Reportage

`Het maakt niet uit dat mensen niet verstaan wat ik zing, ze voelen het'

Portret van de Groningse volkszanger Arnold Veeman

Hij bezingt het kleiige Groningse land en laat daar doorheen de Surinaamse Marowijne stromen: Arnold Veeman.

Beeld Erik Smits

Weet je wat voor leven hij het liefst had geleid? Een overzichtelijk leven. Dus zonder die verwarring van wie hij nou is, als halve Surinamer in de Groningse klei, en waar hij vandaan komt. In zo'n glashelder leven was zanger Arnold Veeman helemaal niet opgehaald in zijn tweede levensjaar door zijn echte moeder en zijn stiefvader, maar was hij voor altijd bij zijn pleegouders gebleven op de kop-hals-rompboerderij in Pieterzijl, een gehucht in Groningen.

Dan was hij later een biologische boer geworden, zo'n echte sociale, weet je wel, die goed is voor de mensen en voor zijn gewas. Die 's avonds in het Gronings droge verhalen vertelt over het leven in de klei. En zingt, jazeker - een zingende boer!

Als Arnold Veeman (geboren 1973) nu het podium oploopt, kan hij er op wachten: op die verbazing op de gezichten. Huh, dat een donkere man zo in het oer-Gronings kan zingen. En die liedjes dan, die kunnen toch nooit van hem zelf zijn, is dan een volgende vraag die onherroepelijk valt. Echt wel dus, en zelfs bij Mien Lutje Laif, die veelgehoorde Groningse streektaalballade die wekenlang op nummer één stond bij RTV Noord, staat zijn naam. Huh, is dat echt van die gast? Dat moet toch van een gewone Groninger zijn?

Zie hem als die zwarte Amerikaanse countryzanger Charley Pride die op het podium in Nashville verscheen. Iedereen kende zijn hits, maar niemand wist hoe hij eruitzag. Dat werd geheimgehouden. Toen hij daar stond, in al zijn unieke Afro-Amerikaanse countryverschijning, viel het even stil in de zaal.

Veeman had het ook liever anders gezien en niet altijd een verwarrende gedaante hoeven te zijn. Hij zit in een verkeerde huls, zegt-ie dan, met dank aan zijn Surinaamse vader. Een echte Veeman voelt hij zich ook niet, en eigenlijk ook geen Arnold. Zijn verlangen is om een uitgestorven familienaam aan te nemen, als het niet zo'n ongezond bureaucratisch gedoe zou zijn.

Hoe goed hij de liedjes ook vertolkt voor de Groningers, in hun streektaal, altijd wordt er naar 'zijn kleurtje' gekeken. Telkens is het spannend wat voor reacties hij uitlokt. Terwijl hij juist iets wil meegeven aan de Groningers, met die liedjes. Aan ze vertellen hoe poëtisch hun taal is, vol zeggingskracht, en dat je er zo prachtig in kunt zingen. Laat je vooral niet aanpraten dat het plat is, met dat geknauw, of als dialect nog amper Nederlands te noemen is.

Hier klinkt in de taal de kracht van de onderdrukte Groningse boer, zo voelt hij het. En daar popt het dwarsverband op, want werden Surinamers ook niet altijd uitgebuit? Dus er zit niks anders op dan de muzikale blender aan te zetten, en alles te mengen. Zodoende stroomt ook op zijn nieuwste cd Klaai (klei) de Marowijne naar het Boterdiep. Klinkt er de montere trompet als ode aan zijn Surinaamse opa, en wordt Groningen, als stad en platteland, schitterend en stemmig in de violen gezet.

Ach, Finnerwold
mooi zunder woord

Arnold Veeman zit aan een tafel in de voormalige Willibrordusschool in Kloosterburen en ergens zou het handig zijn als hij nu op een schoolbord een overzichtje tekende zodat met een oogopslag 's mans familie en achtergronden te begrijpen zouden zijn. Pleegvader. Stiefvader. Echte vader. Surinaamse opa. En dat is nog maar een deel van het verhaal. Zelf heeft hij ook nog een bijdrage geleverd aan de grensoverschrijdende familiaire vertakkingen. Drie kinderen uit zijn tweede huwelijk wonen in Zweden en zijn 20-jarige zoon is bij zijn moeder in Frankfurt. Zijn vriendin Maria Madelon heeft twee kinderen uit een eerdere relatie.

Vooruit Arnold, schenk de koffie maar in, en kom maar op.

