'Er is toch ook wel iets léúk aan Emmen?'

In de boekhandel van Roden stond ik op een avond heerlijk voor te lezen uit mijn boek over een jeugd in een Drentse winkelstraat - alles moet het daarin ontgelden, de winkels, Emmenaren en de Drenten - toen een vrouw van middelbare leeftijd op de eerste rij het niet meer hield en riep: 'Maar er is toch ook nog wel iets léúk aan Emmen?'

Ik keek op en zag een gezicht, vertrokken door verontwaardiging. Ze was beledigd, persoonlijk beledigd. 'Ik zat in de jaren zestig in Emmen op het lyceum', zei ze. 'Nou, dat was cultureel, hoor. We hadden alles. Schooltoneel. Muziekles. Gratis kaartjes voor het theater.' Ze maakte ronde gebaren. 'Het ging er heel vooruitstrevend aan toe.'

Daar gaan we weer, dacht ik. Na publicatie waren de Drenten als één gediscrimineerde minderheid tegen mij opgestaan. Wekenlang stonden dagelijks boze pagina's in de krant. Ik was bedreigd, beveiligd. Boze Drenten scharrelden rond huizen van familieleden. Als in die tijd de deurbel ging, deden wij niet graag open.

Steeds had ik geduld betracht, het laaiend minderwaardigheidscomplex een luisterend oor toegestoken. Nu ik weer voor een boze Drentse stond, voor een publiek eigenlijk, dat ineens helemaal uit beledigde Drenten bestond, tastte ik gewoontegetrouw naar mijn inwendig geduldsschakelaartje, maar ontdekte dat daar de afgelopen tijd te veel gebruik van was gemaakt. Het schakelaartje was lam.

Ik werd boos, rood, bozer en roder. Alle frustratie van de afgelopen maanden wilde eruit, nu, op dit moment, tegenover deze vooruitstrevende vrouw, het liefst met kracht. 'Het is een román!', riep ik. 'Ik laat dat personage zijn omgeving haten om zijn gestéldheid te schetsen. Zo gaat dat met literatuur. Begrijpt u daar wel een kloten van?'

Even was het stil, je kon alleen mijn ademhaling horen. De vooruitstrevende vrouw zat witjes op haar stoel, bang, verslagen. Maar ze was nog niet dood en dus stapte ik dreigend toe en zei: 'Als er volgens die jongen nou van niets en niemand iets deugt, aan wie of wat mankeert er dan wat, volgens u - de wereld of die jongen? Nou? Nou?!'

We keken elkaar in de ogen, de vrouw en ik, ik en de vrouw. Daarna zei ze: 'Kruidenier Middendorp - zegt u dat ook iets?' 'O ja!' riep een man. 'Die zat toch aan de Weerdingestraat, bij Doornbos Dierenbenodigdheden?' De vooruitstrevende vrouw draaide zich met het gezicht naar het publiek, dat tot zo-even van mij was geweest. 'Nee, kruidenier Middendorp zat aan de Hoofdstraat. Naast Hoedje Paagman, weet u wel?

'Hoedje Paagman, Hoedje Paagman?' riep een dame bij de kassa. Ze legde een exemplaar van mijn boek, dat ze al een uur in handen had gehad, terug op de stapel. 'Daar heb ik nou nog nooit van gehoord, van Hoedje Paagman! Lintje Meijer ken ik wel. Die verkocht knopen en ritssluitingen. Wat verkocht Hoedje Paagman dan - hoedjes?'

Langzaam draaide de vooruitstrevende vrouw zich weer terug naar mij, sloeg armen en benen over elkaar en keek me eventjes doordringend aan. 'Nee', zei ze. 'Fietsen. Ik weet ook niet hoe hij aan zijn bijnaam kwam.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.