Column Eva Hoeke

Zo werkt dat dus: integreren gaat via kinderen

Eva Hoeke. Foto Valentina Vos

Het was zondagmiddag, de bel ging, achter de brievenbus hoorde ik gefluister. ‘Jij eerst.’

Op de stoep stonden vier meisjes, de oudste had een paraplu in haar handen. Toen ik opendeed, las ik het in hun ogen: het was dus echt waar.

Eerder op de dag had ik kennis met ze gemaakt op het schoolpleintje naast ons huis. Aanvankelijk hadden ze geamuseerd toe staan kijken hoe de Dochter (3) de glijbaan van de verkeerde kant bestormde, even later gingen ze hand in hand van het ene toestel naar het andere. ‘Zo werkt dat dus’, dacht ik vanaf het bankje onder de boom. ‘Integreren gaat via kinderen.’ Na het spelen hadden ze me het hemd van het lijf gevraagd. Hoe heette ik? Hoe heette mijn dochtertje? Had ik een man? En een vader? En woonden we écht in het huis naast de school? Vooral dat laatste hadden ze niet kunnen geloven, zelf woonden ze in een flat, en in de paraplu die ze nu, hier aan de deur, omhoog hielden hadden ze het perfecte alibi gevonden om te zien of het echt waar was.

‘Is deze van u, mevrouw?’, vroeg de oudste nog voor de vorm. ‘Hij lag bij de glijbaan.’

Drie paar donkere ogen tuurden ondertussen nieuwsgierig langs me heen, de gang in.

‘Waar is uw dochtertje?’, vroeg de een.

‘Hebben jullie een hond?’, vroeg de ander.

‘En een trap?’, vroeg de kleinste.

Vanuit daar hotsebotste het gesprek verder, ze praatten allemaal door elkaar heen en tussendoor deden ze een dansje, de shwoosh, kijk zo. Vanaf het terras van het café aan de overkant voelde ik hoe er naar ons werd gekeken, een vaag onbehagen maakte zich van mij meester. Bijna een jaar woonden we hier nu, en hoewel het huis al snel als thuis had gevoeld, was het daarbuiten nog altijd zoeken geblazen. Ik miste het vlugge contact in de stad, de vanzelfsprekendheid van vrienden in de buurt. Tuurlijk, ook hier werd geknikt en gezwaaid en soms kwam het tot een praatje, maar op de een of andere manier werd dat praatje nooit een gesprek. Het verwarde me, ik kwam hiervandaan, waar waren mijn wortels gebleven? Wacht maar tot de kinderen op school zitten, zeiden ze, dan gaat alles vanzelf.

‘Mevrouw?’

Er was een vraag gesteld, de oudste herhaalde ’m. ‘Wat gaan jullie straks doen?’

Even later liepen we in colonne richting kinderboerderij, ik, de Man, de Dochters en een wonderlijke sliert van kinderen die we niet kenden maar die wel meteen hun levensverhaal vertelden. Ze bleken zusjes te zijn, zusjes en vriendinnen. Zoey (5) en Merci (7) kwamen uit Eritrea, hun vader was postbesteller, Tala (8) en Shahd (6) uit Syrië, hun vader was dood. ‘De politie heeft hem opgehaald’, zei Tala terwijl ze met haar vuisten de stof van haar roze T-shirt oprekte. ‘In Syrië is de politie niet goed.’ Hun moeder zat op taalles, de kinderboerderij was gratis, ze gingen vooral met elkaar om en later wilden ze allemaal een hondje, een kinderleven samengevat. Het had ons leven kunnen zijn, minus de taalles, en zo vonden we daar, tussen schommel en geit, een onverwachte bondgenoot in vier kleine medebuitenstaanders.

Tegen vijven liepen we terug, bijna thuis wachtte het café ons op als een dorstige hond aan een ketting. ‘Zo-hoo’, riep een volwassen man vanaf het terras. ‘Gezinsuitbreiding? Paar Foster Parents-kindjes meegenomen?’ De meisjes zwegen, wij lachten onze schaapachtige lach. Pas terug in de tuin kwam het enige juiste antwoord. ‘Volgende keer gaan we appelsap drinken, jongens. Aan de overkant.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.