Regisseur Frans Weisz over zijn zoon, acteur Géza Weisz: ‘Ik ben zijn vader, maar hij is meer míjn vader aan het worden.'

generatiegesprekFrans Weisz en zijn zoon Géza

Zoon is bezorgd, vader denkt: ik bén niet oud

Regisseur Frans Weisz over zijn zoon, acteur Géza Weisz: ‘Ik ben zijn vader, maar hij is meer míjn vader aan het worden.'Beeld Ivo van der Bent

Als de covidcrisis ergens over gaat, is het de solidariteit tussen generaties. De Volkskrant laat deze zomer ouders en kinderen aan het woord over gezondheid, vrijheid en beperking, afstand en nabijheid. Deze week: regisseur Frans Weisz en zijn zoon Géza Weisz, acteur.

Wie van jullie twee…

‘Is het oudst?’, onderbreekt Frans (82).

‘Is de vader?’ oppert Géza (33). ‘Dát is de hamvraag, denk ik.’

Vader en zoon Weisz, twee paar oplichtende ogen.

Wie van jullie twee nam het virus als eerste serieus?

‘O, dat ‘als eerste’ kun je weglaten’, zegt Géza. ‘De vraag is: wie van jullie nam het serieus?’

Frans knikt. ‘Ik ben zijn vader, maar hij is meer míjn vader aan het worden. Meer dan ik ooit had gedacht. Géza sprak me er voortdurend op aan: dit niet doen, dat niet, véél te dichtbij, niet aanraken. Ik moet me er nog steeds toe dwingen om iemand niet gewoon meteen een hand te geven.’

Géza: ‘Frans is gek op Italië. Hij studeerde er ooit. (Aan het Centro Sperimentale di Cinematografia, de in 1935 opgerichte filmschool te Rome, red.) En toen hier op het terras een Italiaanse familie zat, vorige week, vond hij het toch wel netjes die mensen ook de hand te schudden. Ik wil je niet verraden pap, maar dat verbijsterde mij wel een beetje.’

Frans: ‘Ik heb ze toch niet aangeraakt? Ik práátte met ze.’

Géza: ‘Maar ook jij zag op het journaal de beelden van Italiaanse artsen die huilend riepen: we kunnen het niet aan, we moeten keuzen maken, eerste de jongere mensen helpen. Wat dacht je dan?’

Frans: ‘Je denkt: ach, dat zal mij toch niet treffen?’

De regisseur en de acteur zitten op de dag van het interview, 1 juli, op het terras van café Toussaint, in Amsterdam. Vandaag heropent het land: RIVM, premier Rutte en minister De Jonge laten de teugels wat vieren, zodat de zomer toch enigszins normaal kan worden beleefd. Pal naast het terras ligt Gertrude, het nieuwe restaurant van Géza – in de eerste week van maart geopend, om prompt weer te sluiten vanwege de quarantaine. Frans kwam zojuist aangefietst. Vrolijk, maar wel met tranen in de ogen; hij had de Keti Koti-ceremonie zitten kijken, voor de televisie. ‘Zó mooi. Maar ik huil snel. Ik weet niet wat dat is.’

Waarover hij ook alweer zou gaan praten met de Volkskrant en Géza was hem even ontschoten, dacht  Frans terwijl hij van zijn fiets stapte. ‘Misschien over eten, dacht ik.’

Het geheugen van de filmmaker is solide, maar legt af en toe een hindernis. Namen bijvoorbeeld, die ontglippen hem. ‘Ik ben tien jaar geleden aangereden door een taxi, daarna begon het. Iedereen zegt: schrijf dan gewoon een keer een naam op. Maar dat wil ik niet. Dán heb je wat, dan ga je wankelen. Ondertussen zou ik er geld voor over hebben om al die namen weer terug te krijgen. Nu zijn ze na een minuut verdwenen. Paf, weg.’

Twee weken eerder, over de telefoon, vergeleek Frans de vandaag officieus gepasseerde quarantaineperiode terloops met de oorlogstijd.

Géza: ‘Ik heb je dat ook wel horen zeggen, pap.’

Was dat scherts, Frans?

Frans: ‘Nee, scherts was het niet. Wel dat ik me realiseerde: hè, we zitten weer de hele tijd binnen.’

Géza: ‘Ik riep het ook wel, soms: dit is een soort oorlog. Pap, jij bent de enige aan tafel die de oorlog heeft meegemaakt. Kun je het vergelijken?’

Frans: ‘Nee, vergeleken bij oorlog is dit nog gewoon een feestje. Al realiseer ik me dat ik daarmee de mensen tekort doe die aan corona zijn overleden, of hun familieleden. Maar er was de afgelopen maanden altijd te eten, mensen maakten grapjes, ze werden niet opgepakt. Ook kon je van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat van alles zien. Zelf heb ik heel veel films uit de jaren zestig en zeventig gekeken. Nou, dan word je toch behoorlijk verwend.’

Vooralsnog raakte niemand in hun nabije omgeving besmet met corona. Frans klopt het af, op het ronde terrastafeltje.

Géza: ‘Je hoort van sommige oudere mensen ook wel: je gaat toch een keer, ik wil mijn laatste jaren niet afgezonderd leven. Maar ik wéét dat mijn vader 120 wil worden. Ik erger hem, door er steeds op te wijzen – ik ben de overbezorgde vader én moeder. Maar ik hou zoveel van hem dat ik niet denk: nou ja, laat maar gaan. De dood van mijn ouders, dat is iets waar ik van jongs af aan al structureel bang voor ben. Omdat ik enig kind ben. Of misschien ook omdat ik de leukste ouders op aarde heb. Ik heb een vriendin van ze zelfs uitgescholden, omdat zij wel bij ze over de vloer kwam, terwijl ik dat zelf zes weken lang niet deed.’

Frans: ‘Ik stond in maart op het punt om naar Wenen te gaan, op locatiebezoek voor Siegfried, een film die ik – God gegeven – nog steeds ga maken. We hadden de tickets al. Géza belde me op: je gaat niet hoor, wil ik absoluut niet, mag niet. Wat een onzin, zei ik. We gaan gewoon! Ik heb wel mijn producent gebeld: ik mag niet van mijn zoon.’

De reis werd geannuleerd door de producent, Gijs van de Westelaken van Column Film, die ook wel inzag dat het te link werd.

Frans: ‘Zelf heb ik geen moment angst gevoeld.’

Géza: ‘Vind je dat niet vreemd? Je bent wel bang voor de dood.’

Frans, declamerend: ‘Als de dood, ben ik voor de dood, wat heet!’

Begrafenissen kan Frans al enige tijd niet meer aan. ‘Ik begin dan zo te huilen dat ik bang ben dat het niet meer stopt. Het ging ook elke keer weer fout.’

Géza: ‘Die aanrijding met een taxi was ook onderweg naar een begrafenis. En daarna, meteen na een andere begrafenis, ging het niet goed en moest hij direct door naar het ziekenhuis, werd hij gedotterd. Toen zei mijn moeder: volgens mij moeten we dit niet meer doen.

‘Dat uitgerekend Frans het virus, meer dan wie ook in mijn omgeving, helemaal niet serieus nam, heeft me lange tijd verbaasd. Vond ik ook wel frustrerend. Dan dacht ik: wij zitten nu allemaal binnen, om juist mijn ouders te beschermen. Nu denk ik het wel te begrijpen: Frans rekent zichzelf gewoon niet tot de risicogroep, waar hij – lullig gezegd – gezien zijn leeftijd toch wel bij hoort. Hij denkt: ja maar ik ben niet oud. Is ook zo, in zekere zin. Hij is nog superkwiek.’

Frans: ‘Als ik nu word gebeld en ze zeggen: Frans je film gaat niet door, we moeten stoppen, dán zie je mij bijna doodgaan.’

Géza: ‘Je bent banger voor niet filmen dan voor corona?’

