'Ben ik echt gegrepen, dan is het alles of niets'

De bejaarde Lodewijk van Deyssel nam de jonge Harry Prick een examen af, dat de pupil glansrijk doorstond: hij mocht de biografie schrijven....

'GELOOFT U MIJ: ik heb mij tot het uiterste moeten beperken. Het is een excentrieke biografie geworden - na 1000 bladzijden is Van Deyssel nog geen 25 jaar oud -, maar het onderwerp is dan ook een excentriekeling. Men verwijt mij wel dat ik te veel details verstrek. Maar mij stoort het altijd bij andere biografieën, dat er plompverloren kan staan: ''Drie maanden later. . .'' Van waar? Is er drie maanden lang niets voorgevallen? Dan heeft je onderwerp toch ook geleefd?! Hij heeft in die periode op zijn minst gegéten - ook zoiets waar je zelden over verneemt. Mij interesseert het ook wat die mensen aten, hoe ze gekleed gingen en wanneer ze voorgoed hun baardje afschoren. Dat soort details hoeft niet van kardinaal belang te zijn, maar ze brengen de mens wat dichterbij. Ik wek de suggestie dat ik alles opschrijf, maar ben in werkelijkheid spaarzaam, want kijk eens, anders had ik nooit een leven van 87 jaar, vier maanden en vier dagen in slechts twee delen kunnen oproepen.'

Het leven en werk van Lodewijk van Deyssel (1864-1952), schrijversnaam van Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm, zijn thans vastgelegd door Harry G.M. Prick (1925): In de zekerheid van eigen heerlijkheid (Van Deyssels leven tot 1890) verscheen in 1997, Een vreemdeling op de wegen (1890-1952) wordt aanstaande woensdag gepresenteerd in het Haarlemse stadhuis.

Van Deyssel vergaarde roem als Tachtiger met zijn roman Een liefde (1888), met zijn scheldkritieken, en de verfijnde prozaschetsen Kind-leven (1902) die bekend werden als De Adriaantjes. Minder bekend zijn de opstellen over Rembrandt, zijn 'heroïsch-individualistische dagboekbladen' Het Ik, de roman Het leven van Frank Rozelaar, de Gedenkschriften, en zijn intrigerende boeken over Multatuli en over zijn vader, de katholieke hoogleraar J.A. Alberdingk Thijm.

Al ver voor de Tweede Wereldoorlog leek Van Deyssels naam verbleekt. Door toedoen van zijn stadgenoot Godfried Bomans verkreeg hij postuum de naam van deftige humorist - waarbij het eeuwig jammer is dat Bomans zich niet merkbaar verdiept heeft in het oeuvre van de meester der vormelijkheid, strijdlust en zintuiglijkheid. Harry Prick kreeg in 1952 de beschikking over Van Deyssels nalatenschap, en dat was een schok. De schrijver bleek uitvoerige obstipatie- (ofwel 'kakkerij-uitblijverigheid') en onanie-dossiers te hebben aangelegd. Dagelijks legde hij álles vast, in een heroïsch én meelijwekkend streven de omstandigheden naar zijn hand te zetten, nodig om tot zinnig werken te komen. Bladzijden vol over zijn strijd tegen de vliegen. Stapels velletjes die bekend zijn geworden als 'de Telephoonbriefjes': Mijnheer Thijm zelf belde niet, hij liet zijn personeel de meest precieze bestellingen doorbellen, zoals aan hoedenmagazijn Prinsen: 'De Heer Alberdingk Thijm verzoekt op zicht hoeden met breedere randen dan die de hedenochtend gezondene hebben. Of dit al of niet de mode is, interesseert den heer Alberdingk Thijm niet.'

Het heeft de biograaf een halve eeuw gekost, om het evenwicht te vinden tussen een beschrijving die recht deed aan de literaire prestaties van zijn held, alsook aan de soms lachwekkende gedragingen van een man die in zijn excentriciteit bijkans verzonk. In de tussentijd was Prick ook leraar en twintig jaar conservator van het Letterkundig Museum, hij promoveerde in 1977 op De Adriaantjes en gaf tal van correspondenties van Van Deyssel uit. Altijd wist hij dat de biografie er ooit moest komen.

In 1942 was Prick een zeventienjarige leerling van de hbs in Maastricht, toen hij de bejaarde Van Deyssel een dweepziek briefje stuurde. Prick: 'In de bus vanuit mijn woonplaats Vaals naar Maastricht had ik in een bloemlezing een fragment uit Een liefde gelezen; dat waarin Mathilde de Sonate Pathétique van Beethoven speelt. Van Deyssel vervatte de muzikale sensaties in schitterende taal. Dat deelde ik de auteur mede. Hij schreef mij vanaf de Dreef in Haarlem: ''Waarde vriend, een brief te ontvangen als de Uwe geeft den ontvanger een ogenblik van geluk. Mij aanbevolen houdend voor meer van dergelijke ogenblikken, ben ik, met vriendelijke groet, K.J.L. Alberdingk Thijm (L. van Deyssel).'' Daar was ik de koning te rijk mee, niet kunnende beseffen dat bijna niemand meer met hem over zijn werk praatte. Met Bomans schaakte hij, en samen hadden ze het vooral in anekdotische zin over de schilderachtige schilders Kees Verwey en diens leermeester Boot. Van Deyssel wás ook humoristisch. Toen in 1900 de schrijver Henri van Booven bij hem aanschelde in Baarn en oog in oog met die grote loensende diknek hakkelde dat hij Van Booven was, riep Van Deyssel prompt: ''U bent abuis, mijnheer, ik verhúúr geen kamers!'' '

