Reportage

Zij namen het kind van een ander op in hun gezin: ‘In iedereen schuilt een goede pleegouder’

Zorgen voor het kind van een ander alsof het je eigen kind is: pleegouders doen het met hart en ziel. Vier pleeggezinnen vertellen waarom ze daarvoor kozen.

Roos Volkers
Patricia en Mike Niekoop en hun vier pleegkinderen. Beeld Martijn van de Griendt
Patricia en Mike Niekoop en hun vier pleegkinderen.Beeld Martijn van de Griendt

Het is een bekend gezicht in Amsterdam-Zuidoost: Mike Niekoop (64) die voorbijkomt op zijn bakfiets, een paar kinderen in de bak en de rest – soms wel tien – op hun eigen fietsen erachteraan. ‘Mensen vragen weleens: zijn die allemaal van jullie?’, vertelt zijn vrouw Patricia (60). ‘Als ik dan zeg dat het onze vier pleegkinderen zijn met hun vriendjes uit de buurt, reageren ze verbaasd.’ Patricia en Mike krijgen vaak te horen hoe knap het is dat zij, toen hun biologische kinderen al een tijd uit huis waren, voor pleegzorg kozen. Maar, benadrukt ze, zo bijzonder zou het niet moeten zijn.

In Nederland worden jaarlijks 23 duizend kinderen in een pleeggezin geplaatst. Een deel daarvan komt bij familie of bekenden terecht, andere kinderen worden gekoppeld aan een beschikbaar gezin in het bestand van een pleegzorgorganisatie. Sommige kinderen gaan alleen in de weekenden of de vakantie naar hun pleeggezin, vaker verblijven ze er permanent. Soms kunnen ze na een paar maanden weer terug naar de biologische ouders, maar in de meeste gevallen wonen ze langer dan een jaar bij hun pleeggezin.

Pleegzorg komt geregeld negatief in het nieuws: overspannen pleegouders die klagen over het gebrek aan financiële steun en een teveel aan regels en bureaucratie, nijpende tekorten aan pleegouders. En dan blijkt ook nog eens dat kinderen soms onterecht worden gescheiden van hun ouders. Zo werden ruim vierhonderd kinderen van gedupeerde ouders in de toeslagenaffaire op last van de rechter uit huis geplaatst.

Pleegzorg kan vrijwillig zijn, dan hebben de biologische ouders of het (meerderjarige) pleegkind er zelf voor gekozen. Maar in de meeste gevallen moet een kind uit huis omdat een kinderrechter hiertoe heeft besloten. Dat betekent niet dat er helemaal geen contact meer is met de biologische ouders. Vaak mogen ze op vaste tijden op bezoek komen, en anders worden ze op de hoogte gehouden met foto’s en verslagen. Het maakt het bieden van pleegzorg er niet makkelijker op.

En toch zouden de pleegouders die Volkskrant Magazine sprak het voor geen goud willen missen. Elk van hen heeft zo zijn eigen redenen om de deur te openen voor het kind van een ander, en die voorlopig niet meer te willen sluiten. Ook opvallend: pleegouders zijn er in alle vormen en maten. ‘In echt iedereen schuilt een goede pleegouder.’

Niki Nijs en haar pleegkind Beeld Martijn van de Griendt.
Niki Nijs en haar pleegkindBeeld Martijn van de Griendt.

Niki Nijs (35) werkt als sociaalpedagogisch hulpverlener. Ze heeft voor de vierde keer een pleegkind.

‘Ik ben zelf als 12-jarige vrijwillig uit huis geplaatst. Doordeweeks zat ik in een behandelgroep (een plek waar jongeren onder begeleiding dag en nacht samenwonen, red.), in het weekend ging ik terug naar mijn ouders. Dat heeft ons gezin toen zoveel goeds gebracht. We kregen de rust die we nodig hadden om onze levens wat beter op de rit te krijgen. Daardoor kon ik na een jaar ook weer definitief thuis komen wonen. Ik had op die jonge leeftijd al heel sterk het gevoel: ik wil later ook zoiets betekenen voor gezinnen die vastzitten in een lastige situatie. Maar ik wist niet dat pleegzorg bestond. Daar kwam ik pas jaren later achter, toen ik begon te werken als sociaalpedagogisch hulpverlener.

