'Ik ben een krulwilg'

Achttien jaar woont Hakim Traïdia al in Nederland, maar steeds komt Algerije terug. Hij speelt in Sesamstraat, maakt theater, cd's en boeken....

Eén keer in zijn leven was Hakim Traïdia niet de vrije jongen - en chaos was het resultaat. Hij woonde toen nog in Algerije, begin jaren zeventig. Voor een organisatie van kunstenaars werd hij secretaris van financiën, al weet hij dat niet meer zeker. Er waren zoveel secretarissen: 'Secretaire du parti, secretaris van sociale weet ik wat, ik háát het woord secretaris. En toen ging het fout. Iedereen had olieverf, alles wat ik had besteld. Daarna was er niks meer. We waren blut.'

Nog niet zo lang geleden nam Traïdia opnieuw zo'n functie op zich. Hoewel? Deze keer werd hij voorzitter, van het nieuwe Comité Stop het Geweld in Algerije, maar hij is ook alweer voorzitter af. Tijdens een vergadering noemden medecomitéleden zijn naam en daarmee stond hij kennelijk aan het hoofd van de club. Schiet in de lach: 'Ik heb nooit voor gezeten, of achter gezeten. Ik ben blijven zitten.'

Wie Hakim zegt, zegt Sesamstraat. In dat kinderprogramma is hij de clown met het rastahaar. Wie kind is, zegt misschien ook De dromendief, Ali Baba en een stuk of elf rovers of een van die andere voorstellingen die hij in theaters in heel Nederland heeft gegeven. Wie klein of groot is, kent misschien zijn cd's, In m'n droom en de nieuwste, Sindbad de zeevaarder. Of zijn boek De zandkroon, dat hij onder anderen schreef met zijn broer Karim Traïdia, dezelfde die in februari op het Filmfestival Rotterdam de Publieksprijs won met De Poolse bruid.

Hakim is even de broer van Karim, in plaats van Karim de broer van Hakim. Maar Hakim gaat door. Hij publiceerde een verhaal in de nieuwe Novib-bundel Buitenspiegels. GroenLinks in Haarlem, waar hij woont, vroeg hem op de lijst te komen. En nu ook nog actievoerder voor Algerije? Over GroenLinks kan hij kort zijn: hij weigerde. Hij wil de politiek niet in. Algerije is een ander verhaal, hoewel een comité er wat hem betreft niet had hoeven komen.

Toch stond hij zelf aan de basis ervan. Hoe gaat dat. Tijdens de ramadan, in januari, kwam vanuit Algerije de ene slachtpartij na de andere aanslag op hem af. Bloederige beelden op televisie, krantenartikelen over de vraag: wie zit hier achter? 'Mijn eerste gedachte was - en tegen wie je het schreeuwt, weet ik niet: stop die moorden' Maar wat te doen? Lopen voor Algerije? Het idee was nog niet in de krant verschenen, of de machinerie van routes uitzetten, vergunningen aanvragen, organisaties als Amnesty International warm maken, kwam in werking. Ten slotte moest de regelarij in de vorm worden gegoten van een comité.

'Voor mij had het net zo goed alleen die mars kunnen zijn. Ik kom uit de chaos, maar in Nederland moet alles georganiseerd zijn. Jezus man, het was alsof je zegt: ik ga een ei bakken. Maar ja, dan moet je een pan hebben, vuur, olie, een bord, een vork, en ook nog brood erbij.' En of het ei smaakte? Hij zegt: 'Ik weet niet of de mars een echo heeft gehad. Maar helemáál zwijgen is toestemmen.'

De demonstratie tegen de moorden in Algerije had plaats op 14 februari, la fête de l'amour. Zij slingerde zich door Amsterdam van Dam naar Vondelpark: 1500 mensen volgens de pers, het dubbele volgens Hakim. Veel kranten en zelfs het Journaal repten er met geen woord over. 'Dat weekend waren ook vier mensen op de been voor Tibet, dat zat wel in het Journaal. Het is toch kwalijk dat de media niet meer betrokken zijn bij Algerije.'

Algerije is geen prinses Diana. Voor haar werden bij de fatale tunnel in Parijs bergen bloemen gelegd, er werd gehuild. Op de Franse radio hoorde hij iemand al grappen maken: 'Ooit zal bij deze tunnel een invalide opstaan en weer kunnen lopen.' Maar voor rampenlanden als Rwanda en Algerije 'is bijna geen traan meer te halen'. Met zijn mars wilde hij de ellende in Algerije - rond 70 duizend doden sinds 1992 - een gezicht proberen te geven. Maar hoe?

In het comité was er over gesproken: moeten we niet vóór die en tégen die groepering zijn? Hakim had gezegd: 'Ik hou er niet van. Tuurlijk ben ik tegen geweld, tegen extremisme, tegen terug in de tijd, voor democratie. Maar ik zie het comité meer als hulp aan kinderen of zieken die hier willen komen, hulp bij een culturele uitwisseling. Dat zijn dingen waar ik achter sta. Zo bestrijd je het conservatisme, door het land open te maken.'

Daarbij: tégen of vóór wie zou hij moeten zijn? Wie zijn de moordenaars in Algerije? De fundamentalisten of ook de regering? De vraag werd vooral tijdens ramadan steeds opnieuw gesteld, ook aan Hakim. Zo vaak dat hij zegt: 'Ik ben niet de woordvoerder van Algerije. Ik ben een toneelspeler, ik woon in Nederland, dit is mijn land. Mensen doen alsof ik de waarheid ken. Ik wéét het niet. Degenen die doden, zijn beesten.'

In ieder geval zijn het de fundamentalisten die moorden, meent hij, en daarbij zijn er maffiapraktijken. Maar ook hij gaat af op de pers, Algerijnse journalisten als Ahmed Ancer die nu in Nederland is, of de Franse filosoof Bernard-Henri Lévy die Algerije in januari bezocht. Of hij baseert zich op vrienden die vers uit Noord-Afrika komen. Maar dan nog komt de informatie vaak van horen zeggen, wat precies het probleem is bij het aanwijzen van een dader. Velen hebben iets gehoord, wat iets anders is dan zelf getuige zijn.

0 O VERTELDE zijn moeder hem een verhaal dat ook zij weer had gehoord. Hij laat zijn stem dalen, kijkt door het keukenraam van zijn huis, alsof buiten in de regen Algerije ligt. 'In een dorp, op de bergen, een huisje. In dat huisje een meisje met rode vlekken op haar jurk.

's Morgens vroeg, tegen vijf uur, de zon komt op. Er liggen mensen te slapen. Ze probeert haar moeder wakker te maken, maar haar moeder wordt nooit meer wakker. Kindjes die daar liggen, probeert ze wakker te maken om mee te spelen, maar die kindjes zijn ook for ever aan het slapen.' Met normale stem: 'Dat is voor mij Algerije.'

Het was voor hem nooit: 'O, mijn land, daar wil ik naar terug.' Naar Algerije ging hij op vakantie, op bezoek bij vader, moeder, oma en vrienden. Zo vaak ging hij trouwens niet eens. Maar nu het niet meer kan, omdat het gevaarlijk is, hoewel zijn familie in een relatief rustig gebied woont, zou hij graag terug willen. De laatste keer was hij er in 1991, om zijn broer van 19 te begraven. Vorig jaar nog heeft hij geprobeerd zijn moeder naar Nederland te halen voor een bezoek, maar ze kreeg geen visum.

Het Comité Stop het Geweld in Algerije gaat door, op 4 april houdt het een demonstratie in Rotterdam - 12.00 uur vanaf het Centraal Station. Maar Hakim is afgehaakt. Dat ziet hij niet als 'Algerije laten vallen'. 'Ik laat Algerije niet vallen, maar ik ben ook niet degene die Algerije laat leven. Als Algerije door mij zou barsten, als ik die macht had, zou ik het niet doen. Maar ik heb ook mijn leven. Er is Algerije, maar er is ook Nederland.'

Hij is actief in het SAIA, het steunpunt voor Algerijnse intellectuelen in Amsterdam. Daarmee heeft hij onder anderen journalisten en kinderen van vermoorde ouders naar Nederland gehaald. In voorkomende gevallen zal hij opnieuw helpen, maar dingen regelen? 'Ik ben een goeie verzamelaar van mensen, maar daarna, de club bij elkaar houden, organiseren, op papier, agenda, notulen - dat kan ik niet.'

Hakim vertelt verhalen. Over Toearegs in de Sahara, over een steen die wensen kan vervullen, een chimpansee in Amsterdam. Of het nu op een cd is, in het theater, op papier of gewoon zomaar: in één verhaal kronkelen de verhalen door elkaar, Algerije wordt Nederland en omgekeerd. Het is de manier waarop Noord-Afrikanen met elkaar praten, zegt hij: honderd zijwegen inslaan en dan weer uitkomen op de hoofdweg. Het is Duizend-en-één-nacht, het is de orale traditie waarin hij opgroeide.

Van tevoren had hij aangekondigd dat hij het niet te veel over Algerije wil hebben, hij woont al achttien jaar in Nederland: 'Ik ken Nederland inmiddels beter dan Algerije.' Maar het lukt niet. Hij bereikt Nederland wel, maar via hinkstapsprongen. Steeds komt Algerije terug, en als hij daarover praat, spelen de gebeurtenissen zich kennelijk af voor het fornuis en de wasmachine in Haarlem. 'Hè, hè, hè', lacht hij af en toe diep uit zijn keel. Want hij is ook Pipo de Clown, in zijn stem galmt het na: 'Dag vogels, dag bloemen, dag kinderen.'

'Ik zeg vaak: ik heb de wortels van een palmboom, en ik ben een treurwilg.' Denkt na: 'Het is meer een krulwilg, hij heeft krullen, de takken gaan alle kanten op, maar hij heeft ook iets treurigs.' In zijn tuin staat zo'n boom, waar de wind elke krul uit jaagt. Vrolijk: 'Dat is het enige probleem voor de Nederlanders: het weer.' Even later een citaat, vrij naar Jacques Brel: 'Dit is mijn vlakke land, mijn platte land.' Lacht. 'Ik ben geboren op het platteland, en nu woon ik in een plat land.'

De Franse kolonialen hadden eens opnamen gemaakt in Oued el Besbes, zijn dorp in het noordoosten van Algerije, en zij projecteerden de film per ongeluk achterstevoren. 'Ik zag mijn oma water gooien in de fontein, de ezel het water terugkotsen, zijn drol ging terug in zijn kont en mijn oma ging achteruit naar huis. Soms denk ik: kon ik dat ook maar, dat je psshht terug kan spoelen, en dan, net als in een montage, deze scène eruit en deze scène erbij.'

Maar misschien, mijmert hij, moet je niet rommelen met de tijd. Ook al zou je teruggaan naar de plek van je jeugd: wat je mist, vind je toch niet. Zelfs de paar tandjes die zijn oma van in de negentig vroeger nog had, zijn weg. Ze heeft een kunstgebit, opgeborgen in een couscouspan. 'Waarom doe je het niet in?', vroeg hij haar. 'Het is alsof ik op iets klim met mijn mond, het doet me pijn.' Ze leende het gebit uit aan de buurvrouw. Die paste het niet, dus ging het terug in de pan, en nu roest het omdat de pan roest.

0 OEN Hakim werd geboren, in '56, was de strijd tegen de Franse overheersing al twee jaar aan de gang.

''s Nachts hoorde je ratatatata, pssssss, dingen ontploffen, er werden Algerijnen meegenomen en die riepen: hééééép! Maar het was net een film, een droom, ik was alleen bang als ik mijn moeder zag huilen, bang als ik naar de dokter moest. Dat schieten was te groot voor mij. Mensen zeiden: we gaan vechten voor Algerije, maar ik wist niet eens wat Algerije was. Ik dacht: het is een vrouw.'

In '62 werd Algerije onafhankelijk. Op de foto waarop hij bij een Franse soldaat op schoot zat, werd de soldaat weggeretoucheerd. Elke burger moest geld geven aan de staat. 'Iedereen gaf goud, mijn moeder gaf goud,' - doet alsof hij een armband afdoet - 'en wie heeft het in zijn zak gestoken? De regering van toen, voor de revolutie zogenaamd. Wat hebben de mensen? Niks. Dertig jaar is het land geplunderd, naar de kloten geholpen. Daarom is het zover gekomen. Het land is niet arm, het is wanbeleid.'

Zijn ouders scheidden toen hij een jaar of 4 was. Zijn vader verdween naar een huis in een boomgaard, hij en zijn vier broers bleven bij zijn moeder. Pas zes jaar later zag hij zijn vader voor het eerst, althans bewust. 'Ik wist niet dat dat mijn vader was, tot ik het mijn broer hoorde zeggen. Ik dacht dat mijn vader dood was, echt waar.' Rond zijn 10de hertrouwde zijn moeder met een man die had gevochten tegen de Fransen. Er kwamen nog twee kinderen en de ancien combattant nam daarbij nog een tweede vrouw, bij wie hij ook een kind kreeg. Dat is de 'broer' die Hakim tijdens zijn laatste bezoek aan Algerije begroef: uit de hand gelopen ruzie op het werk, een klap, en hij was dood.

De familie verhuisde naar Annaba, een stad 25 kilometer verderop. 'Het was voor mij een donkere periode, mijn moeder was verliefd, stapelgek, er was geen aandacht meer voor mij. Op het moment dat ik mijn moeder nodig had, kwam die man. Niemand stuurde mij meer, ik was los.' Hij werd zo'n jongetje 'als in de straten van Bombay en Brazilië'. Om aan geld te komen, begon hij te liegen, tegen de leraar, de portier van de bioscoop, en altijd was in die verhalen zijn vader dood of zijn moeder, was hij wees of stiefkind. 'Het was bijna het sprookje van Hans en Grietje. Ik vind het heel leuk om in een personage te kruipen dat ik niet ben.' Hij droomde ervan schoenpoetser te worden, dan kon hij geld verdienen om naar de bioscoop te gaan.

De bioscoop was zijn alles. 'Dan zag ik een arme jongen die later trouwt met een rijk meisje, of een arm meisje dat trouwt met een rijke jongen. Hindoestaanse films, b-films, c-films. En dan huilde ik, huilde ik daar, een mengeling van pis en huilen, want kinderen plasten in de stoelen om geen scène te missen, en dan zongen ze mee in het Hindoestaans, terwijl ze er geen woord van begrepen. Die Hindoestaanse muziek had iets melancholieks, en de verhalen eindigden altijd goed. En dan ging je naar huis, en dan deed je de deur open, en dan kwam je in de realiteit waar het nog niet goed geëindigd was.'

0 OEN hij zelfs niet meer naar school ging, greep zijn moeder in. Hij moest naar zijn oma, terug naar Oued el Besbes. Daar bleef hij van zijn 11de tot zijn 16de. 'Ondanks alles miste ik mijn moeder. We werden uit elkaar gescheurd.' Hij zag haar hooguit twee keer per jaar. Gelukkig kreeg hij oom Ahmed terug, die bij zijn oma met tuberculose op bed lag. 'En hij vertelde verhalen', zijn stem zakt weer, 'altijd verhalen.' De verhalen ontstonden, niemand ging er speciaal voor zitten. Het gebeurde vooral

's nachts. ''s Avonds komen de spoken en de reuzen. Dan worden mensen kleiner, de wereld wordt een geheim.'

Zonder zijn oom had Hakim ook verhalenverteller kunnen worden. Hij hield al van de illusie. Hij liet zelfs eens een meisje op wie hij verliefd was, geloven dat hij een tweeling was. Maar wat zijn oom bij hem zaaide, daarvan oogst hij nog steeds. 'Je bent al wat je bent, begrijp je? Je bent al gevormd, je bent al een boot, maar de verhalen van mijn oom zijn misschien de zeilen die ik erbij kreeg.'

Zijn laatste jaren in Algerije woonde hij bij zijn vader en broers in Annaba. Een prachtige tijd. 'Het was een draai voor mij, ik was net gestopt met bidden, met religie, ik begon te proeven van de verboden vrucht, een biertje, seks.' Er kwam in hem ruimte voor toneel. Als kind dacht hij dat film een echte wereld was, waar je in kunt stappen zoals Mia Farrow in The Purple Rose of Cairo. Nu ontdekte hij dat het fictie was. Je kon die wereld in en er weer uit. Hij begon te acteren.

