'Al het bevoorrechte heeft een bittere nasmaak'

Ralph Prins: 'Als ik het heb over mijn kampervaringen, is dat haast een belediging naar overlevenden van Auschwitz.'..

Ralph Prins (1926) kwam op 7 februari 1945 aan de Duits-Zwitserse grens bij Kreutzlingen in vrij gebied.

'Er was in Westerbork verf. Ik bedoel niet kunstverf, gewoon verf, en het was voor mij heel makkelijk om aan bussen verf te komen en een kwast. De mensen die op transport moesten, vonden het prettig om op hun rugzakken en tassen hun naam te hebben. Ik heb dus namen zitten schilderen, daar heb ik veel mensen een plezier mee gedaan.

Ik was in Westerbork ordonnans van de strafbarak, maar geen gestrafte. Ik liep dus niet in een overall met een rode band op mijn achterkraag. Ik was gewoon in Westerbork, en het was mijn werk om berichten en documenten heen en weer te brengen van de strafbarak naar andere delen van het kamp. Ik had vaak mijn laarzen vol briefjes van mensen; dat was mijn manier om iets te kunnen doen. Ik hoefde niet binnen te blijven, ik had een pas dat ik altijd uit de barak mocht. Ook na tienen en ook als er een trein stond in het kamp en bijna niemand buiten mocht komen.

Ik heb die treinen in zien laden en af zien sluiten. Niemand mocht dan verder naar buiten, die trein stond te wachten, en dan hoor je die geluiden in de stilte van het kamp. Dan zie je ook de kampcommandant met wat hoge piefen in smetteloze uniformen en dan vaak die pet net een beetje schuin, voor de stoerheid. De bewegingen die ze maakten met handschoenen tegen de zijkant van hun been en zo een manier van met die handschoenen slaan in een andere hand. En die honden die aan die lijnen trokken. Dat herinner ik me heel intens, en als dan zo'n trein weggaat. De diepste herinnering die ik heb aan Westerbork is het kindertransport, als dan die trein vol zit en fluit en weggaat met al die huilende kinderen. . .

Het leven in Westerbork bestaat bij de gratie: sta ik bij het aanstaande transport naar het Oosten wel of niet op de lijst? Als je weet: aanstaande dinsdag ga ik niet mee, dan is het leven heel dicht bij wat je onder het woord normaal pakt. Ik herinner me ook de oneindige, prachtige nuances van de kleur van de hei en de weidsheid van de lucht daarboven. Ik herinner me dat ik vaak liep langs het prikkeldraad, zo dicht als mocht, en dat ik dan die wachttorentjes zag met mensen met een machinegeweer en dat ik dan dacht: eigenlijk ben ik niet gevangen, maar die mensen zijn gevangen. Hoe vreemd het ook mag klinken, daar ging mijn gevoel naar uit, naar die mensen.

Je hoeft maar te zien hoe een SS'er loopt en gekleed is, dan zie je een kapot gemaakt iemand. Een van de ontelbare Witzen uit de oorlog heeft dat heel precies verwoord: een SS'er die een boosaardige hond aan de lijn heeft, dreigt die hond bij de joden die op appèl voor hem staan, los te laten op iemand. En dan zegt hij: je kan je leven redden door mij te vertellen welk mijn kunstoog is. Toen ging er een hand omhoog van een van die gevangenen en die zei: dat is toch gemakkelijk, uw linkeroog is uw kunstoog. Die man, stomverbaasd, zegt: dat is zo, maar hoe zie je dat zo gauw? Zegt hij: het kijkt zo menselijk.

Maar je moet er niet aan denken wat er gebeurt met de mensen die weten dat ze dinsdag op transport moeten. Westerbork was geen Durchgangslager, zoals wel eens gezegd is, nee, dat was al een soort vernietigingskamp, daar werd de menselijke waardigheid vernietigd. Met deze angsten geconfronteerd werden mensen al gebroken, en ik heb dat proces van dichtbij aanschouwd. Bijvoorbeeld, je zit in de beestenwagen naar Theresienstadt, en dan staat er een soort lege bierton met een ijzeren duig, heet dat, geloof ik, bovenaan met een dekseltje erop, en dat is dan voor je behoefte te doen.

