'Beetje laat hè, die getto-toeslag'

Ze werd opgepakt op haar 16de en kwam terecht in Auschwitz. Ze overleefde de oorlog. Zeventig jaar later krijgt ze 2.000 euro van de Duitse overheid. 'Misschien had ik wel een enorme engel op mijn schouder, weet jij veel.'

AMSTERDAM - De Duitsers kunnen er niets aan doen; de moffen zal ze nooit vergeven. Duitsers zijn mensen, moffen niet. 'Zonder uitzondering.' Van de Duitsers krijgt Beppie Ottenbros, geboren Bosboom (87) binnenkort 2.000 euro op haar rekening gestort voor wat de moffen haar hebben aangedaan.


'Getto-toeslag' krijgt ze, omdat Ottenbros tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Transvaalbuurt woonde, een overwegend joodse arbeiderswijk in Amsterdam-Oost. Zeventig jaar na dato is de Transvaalbuurt erkend als joods getto.


'Het is een beetje laat, hè?' Het klinkt ironisch. Waarschijnlijk onbedoeld. Mevrouw Ottenbros maakt haar ogen groot als ze praat. Ze praat puntig, zit kaarsrecht in een fauteuil die niet gemaakt is om rechtop in te zitten. 'Ik hoorde het van de week toevallig, van het geld.'


Het was dus niet dat ze er met smart op zat te wachten. 'Nou ja, het zal wel een soort Wiedergutmachung zijn voor die paar mensen die nog leven. De meesten die er recht op hebben zijn er natuurlijk allang niet meer. Jammer genoeg ben ik niet eens de enige. Misschien zijn er wel mensen die al die zeventig jaar op dat geld hebben gewacht. Ik vind het zielig dat ze dan nu pas erkenning krijgen.'


Zelf heeft ze die erkenning elders gezocht, in de baan die ze vrij snel na de oorlog kreeg: kok bij de Haarlemse politie. 'Geweldig werk, ik ben er tot m'n 61e elke dag met plezier naartoe gegaan. Drie hoofdcommissarissen heb ik meegemaakt; allemaal zúlke mensen.' Ze knikt een paar keer. 'De laatste zei zoiets prachtigs bij mijn afscheid. Hij zei: de groene uniformen hebben je de grond in getrapt, de blauwe hebben je er weer uitgehaald.'


Over haar oorlogsverleden heeft ze nooit gezwegen - maar ook niet zomaar gepraat. 'Ik zeg altijd: als jij vraagt, geef ik antwoord. Anders vertel ik niets.'


Aan de muur strekt het Beloofde Land zich uit - in kruissteek, ingelijst. Een stadsgezicht op Jeruzalem, de Rotskoepel, en de achtarmige menorah. 'Heerlijk vind ik het, borduren. Als m'n ogen niet zo slecht waren, deed ik het nog steeds, hoor.' Uit het aantal uren borduren dat er in de lijstjes zit, zou je kunnen opmaken dat mevrouw Ottenbros veel waarde hecht aan het Jodendom. Ze lacht. 'Ik heb er nooit wat mee gehad, met het Joodse geloof. M'n familie deed er helemaal niet aan, ook in de opvoeding niet. Ik durf te zweren dat ik geen enkel joods liedje ken. Niks. Dat boek met die borduurpatronen bracht een collega bij de politie voor me mee. Zo aardig.'


Vader Bosboom was brievenbesteller. Eens in de zoveel tijd komt hij voorbij in het digitale fotolijstje op het dressoir, met zijn glimmende PTT-pet - het is de enige foto van voor de oorlog. De brievenbesteller en zijn vrouw kregen negen kinderen. Ze woonden eerst in de Retiefstraat, en daarna om de hoek, op het Krugerplein. De Transvaalbuurt was voor mevrouw Ottenbros geen getto, maar gewoon de buurt waar ze geboren is.


'Dat ik een Jodinnetje was, dat wist ik wel. Dat wordt je bijgebracht meteen als je uit de groei komt.' Zo nu en dan spreekt ze een Amsterdamse taaltje uit een Amsterdam dat niet meer bestaat.