Het leek me nog veel fijner voor een kind om even opgevangen te worden in de huiselijke sfeer van een gezin, in plaats van in zo’n behandelgroep. En bij mij was er ruimte. Ik kon ze een veilige, stabiele plek bieden. Ik begon met weekendpleegzorg. Om de week kwam een kind een weekend bij me. Maar al snel wilde ik meer hulp bieden. Toen heb ik me opgegeven voor langdurige pleegzorg. Ik heb tot nu toe vier plaatsingen gehad. De kortste duurde vier maanden, de langste anderhalf jaar.

Ik weet nog dat ik hartstikke gespannen was bij die eerste plaatsing. Ik heb geen eigen kinderen, dus ik koerste compleet op de ervaringen uit mijn werk in de jeugdhulpverlening. Ik had nogal wat ideeën over hoe ik hoorde op te voeden – ik wilde alles zo goed doen. Inmiddels weet ik: té goed willen zorgen maakt het contact alleen maar stroever. Er is in het begin een afstand, en je moet het kind die op zijn eigen manier laten aftasten. De een vraagt steeds om te spelen, terwijl de ander veel driftbuien heeft. Maar altijd weer komt het eerste moment dat ze affectie laten zien. Dat ze je voor het slapengaan niet alleen een knuffel geven, maar ook een heel lief kusje op de wang. Of dat je ze vroeger van de opvang haalt en ze blij roepen: nu kunnen we thuis nog een spelletje spelen! Het zijn de kleinste dingen waardoor je je realiseert: ja, hier doe ik het voor. Dit is waarom ik voor een pleegkind zorg, zelfs als het regelwerk me af en toe te veel wordt.

Want met het kind komt een heel systeem van ouders, voogden en hulpverleners, die allemaal op de hoogte moeten worden gehouden met verslagen en foto’s, en ook nog vaak op bezoek komen. Maar zolang je je leven daar enigszins op kunt aanpassen, maakt het niet uit of je alleenstaand bent of getrouwd, kinderen of geen kinderen hebt, een voltijdbaan of niet. Ik denk dat iedereen een goede pleegouder kan zijn. Het lukt mij ook met de hulp van mijn ouders en een paar vrienden, die ik altijd kan bellen om op te passen. En het helpt dat ik een flexibele werkgever heb. Hij laat me deels mijn eigen uren plannen, waardoor ik veel thuis en ’s avonds kan werken.’

Herman Kleinjan en Roelof van Minnen en hun twee adoptiekinderen en drie pleegkinderen. Beeld Martijn van de Griendt
Herman Kleinjan en Roelof van Minnen en hun twee adoptiekinderen en drie pleegkinderen.Beeld Martijn van de Griendt

Herman Kleinjan (45) en Roelof van Minnen (40) runnen een eigen melkveebedrijf en leerboerderij. Ze hebben twee adoptiekinderen (8 en 7) en drie pleegkinderen (4, 3 en 1,5 jaar).

Herman: ‘Roelof was altijd degene met de kinderwens, ik niet. Ik ben geboren en getogen in een redelijk behoudend dorp, daar leken twee mannen met een gezin gewoon niet te passen. Ik had überhaupt nooit gedacht dat ik hier met een man melkkoeien zou houden, laat staan dat ik er vijf kinderen zou opvoeden. Maar Roelof maakte me enthousiast – door hem durfde ik eraan te beginnen. We kozen in eerste instantie voor adoptie. Zo kregen we in 2014 twee prachtige dochters, twee zusjes. Pleegzorg zat toen al wel in ons achterhoofd, maar daar hadden we nog te veel twijfels bij. We dachten dat je als pleegouder niks te zeggen had, omdat alles wordt bepaald door zorginstanties. Nou, dat is absoluut niet waar. Nu en dan moet voor iets formele toestemming komen van een hulpverlener of voogd, maar verder nemen we de beslissingen zelf.’

Roelof: ‘Ik twijfelde in die tijd ook over iets anders: kan ik wel van een kind houden dat biologisch gezien niet van mij is? Maar aan onze adoptiekinderen raakte ik zo snel verknocht, in mijn hart voelden ze vrijwel meteen als mijn eigen kinderen. Met onze pleegkinderen gebeurde precies hetzelfde. Ik begon op een gegeven moment zelfs te houden van hun biologische ouders. Je hebt uiteindelijk hetzelfde doel voor ogen, je wilt het kind gelukkig zien, en dat schept een band.’

Herman: ‘Een paar jaar na de adoptie van onze dochters begonnen we ook serieus na te denken over pleegzorg. We runden toen al een tijdje naast ons melkveebedrijf een leerboerderij, voor jongeren met uiteenlopende problemen. We zagen velen van hen echt opbloeien door de vrijheid die ze kregen op de boerderij. Wat als we zulke kinderen hier een permanente plek konden bieden? We schreven ons in voor een cursus van de pleegzorginstantie. Aan het einde daarvan besloten we onszelf beschikbaar te stellen als pleegouder. Twee dagen later kregen we een telefoontje, dat er een jongetje van 1,5 was dat al te lang in de crisisopvang zat. Hij had ook nog een zusje van een half jaar oud. Of we ze allebei in huis konden nemen. We hebben er maar een kwartiertje over na hoeven denken. Praktisch gezien kon het, dan ga je niet een broer en zus uit elkaar halen. Anders zou je het enige stabiele dat ze nog hebben in hun leven ook afpakken. Toen zat van de ene op de andere dag de eettafel vol. In het begin ging dat haast te makkelijk. De pleegkinderen staan in de overlevingsstand, alsof ze in een cocon zitten waar alleen de basale dingen, zoals eten, drinken en slapen, belangrijk zijn.’

Roelof: ‘Die eerste weken bij ons waren voor hen een soort rouwperiode. Stel je voor, in een keer en buiten je macht om weggehaald worden bij je ouders. Misschien kun je het nog het beste vergelijken met het abrupt overlijden van een naaste. Dat is precies wat gebeurde net voordat we een derde pleegkind zouden krijgen. We hadden definitief ja gezegd, ik stond op het punt een foto van hem in de familie-appgroep te sturen, toen mijn vader belde dat mijn broer uit het leven was gestapt. Het was heel bizar, om tegelijkertijd verdriet te voelen om je broer en blij te zijn met de komst van een nieuw kind. Twee dagen na de begrafenis kwam hij dan, een kleine baby met een bos vol krullen. Hij werd vrijwel meteen het zonnestraaltje in huis. Hij was en is nog steeds zo vrolijk, altijd aan het lachen. Kinderen hebben nog zo dat vermogen om te genieten van de simpele dingen, iets wat de meeste volwassenen helemaal vergeten zijn. Dat je kunt waarderen dat de zon schijnt of dat je samen op de trekker de koeien gaat voeren.’

Herman: ‘Ja, in de kleine momenten met je kinderen zie je achteraf vaak de hoogtepunten. Ik moet meteen denken aan twee zomers geleden. We gaan elk jaar op vakantie naar een ander Waddeneiland, normaal met onze minibus, maar toen konden we daar op het laatste moment geen plek voor reserveren op de boot. Dus moesten we met vier kinderen – onze jongste was er nog niet – en alle koffers in de bakfiets. Het was een hele onderneming, maar wat een feest, om zo als één gezin te reizen. Want dat zijn we nu echt, een gewoon gezin. Aan de keukentafel maken we geen onderscheid tussen een pleegkind en een adoptiekind, het zijn allemaal onze kinderen. Als ze vriendenboekjes invullen op school, schrijven ze ook: ik heb twee vaders, twee broers en twee zussen.’

Patricia en Mike Niekoop en hun vier pleegkinderen. Beeld Martijn van de Griendt
Patricia en Mike Niekoop en hun vier pleegkinderen.Beeld Martijn van de Griendt

Patricia Niekoop (60) is gepensioneerd managementassistent, haar man Mike (64) werkt als kok. Ze hebben vier pleegkinderen (3, twee van 9, en 13 jaar).

‘Onze drie volwassen kinderen zijn al een tijd uit huis. Dan kun je zeggen: ik ga achter de geraniums zitten. We hadden ervoor kunnen kiezen om te gaan reizen, om lekker met zijn tweeën ons ding te doen, maar toen kwam vier jaar geleden Amalia, een achternichtje uit Suriname, op ons pad. Ze had dringend een pleeggezin nodig en haar moeder vond ons wel geschikt. We houden van kinderen, zijn gek op lol en vreugde, dus we dachten meteen: laten we het maar gewoon doen. Toen is ze eigenlijk van de ene op de andere dag bij ons gedropt. We hadden nog geen training of echte begeleiding gehad vanuit pleegzorg, maar dat maakte niet uit. Het voelde als een natuurlijke overgang.

We hebben acht kleinkinderen die veel bij ons zijn, en er komen ook vaak kinderen uit de buurt langs. Onze familie is van elastiek en kan altijd opgerekt worden om ruimte te maken voor een kind meer. Daarom gaven we vrij kort na Amalia bij de pleegzorginstantie aan dat we openstonden voor nog een plaatsing. Dat leek ons ook fijner voor haar, dan was ze niet meer in haar uppie. Op een gegeven moment kregen we te horen dat er niet één maar twee kinderen uit hetzelfde gezin een plek nodig hadden. We dachten onmiddellijk: je gaat ze niet scheiden. Dus hebben we onze deur opnieuw geopend, deze keer voor Rian en Amien. Het klikte meteen, tussen ons en die twee, en tussen hen en Amalia. De jongste, die pas sinds januari bij ons woont, voelt zich ook al helemaal thuis.

Haar oma, wier andere kleinkinderen op dezelfde school zaten als onze pleegkinderen, nam contact met ons op – of we er misschien een kleine van 3 bij konden hebben. Zo werden we een gezin van zes, een huis vol verschillende culturen en geloven. Wij, Amalia en de kleine zijn Surinaams, terwijl Rian en Amien Somalisch zijn. Dat kan allemaal naast elkaar bestaan. Als ik het bijvoorbeeld over het rooms-katholieke geloof heb, zeg ik: mijn God is jullie Allah. Het is geen belemmering, integendeel, het verrijkt ons leven. Ze geven mij zoveel nieuwe inzichten.

Soms schrik ik ook van hun verhalen. Ze hebben zulke nare dingen meegemaakt, dat wil je bijna niet herhalen. Maar dat ze zich veilig genoeg voelen om die met ons te delen, vind ik bijzonder. Elke vrijdagavond komt de hele familie, alle kinderen en kleinkinderen, samen in onze woonkamer. Dat is steeds weer een mooi feest. Mike bereidt moksi alesi en Surinaamse soepen, we maken muziek, zingen, dansen, maar er is ook altijd een serieus moment. Dan zetten we de pianokruk in het midden van de kamer en mag iedereen die wil erop gaan zitten om te vertellen over wat dan ook. Mooie herinneringen komen voorbij, af en toe wordt het emotioneel. We geven onszelf daar echt bloot.’

Beate Teerds en haar kleinzoon. Beeld Martijn van de Griendt.
Beate Teerds en haar kleinzoon.Beeld Martijn van de Griendt.

Beate Teerds (61) is sinds anderhalf jaar de pleegouder van haar kleinzoon (7 jaar).