Dan gaat die trein rijden, en dat is niet een kwestie van een paar uur, dat rijdt en rijdt, en dan opeens hoor je een oudere dame zeggen met een grote angst in haar stem: ''Ik moet zo nodig.'' Nou, dan zeggen mensen: dat doe je dan toch en dan moet ze op dat ding, wat op zich, zeg maar rustig, een soort martelwerktuig is, vanwege dat het boven zo hard en scherp is. Dan gaat ze haar behoefte doen en dat gaat, om het voorzichtig te zeggen, niet geluidloos. Ik zat boven op de bagage, dicht bij het luchtgat, want ik ben een kijkdier en daar klom ik al onmiddellijk naar toe. Ik zie die mevrouw en als ze van de wc af komt, als ik het zo mag noemen, is het een gebroken mens. Ja, echt, helemaal gebroken, en dat komt nooit weer goed.

Dat was een mevrouw die ik goed heb gekend, iemand uit een zeer intellectueel gezin; alles, wat men dan zo zegt, well to do; buitengewoon verfijnde mensen. Ze hoorde, net als ik, bij de Barneveld-groep. Dat waren mensen die voor de Nederlandse samenleving, cultuur, wetenschap et cetera, belangrijk werden geacht. Die werden op vrijwillige basis geïnterneerd in Barneveld, in de hoop daar veilig te zijn.

Dat ik daar terecht kwam had ik te danken aan mijn moeder. Die was directrice van een tehuis voor moeilijk opvoedbare joodse meisjes, die met de kinderrechter in aanraking waren gekomen. Het bijzondere van dat tehuis was dat het geen gesloten tehuis was, je was vrij om er uit en in te gaan. De manier waarop mijn moeder dat heeft georganiseerd en geleid, heeft de aandacht getrokken, niet alleen in het binnenland, maar ook in het buitenland. Zo is zij op die Barneveld-lijst gekomen, met haar moeder en mij.

Op een dag ging alles uit Barneveld toch richting Westerbork, maar daar heeft die groep het ook lang uitgehouden. Ik geloof dat we een van de laatste transporten waren naar Theresienstadt.

Wat ik het moeilijke vind van ons gesprek - het woord stuitend komt me in de gedachten - is om persoonlijke herinneringen bij u op tafel te leggen waar u dan een stuk over gaat schrijven. Dat vind ik erg vervelend, en ik zou al geholpen zijn als u het een beetje begreep.

Die duizenden joden die weg zijn en geen verhaal meer te vertellen hebben - oké, u vindt nog een handvol mensen die het hebben meegemaakt, en een generatie verder zijn die er niet meer - die herinneringen van mij vallen zo in het niet bij de diepe angsten en ervaringen die de mensen hebben moeten doormaken die vergast zijn, bijvoorbeeld, die het niet gehaald hebben, die vallen zo in het niet ook bij het verdriet van de vele mensen die hen weer herdenken. Dan vind ik het zo gênant, en ik weet dat zo, omdat ik mezelf, als ik artikelen lees van collega's van u. . . Dan vind ik het zo gênant om te lezen van: ik heb toen dit en ikke dat.

Het is moeilijk voor mij, merk ik nu, om uit te leggen waarom ik dat gênant vind, want die mensen vertellen gewoon hun herinneringen, is het niet? Het gaat over persoonlijke herinneringen die je meet tegenover mensen die er niet meer zijn en mensen die anderen herdenken. Als je weet wat er gebeurd is in Auschwitz en in Mauthausen en in psychologische onderzoekskampen en alles wat Mengele deed, begrijpt u, als je dat daarmee vergelijkt, dan zeg je: kom nou, wat was er zo erg in Theresienstadt? Dat zijn toch geen kampervaringen?

Theresienstadt was een vestingstadje, en onze groep was in de Hamburg-kazerne. Dan lig je daar op met stro gevulde matrassen en dan gaat het leven daar weer door, op de binnenplaats werd gevoetbald. In Theresienstadt zaten de Hofjuden, bijvoorbeeld joden die in de Eerste Wereldoorlog in het Duitse leger hadden gezeten en hoge medailles hebben gekregen. Dat was een Sperre. Later hoorden we dat woord platzen, uit elkaar springen, nou, dan is de Sperre van die mensen, die een hoge onderscheiding hadden van het Duitse leger, geplatzt. Die gingen dan naar Auschwitz, want ook vanuit Theresienstadt zijn transporten vertrokken.

Ook daar was, zoals overal waar de Duitsers waren, de veiligheid op korte termijn essentieel. De Barneveld-groep had een Sperre waardoor we niet op de trein naar Auschwitz gingen, daar komt het gewoon op neer, en dat was een Sperre die dusdanig krachtig bleek, tot het einde toe, dat het je rationele denken te boven gaat.