In de oorlog bedacht Prick (vanuit bevrijd Limburg) de schrijver met voedselzendingen via het Rode Kruis, en in oktober 1945 reisde hij af naar Haarlem, waar hij logeerde bij de tachtiger geworden Tachtiger in zijn laatste pension aan de Van Eedenstraat 14. Prick: 'Volgens Bomans was het huis aan de Dreef in 1943 getroffen door een bom, en zou tot verbijstering van de omstanders een geheel geklede Van Deyssel naar buiten zijn gestapt, opmerkende dat het kil was voor de tijd van het jaar, waarna hij in hotel Fünckler enige kroketten tot zich nam. Dat was fantasie: de búren waren getroffen, maar Van Deyssels woning was gevorderd door de Duitsers. Dat was de reden voor de verhuizing naar het elfde en laatste Haarlemse woonadres.

'Op mijn 21ste heeft zich die merkwaardige middag voorgedaan, dat Van Deyssel zijn twaalf bundels Verzamelde Opstellen voor zich nam, ik met de rug naar hem toe moest gaan zitten, en hij zei: ''Wij zullen de proef nemen of je werkelijk zo vertrouwd bent met mijn werk als je voorgeeft te zijn.'' Op vlekkeloze wijze volbracht ik de test, die drie kwartier duurde. Hij las fragmenten voor, en ik zei: ''Dit staat in de zevende bundel, op een linkerbladzijde, tamelijk beneden.'' Ik kende alles. Want ben ik echt gegrepen, dan is het alles of niets. Hetzelfde heb ik gehad met Frans Erens, Pierre Kemp, Mallarmé en tegenwoordig met Jean Paul.

'In 1952 kreeg ik de nalatenschap, met dien verstande dat de geschriften uiteindelijk in een nationaal archief moesten komen. Dat gaat gebeuren. Ik zal alle papieren naar het Letterkundig Museum brengen, maar ik wil verdorie nu eerst enige momenten uitrusten. En ik zit te denken over een fotoboek, terwijl er bovendien nog veel onbekende correspondenties zijn waar iets mee te doen valt. Er zou een artikel te maken zijn over de briefwisseling tussen de geëxalteerde Israël Querido en Van Deyssel. Als ik tijd van leven heb, kan ik de komende twintig jaar nog diverse stukken schrijven voor het tijdschrift De Parelduiker.

'Ik was vereerd toen Van Deyssel mij nog bij leven als biograaf aanwees, maar wel heb ik hem gezegd dat ik toegang moest krijgen tot alles. Toen wist ik nog niet dat alles ook echt álles was: geen snipper of kladje heeft hij níet bewaard, inclusief die curieuze en - bij uitstek voor iemand als ik die zeer beschermd is opgevoed -, tamelijk schrikbarende dossiers. Ik realiseerde me dat er vele intimiteiten alleen bekend waren aan God, aan Van Deyssel en aan mij. Ik wist alles, nu ook van de geheimen! Misschien wist ik wel te veel, heb ik toen soms gedacht, en velen zijn dat trouwens blijven denken. Nog twee dagen voor zijn dood heeft Boudewijn Büch op de gracht in Amsterdam tegen Kees Fens geroepen, dat ''dat tweede deel van Prick'' nooit af zou komen.

'Talloze artistieke beloften heeft Van Deyssel nooit ingelost, daar hij tussen zijn twintigste en veertigste, zijn allerbeste jaren, enorm veel tijd en energie heeft moeten steken in het met wortel en tak uitroeien van zijn maniakale onaneerdrang. Hij wilde erboven staan, vond het iets voor schoolmeesters en handelsreizigers, legde kwartovellen lang in opgeblazen taal uitvoerige schema's aan betreffende de goede wijze van opstaan, over het drukken op het toilet of het ochtendlijk urineren. Dat diende klokslag 9.30 plaats te grijpen. Koste wat het kost. En het kostte veel. Regelmatig sprak hij zichzelf vanaf het papier toe, altijd met ''gij'', of wenste zichzelf geluk met de vijftiende dag waarop hij het monster had bezworen.

'Eigenlijk dieptragisch om te zien. De man moet eenzaam zijn geweest. Had hij maar een goede psychiater tot steun gehad. Het betreft natuurlijk ook een man die van kindsbeen af is vertroeteld, en die vrienden had die zijn bedelbrieven vaak met klinkende munt beantwoordden, al was Van Deyssel na zijn scheiding gedurende 34 jaar een commensaal. Iemand die zich allerhande gekkigheden kon veroorloven. O, af en toe heb ik hem een schop onder zijn achterste willen geven.

'Anders dan men veelal denkt, is Van Deyssel tot op het laatst een voortreffelijk stilist gebleven. Hij bleef bovendien altijd lezen en noteerde over die lectuur saillante opmerkingen. Prachtige passages over Gorter, Goethe, Jan van Nijlen, tot zelfs De koperen tuin, de roman van Vestdijk uit 1950 aan toe! Zijn talrijke neuroses in aanmerking genomen, is het een buitengewone prestatie dat hij nog zoveel wél heeft geschreven en voltooid. Ik heb deze biografie met buitengewoon veel plezier geschreven, en ik verstout mij te denken dat mijnheer Thijm over mijn arbeid enigermate content zou zijn geweest. Hopelijk verleid ik mijn lezers, hém weer eens te lezen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.