‘Ik weet nog dat, toen mijn kleinzoon 4 jaar oud was, ik tegen zijn vader – mijn zoon – zei: die komt een keer bij mij terecht. Ik voelde dat het bij hen thuis niet helemaal goed ging. Maar ik heb nooit gezien hoe ernstig de situatie was. Ik wist niet dat de Raad voor de Kinderbescherming al sinds 2018 onderzoek naar het gezin deed. Tot ik eind oktober 2020 een telefoontje van hen kreeg. Ze vroegen hoe ik ertegenover zou staan als mijn kleinzoon uit huis geplaatst werd. ‘Dan neem ik hem in huis’, zei ik meteen. Begin november belden ze weer. Er zou de week erop een vergadering zijn over de situatie. Of ik daarbij aanwezig kon zijn. Het was ’s morgens op het gemeentehuis, rond een uur of 9, half 10, toen het hoge woord eruit kwam. Hij werd uit huis geplaatst, ik moest hem dezelfde ochtend nog van school halen. Hij mocht niet eens meer naar zijn ouders.

Toen hij me op het schoolplein zag, was hij natuurlijk hartstikke blij – hij dacht dat hij gezellig bij oma ging logeren, dat deed-ie wel vaker. Maar dat sloeg snel om toen ik vertelde dat hij veel langer bij me zou blijven. Hij begon te huilen. Het was een voorbode voor wat me de daaropvolgende drie maanden te wachten stond. Hij is getraumatiseerd geraakt door zo uit huis te zijn gerukt. De eerste twee dagen ging het nog prima, maar daarna werd hij heel dwars. Hij ging over alles in discussie. Dan begon hij tegen me te schreeuwen, iets wat ik totaal niet van hem gewend was. Ik heb in die tijd weleens traantjes gelaten. Om ineens moeder te zijn van een beschadigd kind van 6, terwijl ik nog werkte en de zorg had voor mijn zieke man, die twee herseninfarcten heeft gehad en dialysepatiënt is, dat was moeilijk.

Ook omdat ik het bijna helemaal alleen moest doorstaan. Ik kreeg in die beginperiode geen hulp vanuit de zorginstanties. Ik wist niet bij wie ik moest zijn: de Raad zei dat ze niets voor me konden betekenen. De pleegzorgorganisatie die normaal gesproken begeleiders regelt voor pleegouders, werd uiteindelijk pas in april van het jaar daarop ingeschakeld. Inmiddels heb ik drie topbegeleiders om me heen. Het voelt echt alsof we samen een nieuwe start tegemoet gaan. Daardoor ga ik ook ineens terugdenken aan dat begin – hoe heb ik het ooit volgehouden? Ik ben toen psychisch wel kapotgegaan, maar ik had alles over voor mijn kleinzoon.

Nu is het zo’n ander kind, beleefd en tevreden. Hij dekt voor opa en oma de tafel, kan heel erg genieten van een nieuw dekbed. Hij begint ook langzaam het verleden te verwerken. Af en toe vraagt hij me: oma, weet je nog een jaar geleden, toen ik altijd zo boos werd? Hij gaat steeds meer nadenken over wat het betekent dat hij bij mij blijft. In het begin wilde hij niet eens aan andere kinderen uitleggen waarom hij hier woonde. Toen heb ik hem gezegd dat hij het helemaal niet hoeft te vertellen, als hij dat niet wil. Dan zeg je gewoon dat je bij oma woont omdat je het leuk vindt, klaar. Maar intussen wil hij niet meer terug naar papa en mama. Hij mist ze natuurlijk wel, dat is logisch, het is gewoon een verdrietige situatie. Maar hij is in ieder geval binnen de familie gebleven. Daardoor kan hij alsnog elke woensdag met zijn ouders naar de zwemles gaan, dan is het mama- en papadag, daar verheugt hij zich echt op. Mijn zoon en zijn vrouw zouden er echt kapot aan zijn gegaan als mijn kleinzoon in een vreemd gezin zou zijn geplaatst. Zij zien nu ook hoeveel groei hun kind heeft doorgemaakt, ze zijn zo trots. Dat vind ik mooi.’

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden