Die ene meldingHenk Lodder, gepensioneerd recherchechef

‘Zonder lichaam kun je geen afscheid nemen, en dat kan de verwerking in de weg zitten’

Politiemensen over de gebeurtenissen na een specifieke melding die hun kijk op het vak ingrijpend hebben veranderd. Voormalig recherchechef Henk Lodder (68) leerde als rechercheur dat je een beschadigd lijk niet moet weghouden van nabestaanden.

Wil Thijssen
null Beeld Anne Stooker
Beeld Anne Stooker

‘Hoewel ik nog een jonge rechercheur was, had ik al best veel doden gezien. Maar dit was anders. Op een zondagavond belde de Meldkamer dat ik naar een studentenhuis in Utrecht moest, waar een student in bad was overleden. Ik moest samen met mijn maatje de doodsoorzaak gaan onderzoeken.

‘Op het adres waren al twee collega’s van de uniformdienst. Ze zeiden: ‘Hij ligt boven, het ziet er niet fraai uit.’ In een piepklein badkamertje troffen we een jongeman in bad. De vloer stond blank, de heetwaterkraan was blijven lopen. De jongen was vermoedelijk in bad in slaap gevallen en door zuurstofgebrek in dat kleine kamertje bewusteloos geraakt en overleden. Omdat de geiser buiten de badkamer zat, was die niet afgeslagen en bleef het hete water stromen. Daardoor zag het lichaam er opgeblazen uit. Een huisgenoot had hem zo aangetroffen en in paniek de politie gebeld. Hij vertelde dat alle studenten in het weekend naar hun ouders waren gegaan, behalve deze jongen. Hij lag vermoedelijk al het hele weekend in dat kokende water.

‘Ik belde de officier van justitie en een begrafenisondernemer. De gerechtelijke sectie leverde geen bijzonderheden aan het lichaam op, dus de conclusie bleef: dit is een heel triest ongeluk.

‘De volgende ochtend kwamen vier of vijf bewoners van dat studentenhuis naar ons bureau; ze wilden hun overleden vriend zien. ‘Dat kan niet’, zei ik. ‘Hij is niet toonbaar.’ Het was geen prettig gesprek. Die studenten waren – hoe zeg ik dat netjes – geen vrienden van de politie. Normaal gesproken kun je aan nabestaanden heel goed uitleggen waarom het niet verstandig is om een beschadigde dode te bekijken. Maar deze studenten accepteerden dat niet. ‘De politie heeft foto’s gemaakt’, zeiden ze. ‘We willen die foto’s zien.’

‘Ik belde de officier van justitie. Die nam een heel formeel standpunt in: die foto’s zijn alleen voor politie en justitie. En daarmee hield het voor die studenten op. Ze gingen boos weer weg.

‘Later ben ik daar heel anders over gaan oordelen. Dat kwam door een lijkvinding, enkele jaren later, van een jongeman in een flat in Amersfoort. Die jongen was al geruime tijd dood, het lichaam was in staat van ontbinding. We hebben de doodsoorzaak niet kunnen vaststellen.

‘Ik liet de begrafenisondernemer komen, die het lichaam overbracht naar een ziekenhuis. De vader van de jongen woonde erg ver weg, dus ik belde hem vanaf het bureau met het slechte nieuws. De vader zei: ‘Waar is hij? Ik wil hem zien.’ Ik antwoordde dat zijn zoon niet toonbaar was, maar de man volhardde. Hij stapte in zijn auto en kwam naar het ziekenhuis.

Ik heb overlegd met de beheerder van het mortuarium en met de collega’s van de technische recherche, zoals de forensische opsporing destijds nog heette: ‘Wat kunnen we voor die man betekenen?’ Samen besloten we het lichaam vanuit de koelcel op een brancard te leggen, en het in de familiekamer op te baren, in de lijkzak, met een arm eruit, zodat die vader toch afscheid van zijn zoon kon nemen.

‘We stonden daar met z’n vieren: twee collega’s van de technische recherche, de beheerder en ik. De vader van die jongen kwam gestrest binnen. Wij schudden hem de hand, stelden ons aan hem voor, en ik zei: ‘Dit is waarschijnlijk uw zoon’, want hij moest nog officieel worden geïdentificeerd.

‘De man liep naar het lichaam, pakte de hand vast, heel liefdevol, en ritste ineens de lijkzak verder open. Dat overviel ons, wij stonden perplex, dat hadden we niet verwacht. Wij dachten: hij pakt hooguit die arm, zo’n beschadigd lichaam aanraken, dat doe je niet. Maar hij deed dat wel. Hij betastte het lichaam en hield met beide handen het hoofd van zijn zoon vast, heel teder. Hij streelde het, en zei: ‘Nu weet ik het zeker. Nu heb ik er vrede mee.’ Er daalde een enorme rust over hem neer. En ineens snap je: dit is goed. Heel mooi, eigenlijk.

‘Sindsdien heb ik nooit meer geweigerd om nabestaanden een beschadigd lichaam te tonen. Het is voor hen heel belangrijk om iets tastbaars te hebben, een bevestiging van iemands dood. Zonder lichaam kun je geen afscheid nemen, en dat kan de verwerking in de weg zitten.

‘Ik zei later in die familiekamer tegen die vader: ‘Joh, dat je zoiets doet.’ Hij antwoordde: ‘Ik ben arts, ik heb wel meer meegemaakt in mijn leven.’ Maar eigenlijk had dat er niets mee te maken. Hij was weliswaar arts, maar op dat moment was hij vooral een vader die afscheid nam van zijn zoon.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden