'Hier heb je de wind altijd tegen'

Naar de plekken van de jeugd. Deze week: de historicus Isaac Lipschits (71), schrijver van onder meer De kleine sjoa....

Niemand stelde vragen toen Cor de Boer achter de dijk kwam wonen. Vreemd, want dit was duidelijk een joch uit de grote stad met een Hollands accent, niet gewend aan het leven op de klei. Toch hoorde hij er al aanstonds bij; zwom 's zomers in de Wad den zee, liep met vriendin Maaike flanerend door de hoofdstraat van het dorp, hielp bij het persen van koolzaadolie in een machine op de zolder van de boerderij.

Al die tijd droeg Cor de Boer een geheim met zich mee twee jaar en twee maanden lang. Zelfs boezemvriend Fré Smit mocht het niet weten. Pas toen de Canadezen door de straten van Sint Annaparochie reden, en het bevrijdingsfeest begon in de bovenzaal van café Wapen 't Bildt, deed Cor zijn masker af en daaronder kwam tevoorschijn Isaac Lip schits, de joodse onderduiker, straatschoffie uit Rotterdam, inderhaast naar Friesland gebracht en daarmee ontkomen aan de dood. Tegen het eind van de oorlog was hij 15 jaar.

Isaac Lipschits schopte het vervolgens tot professor in de contemporaine geschiedenis, doceerde aan de universiteiten van Amster dam, Rotterdam, Leiden, Haifa, Jeruzalem, Gro ningen en werd ten slotte landelijk beroemd met zijn kruistocht voor joodse genoegdoening. Nog steeds vecht hij voor erkenning van het leed dat joden door Nederlanders is aangedaan. Hij vond er een beladen term voor uit: de kleine sjoa. Schreef er boeken over, die bijvoorbeeld vertellen hoe politieagenten in Rotterdam een bonus kregen voor elke jood die ze arresteren konden. Hoe de Nederlandse Spoorwegen nota's indiende voor vervoer naar Westerbork. Hoe christelijke Nederlanders onderduikers accepteerden, om hen te kunnen kerstenen.

Dat hij nu weer over de Friese dijk loopt, oude man schrap tegen de stormwind, heeft een reden. Het is een eerbetoon. Isaac Lip schits wil terug naar zijn onderduikjeugd om te vertellen over Cor de Boer, oom Coen, tante Aaltje, hun vier zonen en Beppe die altijd aan het koken was.

Om iets recht te zetten.

'Ik heb de naam alle Nederlanders in de oorlog fout te vinden. Dat klopt niet. Veel Ne derlanders waren fout in de oorlog érg fout maar niet iedereen. Niet iedereen heeft de joden bestolen, of het hoofd omgedraaid toen ze bestolen werden. Oom Coen was goed. Tante Aaltje was goed. Mijn onderduikouders; aan hen heb ik me na de oorlog kunnen optrekken. Zonder hen had ik het niet gered.'

Het is bijna zestig jaar geleden, maar Lip schits herkent de dijk direct. Daar woonde Fré. Daar woonde Herman Natkil. De Oude Bildtdijk is 12 kilometer lang en ligt op de rand van Nederland. Nog verder naar het noorden begint de zee. Links oude boerderijen, rechts arbeidershuizen, verder klei tot aan de horizon. De wind is sterk en jaagt wolken op. Fietsers met gebogen rug. 'Hier heb je de wind altijd tegen', zegt Lipschits. 'Zowel heen als terug.'

Hoe hij er terechtkwam. Januari '43. 'Mijn ouders waren opgepakt. De illegaliteit moffelde mij en mijn broer Alex meteen weg; in veertien dagen zat ik op twaalf verschillende adressen, safe houses zouden ze dat nu noemen. Een zwijgzame man haalde me op, bracht me naar station Overmaas waar we de trein naar Leeuwarden namen. Ik mocht niet praten. Hij las een krant. Hij zei: 'Je komt uit de stad, je gaat naar het land, het leven is heel anders daar. Je moet er de handen uit de mouwen steken, de boer helpen met zijn werk. Het is hard werk.'

Op station Leeuwarden stonden twee fietsen klaar. Tegen de wind in gingen we naar Sint Annaparochie, en verder nog tot op de Oude Bildtdijk. Daar heeft de man me afgeleverd, bij de boerderij van Coen Balt. Het was winter, maar lekker warm. Ik was 12 en voelde me opgelaten. Oom Coen las de krant. Ik zei: "Meneer Balt, ik ben niet gewend vroeg op te staan, kunt u mij wekken als ik op het land moet werken?" Zegt hij: "Jongen, ik ben niet meneer Balt, ik ben jouw oom Coen en morgen ga je gewoon naar school." Hij had me aangemeld als Cor de Boer, een oorlogswees uit het gebombardeerde Rot ter dam, er was een kartonnetje van het Ro de Kruis als bewijs, verder geen vragen.

Oom Coen kreeg geld van de illegaliteit om mij te herbergen. Toen ik wegging in '45, gaf hij me een bankspaarboekje. Al het geld stond erop. Hij was arm, maar had geen cent voor zichzelf gehouden. Zo'n man was het. Hij kon geen onrecht zien.'

Oom Coen is overleden. De boerderij staat er nog, anno 1659. Hoog monument in eindeloos land een wonder dat de wind er geen vat op krijgt. Mooi opgeknapt, met glanzend zwarte dakpannen voor en een dikke rietlaag achter. Niemand thuis. Lipschits, zenuwachtig, tuurt door de ruiten. Er staat een computer achter. Maar hij ziet ook iets anders. 'Bep pe bij de potkachel. Ik zie het weer voor me: Beppe, de moeder van oom Coen, altijd aan het koken. De potkachel, de lampetkan het waren arme mensen.'

Aan de overzijde van de dijk was nog een jood ondergedoken, Herman Natkil, 'die kwam 's avonds met oom Coen discussiëren over Hitler en Stalin. Hij speelde Mussolini; dan ging ie op een kist staan en riep: partijgenoten! Later heeft ie zich als verzetsheld voorgedaan.

'Oom Coen niet. Oom Coen deed alles vanuit zijn hart, belangeloos. Je hebt hele domme mensen, maar dit was een man die kon praten. Over communisme, over fascisme. Mooie verweerde kop. De Onver zet te lij ke Fries. Ik werd zijn vijfde zoon. Jan, Cees, Jip pe, Thijs en Isaac. Ik bedoel Cor. Cor de Boer.'

Het was een dubbelleven.

Cor de Boer, fietsend met Fré Smit over de dijk, fluitend naar de meisjes. Schoolreisjes met paard en wagen. Dikke boterhammen met spek en kaas. 'Ik was een zenuwachtig jongetje. Friesland deed me goed de rust, de kalmte.'

Isaac Lipschits, die zijn naam niet mocht vertellen. Ouders in een concentratiekamp, waarschijnlijk dood. Bang voor vliegtuigen en bommen. 'In Fries land ben ik gaan stotteren. Ik stotterde bij

de l. Dat is niet normaal, de meeste mensen stotteren bij de k of de s. Het kwam door mijn naam, zei de stottertherapeut later. Ik was er zo op gebrand dat Lipschits niet uit

te spreken, dat ik bij elke l al begon te twijfelen.'

Van de boerderij naar school is het 500 meter. De dijk op en rechtsaf. Cor de Boer liep het vier keer per dag, op klompen. Halver we ge staat café De Oosthoek, anno 1889. Het is gesloten.

Lipschits heeft moeite met die plek. 'Er hing destijds een bordje naast de deur: voor joden verboden. Dat was verplicht. Maar ik heb het nooit gezien. Echt waar. Nooit. Ik weet: het kan niet, dat bordje móet ik gezien hebben, maar het is uit mijn hersens gewist. Opgeborgen. Zoals ik meer dingen uit die tijd heb opgeborgen.'

Het schoolgebouw is niet veranderd, maar vervallen. Twee lokalen en een gymzaal scheuren in de muur. Het is een opslagplaats geworden voor rommel, grasmaaiers en een gedemonteerde bmw. Achter de bmw vindt Lipschits nog de haakjes waaraan hij zijn jas ophing. En het toilet.

Oom Coen was voorzitter van het schoolbestuur. Cor de Boer studeerde goed, las thuis de Leeuwarder Courant, had achten en negens op zijn rapport, maar mocht niet naar de hbs in Leeuwarden omdat het te gevaarlijk was.

De ulo in Sint Annaparochie, 2 kilometer verderop, dat kon nog net. Hij moet er naar zoeken. De ulo blijkt gesloopt. Maar de gymzaal, ondergebracht in een kleine oude kerk, staat er nog steeds. Ook vervallen. Ook vol met rommel.

Alsof ze het verleden voor Isaac Lipschits hebben bewaard, is bovendien de feestzaal van café Wapen 't Bildt onaangetast. Hij kijkt er verwonderd om zich heen. Herkent er het behang, dat vergeeld van de muren krult. De houten dansvloer. Hier was het grote bevrijdingsfeest. 15 April 1945, Canadezen in de hoofdstraat, nog nooit had Cor de Boer de Friezen zo vrolijk gezien.

'Iedereen was uitbundig, behalve ik. Wat nu? In één klap voelde ik me een vreemde. Ik wist dat mijn ouders dood moesten zijn. Oom Coen zei dat er lijsten met doden hingen in Leeuwarden ik ben er een paar keer heengegaan en dat was afschuwelijk. Ik wist dat Alex in Zeeland was ondergedoken.

'Het was een verwarrende tijd. De bevrijding maakte alles kapot. Jippe reed zich met paard en wagen te pletter tegen de muur van de boerderij; de paarden waren op hol geslagen. Oom Coen was van slag. Ineens klopte het allemaal niet meer. Alsof je langzaam wakker wordt uit een droom. Ik was bij Fries land gaan horen. Ik was in Cor de Boer gaan geloven. Nu mocht ik weer Isaac Lipschits heten. Friesland was verdwenen. Ik ging weer terug, naar Rotterdam.'