'Eenmaal overstag, stond hij ervoor': hoogste baas en vernieuwer van de oudkatholieke kerk

Het eeuwige leven: 'Teus' Glazemaker (1931-2018)

In de oudkatholieke kerk was aartsbisschop Antonius Jan ('Teus') Glazemaker een vernieuwer en de eerste die een vrouw tot priester wijdde.

Aartsbisschop Glazemaker. Foto .

Wat in de rooms-katholieke kerk nog een utopie is, werd aan het einde van Glazemakers loopbaan in de oudkatholieke kerk gerealiseerd: de wijding van vrouwen tot het priesterambt. Aartsbisschop Antonius Jan ('Teus') Glazemaker was er niet de grootste pleitbezorger van. Maar hij hield het ook niet tegen. Van de dertig priesters in de oudkatholieke kerk in Nederland, met een kleine vijfduizend volgelingen, zijn er zeker acht vrouw.

Glazemaker, die 20 januari op 86-jarige leeftijd overleed in Amersfoort, was van 1982 tot 2000 aartsbisschop van de andere katholieke kerk van Nederland. Zijn vader, wiens eerste vrouw jong was overleden, had een melkveehouderij naast de oudkatholieke kerk in Hilversum, waar ook een tante meehielp. De hoop was dat Teus zijn vader zou opvolgen, waardoor hij niet naar het seminarie ging, maar naar het gymnasium in Hilversum. Zijn roeping kwam daardoor laat. In die tijd telde de oudkatholieke kerk, die zowel het centralistische gezag van Rome, het dogma van Maria's onbevlekte ontvangenis en het celibaat afwijst, ruim tienduizend zielen, voor een groot deel geconcentreerd in kustplaatsen als IJmuiden en Egmond aan Zee.

Ontkerkelijking

Na zijn huwelijk met Gerda de Groot begon Glazemaker in 1956 zijn pastorale loopbaan in Leiden, gevolgd door het pastoraat in IJmuiden, waar zijn beide dochters werden geboren. Professor dr. Jan Visser, een studiegenoot en vriend van Glazemaker, zegt dat hij daar geconfronteerd werd met het begin van de ontkerkelijking van de 'volkse parochies'.

Glazemaker was voorstander van liturgievernieuwing en zocht na het Tweede Vaticaanse concilie toenadering tot de rooms-katholieke kerk, nadat de verhoudingen eeuwenlang bevroren waren geweest. In 1979 werd hij benoemd tot titulair bisschop van Deventer, alleen in naam een bisdom naast de officiële bisdommen in Haarlem en Utrecht. Hij noemde zichzelf een soort 'Jan zonder land'. Maar al drie jaar later volgde zijn verkiezing tot aartsbisschop van Utrecht.

Volgens Visser heeft Glazemaker veel gedaan aan de verbetering van de interne organisatie van de oudkatholieke kerk, waar zelfs de kleinste parochie van enkele tientallen leden nog een fulltime priester had. Ook droeg hij bij aan een verkleinde synode. Deze maatregelen leidden tot het terugbrengen van de personele kosten. Als voorzitter van de oudkatholieke Unie van Utrecht was hij actief in het overleg met de oudkatholieke gemeenschappen in onder meer Duitsland, Zwitserland en Polen en de anglicaanse kerken. In 1989 ontving hij een eredoctoraat van de universiteit van Warschau.

Eerste vrouwelijke priester

Een van de grote discussiepunten was de toelating van vrouwen tot het priesterambt. In een in memoriam stelde zijn secretaris Emile Verheij dat Glazemaker lang aarzelde om zich hiervoor uit te spreken. 'Maar eenmaal overstag, stond hij ervoor. Een half jaar voor zijn emeritaat wijdde hij de eerste vrouw tot priester en trok daarmee de volle consequentie van het besluit.' Hij brak vaker een lans voor veranderingen. In 1992 verdedigde hij een kerkelijk huwelijk na een echtscheiding. En hij zag homoseksualiteit niet als een belemmering voor de priesterwijding.

In zijn preken verbond Glazemaker bijbelse teksten met de actualiteit en schuwde hij de ironie niet. Hij kon tamelijk kritisch zijn over de liturgie van pastors. Tot vorig jaar kreeg de Liturgische werkgroep in zijn woonplaats Amersfoort nog jaarlijks een overpeinzing van de diensten in de Goede Week. 'Lekker vlot misje' was volgens Verheij een groot compliment uit zijn mond.