Zwervers in Mongolië betalen prijs voor vrijheid

Naam: Gankhuyag. Leeftijd: 14 jaar. Nationaliteit: Mongoliër. Beroep: bedelaar. Hoopt: 'Dat ik chauffeur word en een eigen huis kan krijgen en gelukkig kan worden.'..

'IK HEB BIJNA altijd honger', zegt Gankhuyag. De oogst van die middag was niet overdadig geweest: een paar hompen brood, appels en snoepjes, en die hadden ze zoals altijd onder elkaar verdeeld. 'We vragen eten aan de bezoekers van het ziekenhuis. 's Ochtends en 's middags lukt het meestal wel, maar 's avonds niet. En we moeten altijd zorgen dat de politie ons niet te pakken krijgt, anders worden we geslagen en moeten we de gangen van het ziekenhuis dweilen.'

Gankhuyag is veertien. Hij ziet eruit als acht. Sinds zes jaar verdient hij in Ulaan Baatar de kost als bedelaartje. Een huis heeft hij niet, maar wel een groep waarin hij zich geborgen voelt: zijn makkers, jongens en meisjes die er net als hij geen flauw benul van hebben dat ze de keerzijde symboliseren van de democratisering van Mongolië.

Dit spaarzaam bevolkte land is zeventig jaar lang een Sovjet-satelliet is geweest. Tien jaar geleden werd de democratie ingevoerd. Waarschijnlijk is Mongolië nu de meest vrije natie van alle ex-communistische landen van Azië. Maar voor de vrijheid van sommigen hebben anderen zwaar moeten boeten.

In het wilde weg begon men te privatiseren. Rusland, Mongoliës belangrijkste financierder, investeerder en afnemer, sloot zijn bedrijven en zette invoer en subsidies stop. Mislukte privatiseringen leidden tot nog meer bedrijfssluitingen. De sociale ravage bleef niet uit: werkloosheid, alcoholisme, criminaliteit, gebroken gezinnen.

Plotseling kwamen er in Mongolië ongekende problemen. Arme sloebers zonder werk, ongehuwde moeders, zwervers, straatkinderen: vroeger waren het enkelingen die door de staat werden opgevangen, tegenwoordig zijn het grote groepen die in het beste geval bijstand krijgen van binnen- of buitenlandse hulporganisaties.

Gankhuyag - familienamen bestaan in Mongolië niet - komt uit het district Baganuur in de buurt van Ulaan Baatar. Hij heeft er zijn ouders en drie jongere broertjes wonen, maar hij wil niet meer terug. Veel liefde heeft hij immers niet gekregen: 'Mijn vader sloeg me altijd met een stok. Gelukkig was hij vaak op reis omdat hij in de handel zit. Ook mijn moeder gaf me dikwijls slaag.'

Hij herinnert zich de twee jaar dat hij op school heeft gezeten. 'Het ging echt goed op school', vertelt hij met een triest stemmetje, 'maar op een dag werd mijn moeder erg kwaad op me en daardoor kon ik mijn huiswerk niet maken. Ik kreeg toen een heel slecht cijfer, en toen werd mijn moeder nog bozer. Ze zei: ik betaal me blauw voor je, en jij komt met slechte cijfers thuis. Je gaat maar van school af, jij. En toen begon ze me opnieuw te slaan.'

Op dat moment zat Gankhuyags vader in China. 'Ik heb niet gewacht tot hij terugkwam. Ik ben weggelopen en naar Ulaan Baatar gegaan.' Hij was niet de enige die op die gedachte was gekomen. Nog altijd doet de Mongolische hoofdstad aan als een Russisch provinciestadje, maar ze is snel gegroeid. Naast de 770 duizend officiële inwoners huizen er tienduizenden nieuwkomers. Eenderde deel van alle Mongoliërs woont in Ulaan Baatar.

Gankhuyag sloot zich aan bij een stel lotgenootjes. 'We zijn met zijn twintigen, maar er zijn er zeven zoek. We proberen ze te vinden, want hoe meer, hoe sterker.' De oudste is een meisje van negentien, de jongsten zijn even oud als Gankhuyag. 'Nee, een leider hebben we niet, want we zijn allemaal gelijk en we delen alles.'

Plaats van samenkomst is een braak terreintje tussen het ziekenhuis en het gebouw van het Rode Kruis. Er zitten tien verfomfaaide kinderen samenzweerderig te smoezen. Een klein meisje rookt een sigaret. Een ouder meisje laat even tot algemene vreugde haar borst zien. Een van de jongens trekt haar mee en probeert haar te zoenen. Ze weert hem maar half af.

Gankhuyag zweert dat hij nooit steelt. 'We halen flessen op, maar dat betaalt maar weinig. Van aardige chauffeurs mogen we soms geld ophalen in de bus, dan kan je op één dag wel vijf gulden verdienen.' Ze slapen in een leegstaand gebouw. 'Vroeger gingen we naar een slaaphuis, daar was een vriendelijke directeur. Die is er niet meer want ze zeiden dat hij ons sloeg, maar dat was niet waar.'

Alleen in de winter, als het in de koudste hoofdstad van de wereld veertig graden kan vriezen, zoeken ze het slaaphuis op. Andere straatkinderen leven 's winters en vaak ook 's zomers onder de straat: in de infame holen die toegang geven tot de riolering en de stadsverwarmingsbuizen. Vandaar al die open putdeksels op straat.

Gankhuyag verwacht veel van de toekomst: 'Ik kan allerlei karweitjes gaan doen en dan krijg ik misschien werk als chauffeur. Ik hoop dat ik dan een eigen huis kan krijgen en gelukkig kan worden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden