De vriendschap Marjolijn van Heemstra en Ronald Sørensen

Zij is van harmonie en verbinding. Hij van strijd en confrontatie

Beeld Ivo van der Bent

Vooral op sociale media lijkt het soms wel of niemand meer met iemand overweg kan. De Volkskrant zet daar deze zomer vrienden tegenover die grote en kleine verschillen overbruggen. Deze week: Marjolijn van Heemstra en Ronald Sørensen. 

Hij berooft haar van een illusie. In de eerste twee minuten al. Marjolijn van Heemstra was 15 toen ze les kreeg van Ronald Sørensen, docent geschiedenis aan de Wolfert van Borselenschool in Rotterdam-West.

‘Zij mocht me gelijk bij m’n bijnaam noemen,’ zegt hij onomwonden. ‘Zo begon het.’

Ze knikt. ‘Toen al was het Sør.’

‘Al mijn leerlingen van het tweetalig vwo mochten dat. Tweetalig wil zeggen: Nederlands en Engels. Maar Sør klinkt als Sir, begrijp je. En ik hoorde zelf natuurlijk Sir.’

Hij schatert.

Zij is verbijsterd. ‘Dat… Zo heb ik het nooit begrepen! Dus eigenlijk nam je ons een beetje in de zeik?’

Hij straalt. ‘Op een vriendelijke manier, toch?’

We zitten aan de keukentafel van de familie Sørensen, in Rotterdam. Het is snikheet. De links-geëngageerde schrijver en theatermaker Marjolijn van Heemstra nipt van een glas koud water. ‘Sør’ zit naast haar. Halverwege de jaren negentig was hij nog niet de rechts-populistische politicus van Leefbaar Rotterdam of de PVV. Wel een markante leraar die gerust gezaghebbend mag worden genoemd.

‘Ik was een docent met orde. Bij een moeilijke brugklas moet je even imponerend beginnen. Ik had toen nog gemillimeterd haar en sportte vrij veel. Dan stond ik als een soort marinier voor het raam, in een kort T-shirtje, naar buiten te kijken. Wachten. Tot ze heel rustig zaten. Dan draaide ik me langzaam om, haalde diep adem… Ik weet niet wat jullie gehoord hebben, maar ik ben een stuk erger dan ze zeggen.

‘Gewone, goedwillende leerlingen vinden orde in de klas heerlijk. De sfeer kon dan heel leuk en gezellig zijn. Meestal zei ik tegen m’n leerlingen: zullen we lekker doorwerken? Gaan we daarna moppen vertellen. Eerst jullie, dan ik. Maar: niet vies, en niet racistisch. Flauw mocht natuurlijk altijd: ‘Ober, er zit een vlieg in m’n soep. Logisch meneer, we zitten vlak bij een vliegveld’.’

Hoe keek Van Heemstra aan tegen de docent Ronald Sørensen?

‘Hij is me bijgebleven, dat heb je met sommige leraren. Omdat eh, Sør…’

‘Je mag me nu wel Sør noemen, hoor. Haha!’

‘Omdat hij ons vrijheid gaf. Hij leerde ons kritisch nadenken over dingen, dat er altijd twee kanten aan de zaak zitten. Kijk, in Frankrijk wordt Napoleon vereerd als een held. Sør hield ons dan voor: misschien kun je hem net zo goed een oorlogszuchtige, wrede, gewetenloze schurk noemen.’

Hij knikt. ‘Kritisch kijken, niets zomaar aannemen, leer te denken vanuit het perspectief van de ander.’

Van Heemstra: ‘Het is niet wereldschokkend, maar op mijn leeftijd toch belangrijk. Als vwo’er zat ik in een wit clubje op een best wel zwarte school. Veel kinderen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond, maar ook Kaapverdisch, Chinees, van alles. Ik behoorde tot een kleine minderheid! Voor al die kinderen was dat in de samenleving weer heel normaal. Iedereen was heel trots op zijn land van oorsprong. En het was niet bepaald tof om Nederlands te zijn. Ik ben maar Fries gaan leren. Friesland, daar heeft mijn familie vijfhonderd jaar geleden nog gewoond. Ik heb een Friese naam. Ik moest wat!’

Sørensen zat toen al bijna dertig jaar in het onderwijs. Langzaam zag hij de Wolfert van Borselenschool verkleuren.

‘In het begin was ik idealistisch. Hier moet het gaan beginnen, hè. De multiculturele samenleving gaat komen, prima, daar gaan we wat van maken. Wij hadden als school iets met Sparta. Ik wilde de jongens supporter maken van die Rotterdamse volksclub, maar nee, de Turkse leerlingen waren fan van Fenerbahçe of Besiktas en de Marokkaanse leerlingen hoefden ook niet te gaan kijken.

CV Marjolijn van Heemstra (37)

10 februari 1981 Geboren in Amsterdam 

1994-1996 vwo in Capelle a/d IJssel

1996-1999 Wolfert van Borselen, Rotterdam (tweetalig vwo)

2000-2006 Studie theologie

2006 Land van werk en honing. Over Marokkaanse vrouwen in NL (met Hanina Ajarai)

2009 Als Mozes had doorgevraagd (poëzie)

2009-2016 Theatermaker (Frascati, Ro Theater)

2012 De laatste Aedema (roman)

2012-heden Columnist dagblad Trouw

sinds 2014 Publiceert poëzie, roman, columns, theater

2018 Sør, podcast met én over Ronald Sørensen.

Marjolijn van Heemstra woont samen in Amsterdam met David en heeft twee zoons. 

‘De sfeer werd grimmiger. Tijdens mijn lessen over de Tweede Wereldoorlog liet ik fragmenten zien van Shoah, de roemruchte documentaire over de Holocaust. Ik waarschuwde kinderen van tevoren: echt enge beelden zie je niet, maar wel volwassen mensen die instorten. Ik hoorde gegrinnik! Eentje zei: ‘Meneer, dit hadden die Joden verdiend.’ Des duivels was ik. ‘Als jij nog een keer zo’n opmerking maakt, vlieg je het lokaal uit zonder dat ik de deur opendoe.’ Achteraf realiseer ik me: het is een jongen van 14 jaar. Die geluiden hoort hij van thuis, van de moskee, van een vader, oom of broer. Maar toch: mijn vertrouwen in het mooie, multiculturele zandkasteel brokkelde bij iedere golf verder af.’

Van Heemstra: ‘Ik snap die reactie wel. Sør en ik hebben elkaar in de afgelopen tijd uitgebreid gesproken voor een podcast die ik maakte over onze verschillende herinneringen aan de school – toen kwamen er bij mij ook nog dingen boven. Op een schoolfeest schuifelde ik met een Marokkaanse jongen die vervolgens zei: ‘Jij bent een hoer omdat je met mij hebt gedanst.’ Ik liep op de trap en kreeg een zetje: ‘Kankerkaas!’ Er was een geheim clubje dat zich de School Brothers noemde. Die hingen een briefje in de aula: ‘Wij worden gediscrimineerd door de schoolleiding en de kazen moeten boeten.’ Ze zorgden voor brandstichting en een bommelding. Een broer van een van die jongens kwam naar school met een pistool om de conrector te bedreigen. Ik wist wie deze School Brothers waren. Eentje keek mij heel dreigend aan en haalde langzaam zijn vinger langs zijn keel. Vanuit de leerlingenraad hebben we met zijn allen een verbroederingsfeest georganiseerd.’

Sørensen: ‘Dursan. Ik zal haar nooit vergeten. Een vroom meisje dat vrijwillig een hoofddoekje droeg. Ze kreeg mavo-advies, maar ze was zo ijverig en slim – wij als docenten lieten haar vwo doen. We hebben haar naar haar examen gesléépt, en ze slaagde. Haar verdienste, hè? Geweldig! Ik was zo trots. Toen hoorde ik dat haar zusje Ayşen, die in de vierde zat, niet bij de diploma-uitreiking mocht zijn. Wat bleek? Dursan was uitgehuwelijkt. Die avond kwam haar nieuwe familie uit Turkije – Ayşen hoorde er al niet meer bij. Twee jaar later kwam Dursan wel op de diploma-uitreiking van haar zusje. Kreeg ik meteen haar tweede baby in m’n handen gedrukt. Dan denk ik: zou die meid daar nou vrijwillig voor gekozen hebben?

‘Het werd steeds erger. Op een dag kwam er een meisje naar me toe: ‘Meneer, ik mag niet meer naar school komen van mijn man.’ Ik zeg: ‘Joh, je bent 15 jaar, jij kan helemaal niet getrouwd zijn.’ Ze zegt: ‘Ja hoor, op de Marokkaanse ambassade.’ En de onderwijsinspectie deed niks. Daar ergerde ik me dood aan. Het geloof, de islam, kreeg vrij spel.’

Van Heemstra: ‘Het is heftig. Alleen, jij projecteert alles op de islam. De werkelijkheid is veel complexer en gelaagder. Ik kwam bij islamitische leerlingen thuis. Dan zag je de armoede, soms analfabetisme, de teleurgestelde vaders met kapotte lichamen van al het zware werk in fabrieken. Die kloof was enorm. Thuis mochten de kinderen niet in opstand komen, dus dat deden ze op school. Want pubers willen schoppen en boos zijn. Daar moet je ook niet te veel aan ophangen.’

In 2001 besloot Ronald Sørensen Leefbaar Rotterdam op te richten, met Pim Fortuyn als politiek voorman.

Van Heemstra: ‘Vreselijk vond ik dat. Eng ook, hoe zo’n populistische partij de verschillen en problemen heel nadrukkelijk ging uitventen en uitvergroten. Met een paar oud-leerlingen heb ik Sør een mailtje gestuurd. De strekking was: we kunnen niet geloven dat onze lieve, oude geschiedenisleraar deze wending heeft genomen. Dat hij zo’n slechte man is geworden. Zo… fout. Als onze Sør al niet meer gelooft in een multiculturele samenleving, wie dan nog wel?’

‘Dat mailtje van jou kan ik me niet herinneren,’ zegt Sørensen. ‘Eerlijk niet.’

Wat verklaarde zijn ommezwaai?

‘Ik was het zat. Dat wegkijken, hè. Van collega’s, van politici, van iedereen, eigenlijk. Er was ook een aanleiding: in 1996 kreeg ik een hersenbloeding. Ik raakte deels in de WAO. Een jaar lang zit je zielig te wezen en met veel zelfmedelijden voor je uit te staren, maar ja, wat moest ik met mijn tijd? Ik ben uiteindelijk in contact gekomen met Leefbaar Nederland. Zo is het balletje gaan rollen. En ja, dan word je ineens in de slechte hoek gedouwd. Ik was een racist. Een fascist. Een oplichter, omdat ik in de WAO zat. Echt, de tranen springen je in de ogen. Een collega-docent zei: ‘Ik geef jou nooit meer een hand, want ik heb een Antilliaanse vrouw.’ Lazerstraal op, joh!’

Nu waren de opvattingen van de politicus Ronald Sørensen óók niet fijnzinnig en genuanceerd. In die tijd kon hij zich volledig vinden in de gedachte dat Rotterdam ‘een Poetin’ nodig had.

‘Zeker. Kijk, Rusland heeft een tsaar nodig. Zo eenvoudig is het. En Rotterdam dus óók. Een sterke vent die zegt: ‘En nou is ’t klaar, boem! Wij hebben gezegd: afgelopen met dat gesodemieter op de Keileweg, met al die overlast van hoeren en junkies. Wát een ellende was dat. Ik dacht ook vanuit mijn periode als docent. Een klas is een samenleving in het klein. Pak de raddraaiers aan, en de lucht klaart al flink op.’

Van Heemstra, in gedachten: ‘Nog even over die mail. Achteraf had mijn reactie wat minder heftig gekund.’

Sørensen glimlacht. ‘Je hoeft je niet te verontschuldigen, hoor.’

‘Ik wil alleen maar aangeven dat er in mijn denken ook iets is verschoven. Nu vind ik dat ‘Leefbaar’ óók goede dingen heeft gedaan voor Rotterdam. Als je jong bent, is de wereld algauw zwart of wit. Nu zie ik meer de grijstinten. Die zijn sowieso veel interessanter.’

Beeld Ivo van der Bent

Zij is van harmonie en verbinding. Hij van strijd en confrontatie. Daar zijn ze het snel over eens.

‘Als politicus heb ik het hart op de tong. Vandaar dat ik niet twitter, anders had ik allang een proces aan mijn broek gehad. Ik ben wel verhard. Mijn drift in de politiek komt vooral door de onbeschofte bejegening in het begin. En ja, dan sla ik terug. Had ik vroeger al. Ik ben opgegroeid in het na-oorlogse Rotterdam. Vlak bij ons had je het Witte Dorp, daar woonden de havenarbeiders. Daar kwam je niet, want je werd de straat uit gemept. Want ja, ik zat op de hbs. Op zondag droeg ik een stropdasje. Dan had je kapsones, hè? Ik was ook nog ‘die schele’, want ik had min-zestien aan mijn rechteroog. Als ik mijn bril af deed om te knokken, had ik al drie klappen te pakken. Maar: ik zat op judo. Ik greep ze beet en trok ze naar de grond. Dan won ik meestal wel.

‘Ik kom uit een keurig middenklassegezin. Mijn vader werkte op provisiebasis bij een firma in prentbriefkaarten, daar verdiende hij aardig mee. Wij kwamen niets tekort. Toch waren mijn jeugdjaren niet makkelijk. Ik was zo woordblind als wat. Een docent maakte me voor debiel uit: ‘Ga jij maar naar de ambachtsschool, Sørensen. Als je dan niet oplet, sla je met een hamer op je vingers.’ Daverend gelach in de klas. Ik keek om me heen: wie lacht er het hardst? Tot straks, vriend.’

Het contrast met de achtergrond van Marjolijn van Heemstra is fors.

‘Ik heb me nooit onbegrepen of achtergesteld gevoeld. Niet alleen met mijn ouders en twee zusjes, maar ook met veel familieleden had ik wel een gedeelde liefde of gedeelde interesse, of het nou ging om boeken, theater of de tuin. Mijn vader is kinderarts. Tot mijn 9de studeerde hij nog – wij woonden toen in een appartementje in de Amsterdamse Rivierenbuurt. De nadruk lag bij ons niet op een goede baan, een groot huis of veel geld. Wel op betekenis. Zinvol zijn voor anderen, voor de samenleving. Ik weet niet of dat nou per se met mijn adellijke afkomst te maken heeft. Misschien deels. Mijn grootvader sprak van noblesse oblige.

‘De titel barones voer ik niet in het dagelijks leven, maar ik ben mij wel bewust van de eeuwenlange familietraditie, van de mythen en de verhalen. Er worden bij ons ook eindeloos spullen doorgegeven, van antieke meubels tot servetringen. Ik heb schoenen van 160 jaar oud die nog zijn gedragen door een oud-tante op een bal in Casablanca. Dat is toch geweldig?’

De docent en de leerling zijn elkaar in de loop der jaren blijven volgen. Bij het verschijnen van Van Heemstra’s eerste poëziebundel in 2010 las Sørensen publiekelijk een van haar gedichten voor. Het afgelopen half jaar werkte hij mee aan de eerder genoemde podcast die zij maakte.

Sørensen: ‘Ik vind het mateloos knap wat Marjolijn doet. Hoe zij schrijft, hoe zij speelt met taal… Kon ik dat maar. Ik ben heel trots op haar.’

Van Heemstra: ‘Ik vind het belangrijk om niet in mijn linkse bubbel te blijven, maar juist ook te luisteren naar andere stemmen en geluiden. Zoals van Sør.’

Ziet zij hem als een politicus die deugt?

‘In essentie? Ja.’

In essentie.

‘Soms gaat hij het verkeerde pad op.’

CV Ronald Sørensen (71)

4 mei 1947 Geboren in Rotterdam.

1965 - 1969 Kweekschool

1968 – 2000 Docent geschiedenis en biologie op de Wolfert van Borselen Scholengemeenschap in Rotterdam

1996 Krijgt een hersenbloeding

2001 Richt Leefbaar Rotterdam op

Maart – mei 2002 Gemeenteraadslid Leefbaar Rotterdam

Mei 2002 - 2011 Fractievoorzitter Leefbaar Rotterdam (na moord op Fortuyn)

2007 – 2011 Statenlid Provincie Zuid-Holland

2011 Boek Nu ik het opschrijf, word ik weer boos (verzameling columns)

2011-2015 Eerste Kamerlid voor de PVV

2017 Stapt over naar Forum voor Democratie

Ronald Sørensen woont in Rotterdam. Hij is getrouwd met Nel en heeft twee kinderen.

In 2011 koos Ronald Sørensen voor de PVV.

‘Ik kon senator worden van die partij. Die kans heb ik met beide handen aangegrepen. Als je op het Binnenhof loopt, de allure van de Eerste Kamer… geweldig. Mensen kennen mij daar gewoon, hè? Ik werd volkomen geaccepteerd. Nooit één onvertogen woord gehoord.’

‘De PVV is voor mij echt een no-goarea,’ zegt Marjolijn van Heemstra. ‘Wilders’ uitspraken vind ik abject. Kopvoddentaks… afschuwelijk, afschúwelijk.’

Sørensen: ‘Mja, dat was niet slim. Geert heeft nog geprobeerd die uitspraak te bagatelliseren, maar dat is niet gelukt. Kijk, twintig jaar geleden zagen we amper hoofddoekjes. Nu horen ze bij het straatbeeld. Daar heeft hij de nadruk op willen leggen.’

‘Já, alsof je de multiculturele samenleving kunt terugdraaien. Klinkklare onzin. Hij creëert een illusie. Dat kan alleen maar door met grof geweld mensen eruit te schoppen.’

‘Mag ik het nou eens omdraaien? Er zijn mensen met twee paspoorten die verschrikkelijke misdrijven begaan. Waarom pak je het Nederlandse paspoort dan gewoon niet af? Wegwezen! Toedeledoki.’

‘Geldt dat dan ook voor witte criminelen?’, informeert Van Heemstra.

‘Nee. Die hebben geen dubbel paspoort.’

Ze schudt haar hoofd. ‘Dit is dus weer zo’n versimpeling. Want het is staatsrechtelijk niet mogelijk om een Marokkaans of Turks paspoort in te leveren. En: denk je dat het ‘moederland’ op die stelende en moordende idioten zit te wachten? Ze zijn in Nederland geboren en getogen en in Nederland crimineel geworden. Dus: uitzetting is een onmogelijkheid.’

‘Het kan wél. Verscheur dat paspoort gewoon!’

‘Met al dat getetter van populistische politici kan ik me trouwens heel goed voorstellen dat een Turkse of Marokkaanse Nederlander zijn tweede paspoort wil houden. Weet jij wat er gaat gebeuren? In deze tijden wil ik zelf ook wel zo’n uitweg. Doe mij maar een Canadees paspoort erbij. Neem die minder-minder-uitspraken van Wilders. Wilt u meer of minder Marokkanen? Ik was gechoqueerd! Echt Sør, ik kan niet geloven dat jij daarachter staat.’

Sørensen kijkt bedrukt. ‘Ik zou het anders doen, ja. Ik had gewild dat hij zijn uitspraak wat zou hebben genuanceerd. Heeft-ie niet gedaan. Ik heb het goedgepraat, want ik ben loyaal. En toch. In deze discussie wordt nooit gekeken waarom zoveel mensen een hekel aan Marokkanen hebben. Hoe kan het zijn dat een groep zich zo negatief manifesteert? Dat was bij ons op school al zo.’

Van Heemstra: ‘Je kan het probleem ook uitvergroten. Vertel mij eens: hoe kan het dat witte mannen in die grote bedrijven die gigantische milieuschade aanrichten?’ Op fluistertoon: ‘Je mag het niet zeggen, maar het zijn altijd weer witte mannen. Wat is er toch mis met witte mannen? Wil jij ook minder witte mannen?’

Sørensen grinnikt. ‘Ik begrijp wat Marjolijn bedoelt, hoor. Het klinkt nu heel pedant, maar bij mijn keuze voor de PVV had ik in mijn achterhoofd: misschien kan ik die club wat veranderen. Het burgemeester-in-oorlogstijdprincipe, ja. Ik wilde een open, democratische partij met leden.’

Is hij daarin geslaagd?

‘Nee. Totaal niet. Ik had hoop, maar ik heb geleerd dat Geerts wil wet is. Dat hoefde voor mij niet meer. Na vier jaar PVV heb ik ook niet meer gesolliciteerd. Ik ben nu bij het Forum voor Democratie van Thierry Baudet. Zijn toon is milder, verstandiger. Ik ben alleen nog lid, maar wil wel actiever worden. Als adviseur, of eventueel als leider van het district Rotterdam.’

Beeld Ivo van der Bent

Wat typeert haar als kunstenaar?

‘Ik hou van ingewikkeld. Van de complexiteit van dingen. Zo werk ik ook als schrijver en theatermaker: ik onderzoek verschillende lagen van de werkelijkheid. Wat is goed, wat is fout? Dat is nou precies wat mij zo tegenstaat in het populisme. Omdat het inspeelt op simpel en makkelijk. Maar het ís niet altijd makkelijk om onderling samen te leven, met al die verschillende culturen. Dan moet je op een open, creatieve manier een brug slaan. Als docent liet Sør ons zien dat de waarheid op zijn minst tweeledig is. Verdiep je in een ander, in een ander perspectief. Wat doet hij als politicus? Eén waarheid verkondigen. Met een eenduidige, simpele boodschap.’

Sørensen: ‘Dat klopt. Ik verkondig mijn eigen waarheid. Dat doet elke politicus. Sterker nog: je laat andere waarheden bewust weg, dat hoort bij het vak.’

Van Heemstra: ‘Maar dan is de politiek toch niets waard?’

‘Dat is ook zo! Het ís een heel raar bedrijf. In de Tweede Kamer zie je 150 mensen ruzie maken over een wetsvoorstel, terwijl de beslissing in de coalitie allang genomen is. En ja, mijn boodschap moet simpel en direct zijn, want als het NOS Journaal langskomt, gebruiken ze hooguit 10 seconden van mijn verhaal. Dat moet pittig. Het is wat Churchill zegt: democratie is een slecht systeem, maar ik weet geen beter.’

Van Heemstra schiet in de lach. ‘Laatst schreef ik voor het eerst in m’n leven een pittige, ongenuanceerde column – in Trouw. Het ging over een buurman in mijn buurt, Amsterdam-Noord, die mij ‘kankeryup’ noemt. Tja, dat is de kloof tussen oude, witte bewoners en ‘elitaire’ nieuwkomers als ik. Maar ik was het spuugzat om elke keer weer begripvol te zijn, dus ik schreef: ja, ik ben die trut met een linnen tas en een bakfiets die jouw buurt komt verzieken. Best hard. Die column ging viral. Toen werd ik zelf door alle linkse twitteraars afgefakkeld als ‘verheven’ en ‘arrogant’. Op GeenStijl werd ik zelfs afgebeeld met een hitlersnor. Sør, jij stuurde me nog een berichtje: joh, trek het je niet aan.’

Sørensen: ‘Ja. Ik wist precies wat je doormaakte.’

‘Mijn les was: je moet altijd zorgvuldig zijn in taal. Al vijftien jaar werk ik heel hard om de kloof tussen groepen kleiner te maken, en met zo’n simpele column vergrootte ik die kloof juist.’ Kijkt hem aan. ‘Eigenlijk deed ik iets wat waarschijnlijk beter bij jou had gepast. Ik lig daar weken wakker van.’

Een wonderlijke overeenkomst tussen de politicus en de schrijver is: de intrigerende familiegeschiedenissen uit de Tweede Wereldoorlog. Het lijkt bij uitstek een tijd waarin weinig discussie hoeft te zijn over goed en fout. Líjkt.

Van Heemstra: ‘Mijn oudoom Frans had een bom verpakt als sinterklaassurprise en die op 5 december 1946 afgeleverd bij een NSB’er. Anderhalf jaar ná de oorlog, dus. Die NSB’er werd gedood. Dat ging als een klein heldenverhaal de familie in. Toen Frans overleed, liet hij een ring na. Kijk, die heb ik om, een gouden ring met het lichtblauwe familiewapen. Die zou gedragen moeten worden door een toekomstig naamgenoot van de familie: mijn zoon. Toen ik zwanger werd, ben ik die familiegeschiedenis eens gaan onderzoeken. Wie is oom Frans? Hoe zat het nou werkelijk, met die aanslag?

‘Al gauw bleek dat niet alleen de NSB’er maar ook diens echtgenote en een dienstmeisje van 17 waren omgekomen. En: ging het wel om een NSB’er? Dat was niet bewezen. Ik kwam erachter dat deze Frans een treurig leven had geleid, met een jong gestorven moeder, een veeleisende, autoritaire vader en een kind dat hij verloor. Wilde hij iets bewijzen? Onder elke laag zit weer een nieuwe laag, en een nieuwe laag, en een nieuwe laag. Van die speurtocht naar mijn oom heb ik een theaterstuk en een roman gemaakt. Zelfs nu kan ik nog steeds niet een eenduidig oordeel vellen.’

Een oom en tante van Ronald Sørensen waren verzetshelden. Zij hadden Joodse verzetsstrijders gered uit kamp Westerbork. Als eerste Nederlanders kregen ze een Yad Vashemonderscheiding van de staat Israël. Zijn vader had een minder heldhaftige geschiedenis.

‘Die was fout. In 1940 regelde hij het transport van de Duitse oorlogsbuit – uniformen, dekens, militaire spullen – naar Duitsland. Daarna ging hij in Berlijn als vrijwilliger voor de Wehrmacht werken, samen met mijn moeder. Door Radio Berlijn liet hij zich gebruiken als Nederlandse ‘modelburger’ die zich wilde laten verduitsen. Mijn vader heeft daar later nooit met mij over willen spreken. Ik gunde hem zijn geheim.

‘Ik heb hem nooit iets kwalijk genomen. Omdat ik hem ook wel begreep. Kijk, mijn opa was steenrijk. Daarom had mijn vader geen recht op een uitkering. Maar mijn opa wilde hem geen geld geven. Sterker nog: hij dwong mijn vader een baantje te nemen voor een loon dat nog lager lag dan een uitkering! Een gruwelijke vicieuze cirkel. In Berlijn was hij vrij, daar kon mijn vader voor het eerst samenzijn met mijn moeder. Ze konden trouwen. Ze hadden geld. Geloof het of niet, maar in die eerste oorlogsjaren waren ze samen nooit eerder zo gelukkig geweest – tot de bommen op Berlijn vielen. Dus ja, wat is goed en wat is fout?’

Van Heemstra: ‘Dat is nou zo interessant: hoe de kleine verhalen zich verhouden tot het grote verhaal. Op het eerste gezicht lijkt jouw vader fout, maar als je inzoomt zie je een heel andere moraal, een heel andere werkelijkheid. Dat mechanisme geldt net zo goed voor de islam en de multiculturele samenleving. Genoeg oud-leerlingen van Marokkaanse of Turkse afkomst zijn gewone burgers, dat weet jij ook. Wist je dat er ook al vrouwelijke imams zijn? En zelfs een homo-imam? Je kunt inzoomen of uitzoomen – dan krijg je twee verschillende verhalen. Allebei hebben ze bestaansrecht. Maar: wat is de ‘waarheid’ die je wilt zien?’

Sørensen: ‘Mooi. Mooie gedachten. Dit verklaart nou waarom Marjolijn een van de weinige mensen is naar wie ik wil luisteren, af en toe.’

‘Ja, maar doe je er ook iets mee?’

Hij lacht. 

Deze week verschijnt de podcast Sør op www.sordepodcast.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.