In Theresienstadt heeft zich de boodschap verspreid dat er een kans bestaat om je op te geven voor een transport naar Zwitserland, en dat je ontvangen wordt, persoonlijk, door de kampcommandant: die zal je vragen waarom je daar naar toe wil. Dat is gebeurd. Ik was toen zeventien of achttien jaar en ik zei tegen hem: als er geen oorlog was geweest, dan was ik nu druk aan het studeren voor het vak toegepaste kunst en de beste school in de wereld is de Kunstgewerbeschule in Zürich, daar zou ik graag naar toe willen. Hij moest hartelijk lachen en zei: zo'n antwoord krijg ik vast van niemand, je kan gaan en je kan je moeder en haar moeder ook meenemen. Daardoor zat ik in dat transport naar Zwitserland, waar opvallend veel Barnevelders bij zaten, hoe bitter het ook is om dat te moeten zeggen, want alles wat bevoorrecht was in die tijd heeft ook een bittere nasmaak.

De jodensterren moesten van de kleding af, de vrouwen kregen lippenstift en rouge om er goed uit te zien. Een ongelooflijke grote hoeveelheid levensmiddelen ging mee, zodat in Zwitserland de mensen zouden denken: dat zal wel meevallen met die honger. Ik herinner me dat we vlak bij de grens de lichtjes zagen van Zwitserland, ja, dat was heel leuk, en dan gaat die trein door en dan stopt hij in Sankt Gallen. Dan ga je eruit, en dan is daar natuurlijk de pers en al die broden worden opgestapeld en zakken suiker en noem maar op.

Ik herinner me dat er mensen waren met schalen met taartjes, net of je een geïllustreerd kinderboek ziet. Je zit in een euforie, en ik ben toen naar die school gegaan in Zürich.

Daar was ik nog maar koud, of er kwam een internationale groep kunstenaars op inspectie en de Oostenrijkse beeldhouwer Fritz Wotruba is, toen hij mij bezig zag, met me gaan praten en die heeft een brief geschreven naar de Nederlandse ambassade in Bern, dat ze op de school iemand hadden die speciaal begeleid verdiende te worden. Dat is ook gebeurd.

Zodra we konden gingen we naar Nederland terug, met die hele Barneveld-groep. Een van de eerste dingen die ik deed was naar mijn oude huis gaan in Amsterdam. Ik belde er aan omdat ik mijn oude kamertje wou zien, daar had ik echt reuze behoefte aan en in dat huis woonde toen, ja, niet te geloven, de dochter van een van de beste vrienden van mijn moeder. Toen ik boven kwam en zei dat ik mijn kamertje van vroeger graag wilde zien, zei ze: Ralph, dat kamertje is van jou en je bent hier welkom.

Ik ben daar in huis gekomen, eigenlijk van de eerste dag af aan. En dan komt de ene grote emotie na de andere binnen. Je komt met je hele binnenwereld van een jongen die weet: de beeldende kunst, de zichtbare wereld, dat is mijn wereld, en je ziet een affiche van Dick Elffers - Weerbare Democratie - nou, dat vond ik zo heerlijk om te zien, want dat is een ja-zeggen naar dat intuïtieve gevoel van binnen: dat is mijn vak.

Maar het is dus duidelijk, dat herhaal ik nog een keer, dat als ik het heb over mijn kampervaringen, dat dat haast een belediging is naar mensen die overlevenden zijn van Auschwitz of soortgelijke kampen. Dan zeg je: maar dat mag je dan toch van jou geen echte kampervaringen noemen.

Ik denk dat iedereen die een facet van deze oorlog, inclusief de holocaust, heeft meegemaakt, gewond is van binnen. Iedereen. En dat met die wond omgaan maar heel weinigen kunnen. Het is heel goed dat er professionele hulp is en het is natuurlijk helemaal te gek dat er een vak bestaat als beeldend kunstenaar, dat je deze dingen vertalen kan in werkstukken.

Toen ik de opdracht kreeg voor het monument van Westerbork wist ik dat het kenmerk van Westerbork is: de angst voor het volgende transport. Een van mijn andere opdrachtgevers heeft een buitengewoon moeilijk jaar doorgemaakt met geweld, dood, alles - en die wilde een nieuwjaarskaart waardoor de familie- en vriendenkring dat kon meevoelen.

Ik heb een illustratie gemaakt bij de psalm van David 139: 5-6. Voor mij is dat ook een monument, want ik denk dat veel mensen komen met herinneringen, stukjes uit een puzzel die ze wanhopig proberen hun plaats te geven en wat er natuurlijk overal onder zit is:

Gij omgeeft mij van achteren en van voren

en Gij legt uw hand op mij.

Het begrijpen is mij te wonderbaar,

te verheven, ik kan er niet bij.'

Volgende week: 'Als ik in een garage kom, ruik ik weer die bevrijdingslucht: olie, benzine, het metaal van zo'n tank, en stinkende soldaten.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.