Vaak zat hij bij de haven, vlak bij zijn huis. Boten vol vertrokken naar Frankrijk. 'En op een dag zat ik zelf tussen die mensen.' Hij was 19. Zijn broer Karim zat al in Parijs, zijn oom Ahmed was dood, een van zijn neven was dood en de andere ziek. 'Alles was weg. Ik dacht: ik moet zelf ook weg.' En Frankrijk was een droom, hij kende het land van de bioscoop.

Hij kon in Parijs blijven, doordat hij als 'meestervervalser' het visum in zijn paspoort zelf verlengde. Later stond een leraar op de toneelacademie garant voor hem. Om geld te verdienen tekende hij portretten op Place du Tertre, of op het plein voor Centre Pompidou. Hij leerde ook pantomime. Terwijl hij in Haarlem zijn dochter Miled (4) op het aanrecht tilt, doet hij de moonwalk van Michael Jackson. 'Ik vind het zó mooi, de illusie dat je loopt. Het goochelen, de truc. In Nederland heb ik met een goochelaar gewerkt. Toen ik achter het gordijn ging kijken, zag ik hoe alles voorbereid was. Ik liep meteen weg, ik wilde de illusie niet kapot maken. Het is alsof je weet dat de buurman Sinterklaas is. Dat vind ik niet goed.'

In Parijs kwam hij drie keer achter elkaar hetzelfde meisje tegen, Jacqueline. Dat kon geen toeval zijn. Hij trouwde met haar, voor haar ging hij in '79 naar Haarlem, met haar kreeg hij een zoon, Tarik (13), en zijn dochter Miled. 'Mijn liefde was eerst voor mijn vrouw, nu is ze ook voor het land.' Ach ja Nederland, daarover had hij zoveel kwijt gewild. 'Wat ik over Nederland wilde vertellen, heb ik nu over Algerije verteld.'

De landen lopen in elkaar over. Zijn vader woonde lange tijd tussen zijn moeder en zijn oma in, en daaraan denkt hij altijd als hij van Haarlem naar Amsterdam gaat, via Halfweg. 'Haarlem is voor mij een soort Besbes en Amsterdam is Annaba. Halverwege heb ik geen vader die daar woont, maar een vriend, Joost Prinsen.' Soms droomt hij dat hij door de Grote Houtstraat loopt en dan eindigt hij bij de rivier van zijn dorp, Besbes. Hij is een dromer.

Zijn eerste wandeling in Amsterdam werd zijn route naar het succes: van het station naar het Leidseplein. Jarenlang zou hij portretten tekenen in de Kalverstraat, pantomime spelen op het Leidseplein. Hij hield de tram tegen en trok hem zogenaamd voort. Sonja Barend zag hem en nodigde hem uit in haar programma. Aart Staartjes vond hem leuk. In '83 kwam hij in Sesamstraat terecht.

Sindsdien heeft hij zo veel gedaan, en wil hij nog zo veel. Voor de NPS schrijft hij een serie die zijn broer Karim zal regisseren: Achmed van Oranje. Hij wil cabaret voor volwassenen gaan doen, al maakt hij geen onderscheid tussen een voorstelling voor kinderen en volwassenen. Alles wat hij doet, is voor iedereen. Maar: 'Ik hou van kinderen omdat ze dichterbij komen, spontaan zijn.' Nog meer wil hij: een instrument bespelen, acrobatiek, vliegen.

'Het is allemaal één gevoel. Soms uit je het met een pen, soms met een potlood, soms doe je het zelf als speler. Misschien is het frustratie, misschien is het vechten tegen de tijd, eeuwig willen blijven, vechten tegen de droefheid van de wereld, misschien is het melancholie, depressie. Ik weet niet wat het is. Het is om niet stil te staan, om niet te stoppen. Het is een roltrap die tegen je in gaat. Als je stopt, ga je naar beneden.

'Misschien is het om leuk gevonden te worden, misschien om iets moois te geven. Zo ben ik tenslotte ook ontstaan. Ik was blij toen ik Chaplin zag. Die heeft me zoveel geluk gegeven. Buster Keaton, Laurel & Hardy. In Algerije had ik zo weinig, en toen kreeg ik mijn eerste boek, ik was zo blij, zo gelukkig, ik heb het in één nacht uitgelezen.' Hij doet alsof hij bladzijden omslaat. Zijn rastaharen vallen naar voren. 'Ik dacht: ik weet het nu, ik weet wat de magische formule is.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.