Frans: ‘O zeker, ja. Omdat voor mij… leven is werken en werken is leven. Ik hoop dat ik op een dag op de set ‘actie’ roep en nooit zal weten hoe het eindigt.’

Beeld Ivo van der Bent

De regisseur die in 1966 debuteerde met de heerlijk dwarrelende, deels in Rome gefilmde nouvelle vague Remco Campert-verfilming Het gangstermeisje, met Kitty Courbois als dat gangstermeisje, wil nog minstens drie films maken. Een over Hitler, de al in productiefase verkerende verfilming van Harry Mulisch laatste roman Siegfried, uit 2001. Een over de onderduik van zijn in Auschwitz vermoorde vader, de in 1933 naar Nederland gevluchte Duitse en joodse acteur Géza Weisz, naar wie zoon Géza is vernoemd. En een die zich in het hiernamaals afspeelt. Voor de laatste film is Frans bereid een compromis te sluiten met de eventuele schepper: die mag gerealiseerd worden ná de dood, liefst als z’n streefleeftijd (120 dus) is behaald. ‘Dat ik in het hiernamaals nog één keer mag werken met iedereen die er niet meer is. Met Kitty, met Rijk… God geve dat het nog heel lang duurt, maar zoals andere mensen naar een vakantieoord willen, wil ík daar naartoe. Einde.’

Hij zegt het met een dromerige lach, maar toch zeker halfernstig. ‘Ik heb het geluk gehad dat ik ook nog katholiek ben opgevoed, tijdens de onderduik. Wat dat betreft, heb ik een voordeel op Géza.’

Als jongetje overleefde Frans de oorlog in een Limburgs boerengezin, gescheiden van zijn eveneens ondergedoken en later verraden ouders.

Géza: ‘Ik ben niet gelovig opgevoed, maar wel bijgelovig. Afkloppen, kaarsjes branden in kerken, ik kom graag in kerken. Maar ik geloof niet in een God of een hiernamaals. Ik wéét dat ik je hiermee een flinke klap in je gezicht geef.’

Frans: ‘Nou ja, het zal toch niet stoppen?’

Maken jullie je zorgen om de toekomst van jullie vak, het regisseren en acteren?

Frans: ‘Ik weet het echt niet, hoe dat straks gaat. Wel ben ik altijd bang dat iets niet doorgaat, maar dat is mijn hele leven al.’

Géza: ‘Film is een groot slachtoffer van deze crisis. En theater een nóg groter. Voor die kunstvorm kun je niet zonder een zaal met publiek. We zitten nu nog in de afwachtende fase, merk ik ook aan de acteurs en regisseurs met wie ik omga. Er zijn nu nog uitkeringen, het filmen is weer een beetje begonnen. Velen denken ook: de beuk komt nog. Er is wel vertrouwen in de politiek. Ik heb mijn omgeving, die toch vrij links is, nog nooit zo mild gehoord over de regering. Pro-Rutte, bijna.’

Regisseren zonder acteurs aan te raken. Kan dat eigenlijk?

Frans: ‘Ik durf er niet eens aan te denken.’

Géza: ‘Wij zijn sowieso heel aanrakerig. Elkaar niet even vastpakken, dat is gek.’

Géza, jij hebt nu opnamen voor De zonen van All Stars, is dat te doen?

‘Ja hoor. Bij aankomst wordt mijn temperatuur gemeten, met zo’n infrarood-meter. Tot nu toe heb ik steeds 36,2. Koelbloedig. Ik heb een gastrol, de vaste crew is getest. Ik was als kind al een groot All Stars-fan. Écht groot. Voetbal en film, mijn twee grote liefdes kwamen erin samen. De enige film die ik helemaal van begin tot eind kon meespreken was All Stars, vast tot irritatie van mijn vader.’

Frans grinnikt.

‘Ik speel Igor’, vervolgt Géza. ‘Een zeer driftig voetballertje. Toen casting director Job Castelijn me belde voor deze rol en het karakter omschreef, zei ik: we hadden toch niet gedacht dat na Wiplala een personage me nóg meer op het lijf geschreven zou zijn? (Géza speelde het miniatuur mannetje in de verfilming van Annie M. G. Schmidts jeugdboek, red.) Ik ben best heftig, als het op voetbal aankomt. Frans ook trouwens. Wij komen niet als heel agressieve mannen over, maar er zit een soort diepgewortelde drift in ons, die eigenlijk alleen bij voetbal en soms in het verkeer naar boven komt.’

Moeder Regina fietst langs het terras, wuift even en wijst dan naar restaurant Gertrude. ‘Het zit al helemaal vol!’, roept ze, met een mengeling van trots en teleurstelling. ‘Dus wij gaan straks ergens anders eten, Frans.’

Géza: ‘Nu zou ik natuurlijk, net als in die ene geweldige scène in Goodfellas, waarin ze voor de maffia zo’n extra tafeltje erbij zetten, mijn ouders op de allermooiste plek in het restaurant moeten plaatsen. Maar dat kan niet, met corona.’

De sober-chic ingerichte zaak met wisselende kaart (seizoensgroenten, verantwoorde vis) draait weer, na een periode van zorg. Geertruida, Géza’s oma van moederszijde, ziet erop toe vanachter het glas van een fotolijst op een van de muren.

Restauranthouder, zo zag de acteur (en dj en feestorganisator) zich half april ineens aangekondigd in het televisieprogramma Jinek, aan tafel met medegast en Koninklijke Horecabond-voorzitter Robèr Willemsen om de virusnood in de sector te duiden. Hij was er dus in gestapt, die horeca, om naast het acteursbestaan ‘wat zekerheid’ in te bouwen, sprak Géza, met de olijke blik en timing van een acteur die wéét hoe je de lach oogst. Eerst een zaakje in de Pijp, het eierenlunch- & brunchtentje Oeuf. Daarna nog eentje, in het centrum. En toen restaurant Gertrude, met een compagnon. Nu zat hij plots in de rats: de horecasteun van de overheid bleek niet van toepassing op twee van de drie zaken, die daarvoor nog te kort open waren. Maar Géza had wel huurkosten en personeel, dat uit eigen zak werd doorbetaald. Meer als geste dan bedrijfsplan zijn hij en z’n Oeuf-medewerkers toen maar T-shirts en truien met eieren erop gaan ontwerpen en verkopen. Dat liep wonderwel goed, geholpen door de media-aandacht: er werden rap zevenhonderd stuks verkocht. Ook de beide Oeufs zijn inmiddels weer open.

Géza, nu: ‘Ik heb totaal onderschat hoe heftig het is, eigenaar zijn van drie restaurants. Die gulzigheid, daarmee heb ik mezelf wel stress bezorgd. Maar dat de deuren dicht moesten kon ik wel relativeren: het is een pandemie, alles viel stil, iedereen zit ermee. Als ik slecht speel in een film, en er gaat niemand naar die film, ja dan lig ik trillend in bed, volkomen in paniek. Maar hier kon ik niks aan doen. De deuren sluiten kostte veel geld, dat wel. Maar sinds we weer opengaan loopt het op zich goed, dus ik wil niet zeuren. De zorg is vooral: wat als we over twee maanden wéér dicht moeten? Kunnen we dat overleven? Het is ook wel gek: Oeuf in het centrum heeft het nu moeilijker, dan hoop je als ondernemer ergens toch op die rolkoffers, dat de stad straks weer vol zit met Chinezen en Amerikanen. Maar als Amsterdammer vind ik ook wel nodig dat die stroom een halt werd toegeroepen. Het werd veel te extreem in de stad. Het maakte ook niet uit wat je opende: iedere pannekoekenzaak zat vol. Dat gaat veranderen, verwacht ik. Met middelmaat red je het niet meer.’

Géza draait zelf mee in de bediening, twee avonden per week. Ook werken er meerdere acteurs in zijn restaurants. ‘Jij lijkt zó op een bekende Nederlander, zeiden twee vrouwen van de week, die zaten te eten, ‘maar we komen niet op z’n naam’. Ik zei: misschien Arie Boomsma? Even later lieten ze me fotootjes op hun telefoon zien: kijk die is het, je lijkt echt op hem! Ik kon het niet zijn, besloten ze hardop: anders was die Géza wel heel erg afgegleden. Alsof bedienen iets minderwaardigs zou zijn! Zo zie ik dat helemaal niet.’

Hij had helemaal geen horeca-ervaring. ‘Maar ik zat als kind wel al op schoot bij een regisseur. Wat Frans altijd zei: ik kan niks, behalve uit anderen het beste naar boven halen. Dát wil ik ook doen. Zelf kan ik nog geen water koken, bij wijze van spreken. Maar ik weet wel wat goed en lekker is.’

‘Ik zou hem met alles willen zegenen’, zegt Frans, die op tafel klopt. ‘Dat het leven zo door mag gaan. Nee, echt waar. Het is rijkdom, dat je zoveel verschillende… eh ja, hoe moet je dat zeggen?’

‘Paarden bedoel je’, zegt Géza. ‘Op paarden wedden. Nee, te ordinair. Maar heb je daar soms niet ook een beetje moeite mee? Wat als je vlak na mijn geboorte te horen had gekregen: ja, je zoon wordt restauranthouder?’

Frans giechelt. ‘Toen hij één Oeuf begon, dacht ik: oké leuk. Bij de tweede Oeuf, dacht ik: waar gaan we nou naartoe? Toen kwam dit restaurant er ook nog bij. Nu gaat hij te ver, dacht ik. Dit wordt helemaal niks. Dat heb ik bij films ook, dan klopt mijn negativisme als eerste op de deur. Toen liet Géza ook nog een duur porseleinen lampenkapje vallen, vlak voor de opening. Hij was even ontroostbaar.’

Beeld Ivo van der Bent

Heb jij je zorgen gemaakt om Géza?

‘Dat is bijna een te intieme vraag… Géza heeft de plaats van mijn vader ingenomen, de vader die ik eigenlijk nooit gekend heb, op mijn vierde voor het laatst gezien. Het gekke is, ik was als de dood om ooit een kind te krijgen. Wie gaat me in godsnaam zeggen dat ik voor de rest van mijn leven van dit kind moet houden? Dat dacht ik toen ik naar het ziekenhuis fietste, waar hij op Tweede Kerstdag werd geboren. Ik kwam die kamer binnen, hij lag naast z’n moeder, hij keek naar me en nou ja… het was al gebeurd. Ik zal nooit kunnen denken: zoek het maar uit verder. Ik heb zelf geen normale opvoeding meegemaakt, dat zal die angst verklaren: na de oorlog ging ik naar een jongenstehuis. Maar ik was niet zielig, integendeel.’

Géza: ‘Het is ook beladen, dat je de naam krijgt van een man die de oorlog niet heeft overleefd, en ook acteur was. Ik worstelde daar wel een poos mee. Toen Frans dat zo eens tegen me zei, je hebt mij mijn vader teruggegeven, sprongen de tranen in mijn ogen. Maar pap, die verantwoordelijkheid wil ik niet. Ik ben je zóón. Ik kan die rol van je vader niet invullen. Ik heb me lang verantwoordelijk gevoeld voor het geluk van mijn ouders. Daar is ook wel wat therapie overheen gegaan, moet ik bekennen.’

‘Niet van zijn moeder hoor’, grapt Frans. Echtgenote Regina is psychoanalytica, onder meer gespecialiseerd in tweedegeneratie-oorlogsproblematiek.

Frans had geen herinnering aan het uiterlijk van zijn vader, tot hij op een avond in de Amsterdamse studentenbioscoop Kriterion onverwacht de naam Géza Weisz las op de titelrol, in een korte film uit 1928. Zo zag de regisseur zijn vader voor het eerst, in de bioscoop.

Frans: ‘Mijn vader was heel klein, hij kwam tot aan mijn schouder. Ik hoop een film te maken over zijn onderduik, hij heeft een mooi dagboek nagelaten, dat ik in mijn bezit heb. En dan wil ik dat Géza hem gaat spelen.’

Maar eerst wacht de regie van Siegfried, waarin een Mulischiaanse schrijver naar Wenen trekt om het ‘mysterie’ Hitler voorgoed te doorgronden. ‘Ik begin nu met de casting. Ik bid dat het doorgaat. Het is ontzettend lastig om iets van Harry Mulisch te verfilmen, weet ik van mijn eerdere film naar zijn roman Hoogste tijd. Bij hem gaat alles via de hersenen, terwijl het bij film níet om hersenen gaat. Film komt via een andere weg binnen.’

Wie speelt straks Hitler?

Géza: ‘Er is er maar een die dat kan.’

Frans twijfelt of hij het al mag zeggen. Producent Van de Westelaken stelt gerust, over de telefoon: ‘Pierre Bokma speelt Harry én Hitler – het is een dubbelrol.’

Frans: ‘Ik heb weleens gezegd: ik heb mijn leven te danken aan Hitler. Als mijn vader niet uit Berlijn was gevlucht, al in 1933, dan zou ik nooit geboren zijn – hij ontmoette mijn moeder in Nederland. Het vreemde met het werken aan Siegfried is dat ik Hitler voor het eerst… ik weet niet hoe ik het moet zeggen, als mens zie. Ja, het is wel een mens. Een zielig mens.’

Géza: ‘Even kort door de bocht: het is wel de man die opdracht gaf tot het vermoorden van je vader. Toch praat jij met iets van zachtheid over hem.’

Frans mijmert even. ‘Weet je, mijn leven is eens gered door een Duitse soldaat, vlak voor het einde van de oorlog. Ik zat in Limburg ondergedoken, toen er twee of drie soldaten binnenkwamen. Ik was een jongetje van de boerderij, maar kennelijk had iemand begrepen dat ik helemaal geen jongetje van de boerderij was.’

‘Je zat onder een bed toch?’

‘Ja, ik lag onder een bed, die ene soldaat haalde me er onderuit, wilde me meenemen naar de kamer waar de boer en boerin met de andere soldaten koffie dronken. Hij dacht, ach weet je wat, laat maar gaan.’

Tegen Géza: ‘Dit verhaal ken je toch?’

‘Jawel, Tonny Jacobs.’

Frans lacht. ‘In plaats van Frans Weisz was mijn onderduiknaam Tonny Jacobs, wat volgens mij nóg Joodser klinkt. Maar ik werd dus huilend en pissend van de angst terug onder het bed geschopt, en meteen diezelfde avond onder een berg bieten naar ander adres gereden, omdat die boeren toch bang waren dat de Duitsers terug zouden komen. En het gekke is dat ik me, terwijl ik dit vertel, op een of andere manier tóch gelukkig voel over die tijd. Ook in het vreselijke had ik iets van geluk. Niet dat ik dáárom ineens de mens in Hitler zie. Maar dat boek van Mulisch, en de film die ik erover wil maken, gaat over de vraag of we die mens Hitler beter kunnen leren kennen.’

En kan dat?

‘Daar ben ik nu mee bezig. Ik kreeg van iemand een boek over Hitler als soldaat na de Eerste Wereldoorlog, hoe hij shellshock had: een stotterende, halfblinde man. Als Hitler met de trein door gebombardeerd gebied reisde, moesten de gordijnen altijd dicht blijven. Hij wilde het niet zien. Hij is ook nooit in een concentratiekamp geweest. Een man die eigenlijk liever wilde schilderen.’

Vorige maand stond er een artikel in de Volkskrant over mensen met een sterke aanleg voor depressie: die beleefden de afgelopen periode juist wat lichter.

Géza: ‘Een vriend van me die al zolang ik hem ken met depressies kampt, en daar redelijk open over praat, zei dat ook: dit is de beste periode van mijn leven. Heel lullig, maar nu voelen jullie eens wat ik al die tijd voelde. Vond ik intrigerend. Ik moest ook denken aan wat jij me altijd over je moeder vertelde.’

Frans knikt. Zijn moeder overleefde het kamp, maar kon de opvoeding van haar enige zoon niet aan.

Géza: ‘Dat oma altijd dood wilde, behálve in het concentratiekamp. Daar was geen ruimte om depressief te zijn.’

Frans: ‘Dan is het niet meer plus en min. Dan staat gewoon alles op min.’

Géza: ‘Dat de ratrace stopte, vond ik de eerste paar weken wel prettig – ik ben altijd onrustig. Meditatie en mindfulness, waar mijn generatie nogal mee bezig is, dat lukte mij nooit. Corona dwong me dat wel te ervaren: je kon geen kant op. Bij vlagen heb ik dat ook wel als geluk ervaren. Maar later kwamen de muren op me af. Ongezellig was het, somber. Het gevoel dat ik uitdoofde, mijn ambitie verloor, voor alles eigenlijk: waarom word ik wakker in de ochtend? Kennelijk is werk toch een raison d’être.’

Frans: ‘Die laatste drie maanden, het ging zó snel. Ik had werk, ik hád iets. Ik ben met potlood nog eens door het script van Siegfried gegaan, om te zien hoe ik het straks aan kan pakken. Er zitten geen massascènes in, dat scheelt.’

Verwachten jullie dat corona onze levens blijvend verandert?

Géza: ‘In de eerste weken hoorde ik mensen zeggen: dit is een wereldramp, ons leven zal nooit meer hetzelfde zijn. Toen ik bij Jinek zat, zei ik: als heel de wereld er economisch last van heeft, heeft uiteindelijk niemand er last van: dan houden de euro’s en de dollars elkaar in evenwicht. Maar vrienden van me, die wél economie hebben gestudeerd, riepen: de echte orkaan moet nog komen. We hebben straks allemaal een posttraumatische stressstoornis, dat zei een van mijn beste vriendinnen. Maar als ik eerlijk ben: zo heel veel ben ik er niet mee bezig. Ik riep dat ook wel hoor, in het begin: we kunnen echt niet meer zoveel vliegen, de natuur trapt van zich af, we gaan nu echt milieubewuster worden! Maar we blijven ook gewoon mensen. Ik heb aan Expeditie Robinson meegedaan, een maand lang uitgehongerd op een eiland. Die eerste keer dat ik weer een partje sinaasappel at, sprongen de tranen in mijn ogen van geluk.’

Frans: ‘Je belde me op. Ik krijg nu fruit, zei je.’

Géza: ‘Ik nam mezelf voor: zoals ik nu proef wil ik áltijd blijven proeven, elk hapje koesteren. Maar zag je hoe ik net die tosti naar binnen propte? We gaan straks weer volop consumeren, daar ontkom je niet aan.’

‘Of we moeten weer terug naar binnen’, zegt Frans. Hij klopt nog maar eens op tafel.

Eerder in deze reeks

Hoogleraar seksuologie Ellen Laan en haar dochter Leah Waterman: ‘Seks is de kern van ons werk, en toch zijn we de eersten om te zeggen dat we er een veel te groot onderwerp van maken.’

Minister van Justitie en Veiligheid Ferdinand Grapperhaus en zijn zoon Ferdinand Grapperhaus jr.: ‘Wij zeggen thuis altijd juno en julij’

Eric van Eerdenburg is de baas van Lowlands, zijn zoon IJsbrand zou er spelen. En toen kwam corona.

Profvoetballer Lineth Beerensteyn en haar moeder Linda Beerensteyn: ‘Altijd eerst handen wassen, zo zijn we opgevoed.’

Barbara Baarsma en zoon Maarten over de coronacrisis: ‘De jongeren hebben de hoogste prijs betaald.’

Waarom ic-specialist Diederik Gommers (56) zich minder zorgen maakt over dochter Sophie (23) dan andersom.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden