Niet dat Dumas ontkent gevoelig te zijn voor het onderwerp. ‘Als ik zie hoe in Nederland bepaalde termen worden gebruikt, zoals zwarte scholen, dan herken ik dat uit Zuid-Afrika. Het is dezelfde manier van denken en gebruik van woorden. ‘Zwart geld’, ‘zwarte handel’, ‘witte engelen’, ‘witte zuiverheid’ – Mohammed Ali heeft eens een lijstje van dit soort woorden gemaakt. Taal is stigmatiserend, ontzettend gevaarlijk. Toen ik in Zuid-Afrika leefde, ging het altijd over wit en zwart. Nu gaan alle krantenartikelen over moslim en niet-moslim. We zijn weer helemaal terug. Alleen de namen zijn veranderd.’

Haar werk mag dan gaan over clichés en vooroordelen, over suggestief taalgebruik en woordassociaties, generaliseren en stigmatiseren. Over, zoals ze het eens formuleerde, ‘het individu en wat er gebeurt als je deel wordt van een groep’. Maar wat is het imago van haar eigen kunstenaarschap, nu ze zelf deel uit maakt van een grotere groep: de eredivisie van succesvolle kunstenaars?

Dat jongeren in Japan voor haar in een rij stonden voor een handtekening was niet onprettig. ‘Ze gaven me leuke cadeautjes. Ik was verbaasd te merken dat ze me heel belangrijk vonden.’ In Tokio werd Dumas ook voor het eerst deel van de merchandising van het museum: de catalogus werd verkocht in een door haar ontworpen tasje van glanzende stof, waarop haar naam prijkte.

Over wat ze ooit zei, I paint because I like to be bought and sold, moet ze nu hartelijk lachen. Dumas: ‘Schilderijen maak je niet voor jezelf. Kunstenaars die zeggen dat ze niet van musea houden, worden meestal niet gevraagd.’ Mooi, dat succes. ‘In Zuid-Afrika waren ze wel trots op me’.

De keerzijde kent ze inmiddels ook. ‘In Kaapstad bleven ze maar zeggen: je bent die duurste levende vrouwelijke kunstenaar. Dat kwam alleen omdat dat ene schilderij zo duur was. Maar dat kwam eigenlijk alleen door de machtsstrijd tussen degenen die dat werk wilden kopen.

‘Ik weet nog niet genoeg hoe die machtstructuur in elkaar zit. Dat kunstbeurzen de rol van de galerie hebben overgenomen, net als de veilinghuizen. Vroeger kon je aan een verzamelaar vragen om het werk te blijven uitlenen, voor tentoonstellingen. Die waren daar wel trots op. Hoewel sommige verzamelaars je werk juist op de veiling gooien, omdat ze níet werden gevraagd het uit te lenen. Die denken: het was dus toch niet zo’n goed schilderij. Dat kan je niet stoppen.’

‘Grappig’ vindt Dumas wat haar overkwam op een tentoonstelling in de Londense Saatchi Gallery, een paar jaar geleden, waar een paar schilderijen van haar hingen. ‘Ik ging voor een van die dingen staan om een foto voor mijn moeder te maken. Toen kwam er een jongen aanlopen: ‘Je mag hier geen foto’s maken’. Een vriend van mij zei: ‘Maar zij is de kunstenaar.’ Waarop hij antwoordde: ‘Zij? Dat kan niet.’ Nu heb ik altijd mijn paspoort bij me. Dat is iets van vroeger. Ik moest me altijd identificeren. Dus ik kon bewijzen dat ik echt de kunstenaar was. Maar de jongen dacht dat we aan het gekscheren waren. Hij zei toen: Even if she is the artist, this work does not belong to her anymore!.’

Dumas: ‘Wie heeft de macht nou?’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.