Om te beginnen is daar zijn moeder, die als 15-jarige zwanger raakte van Humphrey van Daal, een Surinamer die in Groningen was neergestreken. Haar ouders vonden het beter als zij subiet het huis uitging. De baby kreeg onderdak bij het boerengezin van Frouwkje en Egbert van den Hoek. Naast de zeven kinderen kon er nog wel 'een turfje' bij. Op de eerste keer verjaarsvisite 'verschoot de hele familie van kleur', vertelde Egbert ooit over Arnolds overrompelende ontvangst op het Groningse platteland, in de jaren zeventig. 'Maar daarna wilden ze allemaal het kroeskopje van dat donker jonkje aaien.'

En op zijn 2de werd hij opgehaald, door zijn moeder. Hij moest met haar mee. Arnold ziet zichzelf nog zitten op de achterbank van een rode eend, terwijl de boerderij steeds kleiner werd. Hij zag schapen op de weg, en een staalgrijze lucht. Waarom moest hij hier vandaan, hij begreep het niet. Zijn eerste nacht in een studentenflat in Delft, met zijn moeder en zijn stiefvader hing er boven zijn hoofd een wensdroomwolkje - met daarin de boerderij. Daar in Groningen hoorde hij, en dat verlangen zou altijd blijven.

Vele jaren later kwam hij er met zijn moeder over te spreken: zijn echte vader, hoe zat dat nou precies? Want er waren die verhalen over hem dat hij een crimineel was, een pooier die het voornemen had zijn moeder achter het raam te zetten. Losse handjes ook, dat werk.

Niet lang na hun voorzichtig ingezette zoektocht verscheen er een bericht in de krant. 'H. van Daal' is bij een schietpartij in Groningen omgekomen. De criminele afrekening had met de handel in drugs te maken. Zie je wel, dacht hij, dat was hem dus. Deze enge man was zijn vader. Hij moest hem loslaten en de zoektocht kon hij staken. Hij ging zijn echte vader nooit meer ontmoeten. Punt uit. Een rustgevende gedachte, al met al.

Beeld Erik Smits

Maar ach man, ook dat klopte van geen kant. Eigenlijk werd het alsmaar ingewikkelder, naarmate de jaren vorderden. Zeker toen hij met zijn pleegbroer Piet Hein van der Hoek naar Suriname ging voor een documentaire over zijn Surinaamse afkomst.

Er kwam een roedel aan familie bij tijdens die reis, en bij zijn tante kwam er een pakket met brieven uit Nederland boven tafel, van zijn echte vader. Nee, hij was geen crimineel geweest, maar meer een zachtaardige man die weleens een klap uitdeelde en het erg zwaar had in Nederland. Doodgeschoten? Drugs? Allemaal fabeltjes, hij stierf in 2001 in Groningen, en werkte jaren als laborant.

Arnold had 'm dus gewoon kunnen ontmoeten. Zijn vader wist trouwens ook van zijn bestaan, hij had al die tijd een foto van hem gehad, als baby in de armen van zijn moeder. Verwijten doet hij zijn vader niets, het is zo gelopen.

Die Humphrey van Daal bleek vrouwtechnisch wel een oververhit leven te hebben gehad. Om te beginnen was er in Suriname een vrouw, en daarna in Nederland nog meerdere relaties, en dan hebben we het nog niet over de bijvangsten, zoals zijn moeder. Arnold, die altijd in een groot gezin wilde wonen, bleek een halfbroer, een halfbroertje en een halfzusje te hebben. Althans, dat is de voorlopige tussenstand.

Wat hij er vooral over wil zeggen, is dat zijn achtergrond is als klei, het kan steeds anders worden vormgegeven.

Onder mien hoed schoelt de aiweghaid,
wiedvot van road en gevuil:
doar struunt de tied dij t swaart in vlocht.
t Is hier zo stil as klaai

Arnold Veeman zit in de oude tourbus en zijn vriendin Maria Madelon zit achter het stuur. Een stukje toeren in de omgeving, op naar het befaamde Café Hammingh. Tussen Rode Haan en Schouwerzijl, op weg naar Schaphalsterzijl, stapt Veeman even uit. Boven het uitgestrekte Noord-Groningse akkerland hangt een regenschoer, een donkere regenwolk dus. Dit is de echte klei, zegt hij nadat hij een stap in de klei heeft gezet. Ongemengd, donkere glimmende klei.

En luister maar, zegt Arnold: het is hier zo stil als klei. 't Is hier zo stil as klaai.

Hij is zijn hele leven bezig met klank, nog meer dan met muziek, zegt hij, terug in de bus. Klanken, klanken van vroeger, zoals een piepende staldeur, trekveren. De mooiste klank komt uit een kleine ruimte van een oud huis, zo intiem en geborgen. Of uit een bedstee, onder de dekens.

Het zijn allemaal klanken van de boerderij in Pieterzijl, die hij probeert te reproduceren in zijn muziek. Niet voor niks duiken zo vaak strijkers op in zijn composities, want strijkers zijn voor hem de ruisende kastanjebomen in het laantje bij de boerderij. Alsof dat 'm even terugbrengt naar de gelukkigste periode in zijn leven.

Zo is het ook met zijn keuze om in het Gronings te zingen. Natuurlijk was hij ook zo'n muzikant die in het Engels probeerde en deed wat iedereen deed, het herkauwen van muziek. Maar toen hij op een keer het duo De Koning en de Dame in streektaal hoorde zingen, dacht hij: wauw. Wat is dat mooi, en in het Gronings, zo poëtisch, krachtig ¿ en wat geeft die taal een geborgenheid.

Nu met zijn vijfde Groningstalige cd, weet hij ook dat het niks uitmaakt als mensen niet precies verstaan wat hij zingt. Ze voelen het.

T Was soms zo stil, dat t om mien hart
Te wee was
En k om mien d''ropke ruip mit ale macht
Kloosterboeren,
Ik heur puur meziek

Beeld Erik Smits

De ouwe tourbus wordt geparkeerd bij Café Hammingh in Garnwerd. Aan een tafel met uitzicht op het kanaal Reitdiep vertelt-ie over die keren dat iemand uit 't Westen hem toevallig had horen spelen, op plekken zoals hier. Dan weten ze 'm altijd te vertellen dat hij heel groot kan worden. Dat hij te goed is om alleen Groningen te bedienen met zijn prachtige muziek.

Wat doet hij in de Menkemaborg in Uithuizen? Of in Zeerijp of Zuidlaren. De Carnegie Hall man, die kan jij wel vullen, zo wist een westerling hem zelf te vertellen. En anders toch wel De Kleine Komedie. Och, wat moet-ie ermee, zegt-ie dan. Ook de documentaire uit 2012 van Piet Hein van der Hoek, Mijn broer Arnold, die toch op de televisie te zien was geweest, heeft hem geen nationale bekendheid opgeleverd of meer gigs.

We moeten het nog maar zien, vindt hij. Het gaat om de stabiele basis, daar zoekt-ie zijn hele leven al naar en die heeft hij hier in Groningen, in Kloosterburen. Hij voelt zich toch al zo vaak een zwerver die nergens echt kan aarden, dus als dit het is, is het ook goed.

Kort voor de kop, is-ie daarin.

De documentaire heeft wel een ander, negatief, gevolg gehad. Zijn stiefvader, wiens achternaam hij draagt, wil 'm nooit meer zien. Nou was de relatie ook al een stuk ingewikkelder sinds hij niet meer met zijn echte moeder was. Maar omdat Arnold in de docu liet vallen dat hij in zijn jeugd 'klappen' had gekregen, voelde zijn stiefvader zich onherstelbaar diep beledigd.

De verhouding met zijn moeder is eveneens beroerd, zegt hij. Want ja, hij had toch geen fijne jeugd gehad, en dat had hij haar verteld. Op de boerderij bij Egbert en Froukje, in dat grote boerengezin, daar was het veel fijner geweest. Daar kwam hij in de vakanties, en in het weekend. Nu al zijn pleegzusters en -broers zijn uitgevlogen, is-ie blij dat hij sinds kort in de groepsapp zit van de familie. Dan heeft hij niet meer het gevoel dat-ie er zo bij hangt.

Als hij dan toch van al die her en der gelinkte aanverwanten een held mag noemen, is het Egbert, zijn pleegvader. Want wat had-ie graag willen zijn zoals hij. Dat behoedzame, dat kalme, dat compromisloze Groningse. Na een dag werken op het boerenerf studeerde hij Frans en luisterde naar chansons van George Brassens. Geen man van veel woorden, maar krachtig in het moment.

Toen hij op een dag met een vriendje vette kleikluiten naar de aardappelbel bij de schuur had gegooid, leek Egbert even ontstemd en moest Arnold zich melden. Daar gaat mijn paradijs, dacht hij. 'Gaan jullie eens even afkoelen!', was alles wat hij zei, en het had een eeuwigdurend gezag.

Op het sterfbed van Egbert was Arnold erbij, nu vier jaar geleden. De oude boer keek hem aan, pakte zijn hand en zei hem: 'Mijn allerliefste zoon.' Nooit had Arnold zich meer verbonden gevoeld.

De nieuwe cd van Arnold Veeman is getiteld Klaai.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.