Het Joods zijn is voor haar vooral verbonden met vier plaatsnamen: Westerbork, Vught, Auschwitz en Ravensbrück. Ze werd op transport gesteld toen ze zestien was, in 1943. De twee jaar daarvoor werkte ze een fabriek waar regenjassen voor het Duitse leger werden gemaakt. In de fabriek zijn haar moeder en veel van haar broers en zussen opgepakt. Haar vader en jongste broertje verdwenen op een dag zomaar. Ze was de enige die overbleef. Ze werd thuis opgehaald, 's avonds. Ze haalt haar schouders op. 'Na achten mocht je de deur niet meer uit, dus het was niet moeilijk te weten waar ik zat.'


'De Joodse Gemeente heeft braaf al onze papieren afgegeven, ze hebben ons verraaien en verkocht. Daarom wilde ik na de oorlog zo min mogelijk met Joodse organisaties te maken hebben. Het is een slecht zooitje, heel slecht.'


Via een kort verblijf in Westerbork kwam de zestienjarige Beppie Ottenbros terecht in het in 1943 pas gebouwde kamp Vught. Ze liet de zaken gebeuren zoals ze gebeurden, wat kon ze anders? 'Ik was zo bleu, in het begin. Maar als er één goed ding is dat ik van de moffen heb geleerd, dan is het om van me af te praten.'


Ze werkte er voor Philips, tot ze op het allerlaatste Nederlandse transport naar Auschwitz werd gezet. Ook daar behoorde ze tot de kleine groep die sterk genoeg werd bevonden om te werken, in de fabrieken van IG Farben.


Wat er met 'de anderen' gebeurde, wist ze inmiddels. Tijdens het werken, 's nachts in bed, overal om haar heen stierven mensen. Ze heeft bergen lijken gezien. Zij bleef overleven.


Waar ze de kracht vandaan haalde? Die vraag is haar al vaak gesteld. De vraag maakt haar zichtbaar kribbig. Ze krimpt ineen, knijpt haar ogen nu bijna dicht. 'Misschien had ik wel een enorme engel op mijn schouder, weet jij veel.'


Zo bezien was het deze engel die haar de gaskamer bespaarde, maar haar in een dodenmars deed belanden. Westwaarts ging het, voor het oprukkende Sovjetleger uit. Dertien Nederlandse vrouwen liepen mee. Ze bleven de hele weg bij elkaar. De oudste was vijftig; de jongste was Beppie Ottenbros, 19 jaar inmiddels. In Ravensbrück, een kamp 80 kilometer boven Berlijn, werden ze bevrijd door de Russen.


Amsterdam Centraal, een maand later, begin juni. Op het perron stond een meisje in een gestreept concentratiekamppak. 'Ik woog 32 kilo.' Waar moest ze heen? Toevallig trof ze er een bekende die vertelde dat haar oudere zus nog leefde. Die had ondergedoken gezeten. Haar overige familieleden kwamen allemaal om in Auschwitz. 'Maar ik heb er daar nooit een gezien.'


Ze stond op het station en wilde naar Amsterdam-Oost. 'Niemand die me een lift wilde geven. Toen wist ik: ze zien ons niet graag terugkomen.' Ze priemt met haar vinger.'Sindsdien weet ik m'n hele leven dat ik belazerd word.' Door wie? 'Door de Nederlandse regering, natuurlijk. Dat blijf ik zeggen, de Nederlandse regering heeft niks voor ons gedaan. Helemaal niks. In de oorlog niet en na de oorlog niet.'


Nederlandse joden die tijdens WO II in een van de drie joodse wijken in Amsterdam woonden, kunnen aanspraak maken op een zogenoemde getto-uitkering van de Duitse overheid. Het betreft de oude joodse buurt in het centrum, de Rivierenbuurt en de Transvaalbuurt in Amsterdam-Oost. Inwoners van andere Europese getto's kregen deze eenmalige uitkering van 2000 euro in 2004. In dat jaar stortten een aantal grote Duitse bedrijven en de Zwitserse banken, geld in de van overheidswege opgerichte Stiftung Erinnerung, Verantwortung und Zukunft. Het geld is bedoeld voor mensen die in de getto's hebben gewerkt. Eerder vond Duitsland de Amsterdamse jodenbuurten niet afgesloten genoeg om gerekend te worden tot de getto's. Het Nederlandse Verbond Belangenbehartiging Vervolgingsslachtoffers gaf het Duitse ministerie van Financiën documenten van het NIOD die bewijzen dat er wel degelijk sprake was van afgesloten getto's waar mensen onder dwang naartoe werden verhuisd. Het ministerie vond het bewijs overtuigend.


'Getto-uitkering' bestaat sinds 2004

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.